(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Uit het 152e Boek van opmerkingen van het Rekenhof blijkt dat een kwart van het personeel van de federale overheidsdiensten ministeries, wetenschappelijke instellingen en parastatalen geen ambtenaar meer is in de strikte zin van het woord. Het zijn contractuele personeelsleden met een arbeidscontract zoals in de particuliere sector.
Op 1 januari 1995 stonden tegenover 63 000 vastbenoemde ambtenaren bij de federale overheidsdiensten, meer dan 21 000 contractuele personeelsleden.
Graag had ik van de geachte minister een antwoord op volgende vragen :
1. Zijn de hier vermelde cijfers correct ?
2. Hoe was de verhouding vastbenoemden/contractuelen op 1 januari 1996 opgesplitst per ministerie, wetenschappelijke instelling of parastatale ?
3. Is hij niet van oordeel dat deze verhouding in bepaalde overheidsdiensten duidelijk problemen stelt van interne organisatorische aard en indien niet, waarom niet ?
4. Zijn al deze contractuele indienstnemingen wettelijk vermits een contractueel slechts in dienst kan worden genomen « ter aanvulling van vast personeel, bij uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften en/of bijkomende of specifieke opdrachten » ?
5. Welk percentage van contractuelen, aangeworven in 1994 en 1995, werd vrijgesteld van de examenvereisten (zoals scholingsgraad) voor de graad van bestuurssecretaris, opsteller of klerk ?
Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid hierna de gevraagde inlichtingen mede te delen.
1. Zoals blijkt uit de laatste uitgave van het Overzicht van de personeelssterkte in de overheidssector telden de federale ministeries, wetenschappelijke inrichtingen en instellingen van openbaar nut op 1 januari 1995 samen ongeveer 64 000 statutaire en 17 000 contractuele personeelsleden.
Het laatstgenoemde getal loopt op tot 21 000 wanneer men de in voetnoot op pagina 13 van genoemde publicatie vermelde aanvullingsinventaris van Financiën en het hulppersoneel van Buitenlandse Zaken in het buitenland meerekent.
2. Ik beschik nog niet over volledige en met de bovenstaande vergelijkbare cijfers op 1 januari 1996. Deze zullen samen met de cijfers van 30 juni 1995 worden gepubliceerd in de volgende uitgave van het Overzicht van de personeelssterkte in de overheidssector, dat in het tweede kwartaal van 1996 zal verschijnen.
3. Tijdens de eerste fase van de operatie « vaststelling van nieuwe personeelsformaties », werd aan de verschillende overheidsdiensten de mogelijkheid geboden om de balans tussen contractuelen en statutairen te herstellen door voor permanente taken vastbenoemd personeel te voorzien en hiertoe sommige arbeidsposten tot statutaire betrekkingen om te vormen.
Als sommige overheidsdiensten deze gelegenheid niet of niet voldoende hebben aangegrepen hadden zij daar hun redenen voor, o.m. omdat zij nog een aantal taken uitoefenen die niet permanent zijn en waarvoor zij een beroep doen op contractueel personeel binnen de perken vermeld onder punt 4 hierna. De voorkeur voor contractuelen is bovendien in bepaalde gevallen te verklaren door het gebrek aan zekerheid over de evolutie van het aantal dossiers, zoals bijvoorbeeld bij het aantal asielaanvragers, dat een weerslag heeft op de verdeling contractuelen/statutairen bij de Dienst vreemdelingenzaken. Voor bepaalde functies, bijvoorbeeld i.v.m. bewaking en reiniging, is er een groot personeelsverloop : ook voor deze functies werd de voorkeur aan personen met een arbeidsovereenkomst gegeven.
Ik ben echter van mening dat de statutaire aanwervingen de regel moeten zijn en contractuele indienstnemingen de uitzondering.
4. De contractuelen kunnen in de overheidsdiensten uitsluitend in dienst worden genomen voor de drie finaliteiten die zijn voorgeschreven door de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, nl. :
Uitzonderlijke en tijdelijke personeelsbehoeften;
Vervanging van de ambtenaren die hun ambt niet of slechts deeltijds waarnemen;
Het vervullen van bijkomende of specifieke opdrachten.
Bovendien mag men de bepalingen niet uit het oog verliezen van de wet van 20 februari 1990 betreffende het personeel van de overheidsdiensten en van sommige instellingen van openbaar nut (zgn. wet op het « enig statuut ») waarbij, in afwijking van deze drie indienstnemingsfinaliteiten, sommige personeelscategorieën voor onbepaalde tijd bij arbeidsovereenkomst in dienst werden gehouden.
5. Voor de door u vermelde graden diende men, overeenkomstig het koninklijk besluit van 18 november 1991 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten, om regelmatig bij arbeidsovereenkomst in een overheidsdienst te zijn in dienst genomen, hetzij reeds in dienst zijn op 28 januari 1992, hetzij reeds ten minste één jaar in dienst zijn geweest tijdens de periode van 31 december 1987 tot 28 januari 1992, hetzij geslaagd zijn voor een vergelijkend wervingsexamen of een selectietest van het Vast Wervingssecretariaat.
Sedert de wijziging die in het voormelde besluit is ingevoerd door het koninklijk besluit van 13 april 1995 moet elke contractueel van om het even welke graad, om in een overheidsdienst te worden in dienst genomen, o.m. geslaagd zijn voor een vergelijkend examen en/of een selectietest die door het Vast Wervingssecretariaat georganiseerd is en die overeenstemt met het niveau van de uit te oefenen betrekking, met uitzondering van enkele zeer bijzondere personeelscategorieën (zoals het mess- of reinigingspersoneel).
Ik beschik niet over de nodige inlichtingen om u een percentage mede te delen van personen die waren vrijgesteld van de vereiste geslaagd te zijn voor een vergelijkend examen (of een selectietest) in de federale overheidsdiensten. Het geachte lid zou zijn vraag aan elke overheidsdienst moeten stellen.