(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Bij de jongste gemeenteraadsverkiezingen werd de verkiezing van een gemeenteraadslid eind mei 1995 ongeldig verklaard door de Raad van State, omdat een onderzoek zou aangetoond hebben dat de betrokkene niet in deze gemeente woonde op 1 augustus 1994.
Bij de verkiezing van dezelfde persoon als OCMW-raadslid oordeelt de Raad van State half juli 1995 dat het beroep dat ingesteld is door gemeenteraadsleden niet ontvankelijk is en bijgevolg de beslissing van de bestendige deputatie waarin wordt aangenomen dat de betrokkene op de dag van de OCMW-raadsverkiezing wel woonde in de gemeente waarin hij werd verkozen als gemeenteraadslid, kracht van gewijsde heeft verkregen.
Ondanks het feit dat in het uitvoerend gedeelte van het eerste arrest niet uitdrukkelijk wordt bepaald dat deze persoon (samen met zijn gezin) dient afgevoerd te worden uit het bevolkingsregister van de gemeente waar hij woonachtig zou zijn geweest op 1 augustus 1994, worden de betrokken gemeentebesturen hiertoe nochtans per aangetekend schrijven aangemaand door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Overeenkomstig artikel 8, § 2, van de wet van 19 juli 1991, moeten zij de verplichte mutaties uitvoeren en dit nog wel met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1994.
Graag had ik van de geachte minister een antwoord op volgende vragen :
1. Moet door het ministerie van Binnenlandse Zaken geen rekening worden gehouden met de inhoud van het tweede arrest en de beslissing van de bestendige deputatie ? In het arrest nr. 24150 van de Raad van State d.d. 20 maart 1984 wordt immers gesteld dat eens een rechtscollege zich heeft uitgesproken over de woonplaats van een gemeente- of OCMW-raadslid de administratieve overheid niet meer bevoegd is om zich uit te spreken over de al dan niet regelmatigheid van de inschrijving van betrokkene in het bevolkingsregister, tenzij zich nadien een wijziging in de concrete omstandigheden zou voordoen.
2. Gebeurt het regelmatig dat een persoon op bevel van het ministerie van Binnenlandse Zaken verplichtend en met terugwerkende kracht naar een andere gemeente wordt gemuteerd ?
3. Waarom worden enkel de gemeentebesturen en niet betrokkenen over de motieven van deze beslissing op de hoogte gebracht ? Is dit niet strijdig met de wet van 29 juli 1991 (uitdrukkelijke motiveringsplicht van de overheid) ?
4. Is de geachte minister zich bewust van de praktische problemen die een inschrijving met terugwerkende kracht met zich brengt (bijvoorbeeld betaling van belastingen, genieten sociale voordelen,...) ?
Antwoord : 1º Het arrest van de Raad van State betreffende het geschil over de geldigverklaring van de verkiezing van de Raad voor maatschappelijk welzijn heeft het hoger beroep verworpen wegens gebrek aan bewijs van het vereiste belang.
Dit arrest heeft geen uitspraak ten gronde over deze zaak gedaan.
Het geschil aangaande het verblijf in de gemeente blijft beslecht zoals dit is geschied bij het arrest van de Raad van State, die zich heeft uitgesproken over de geldigverklaring van de gemeenteraadsverkiezingen en die precies van oordeel is geweest dat de verkiesbaarheidsvoorwaarde nopens de verblijfplaats niet vervuld was.
2º Krachtens artikel 11, eerste lid, 2º, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, geschiedt de inschrijving in de bevolkingsregisters op grond van de vaststelling van de reële hoofdverblijfplaats.
Uit artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 blijkt dat de hoofdverblijfplaats een feitelijk begrip is.
De vaststellingen die in dat opzicht gedaan worden hebben de draagwijdte van een verklaring, hetgeen verwoord wordt in artikel 11, tweede lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 volgens hetwelk de inschrijvingsdatum degene is die vermeld wordt in de administratieve beslissingen inzake verblijf of degene waarop de reële verblijfplaats vastgesteld werd.
Jaarlijks neemt het ministerie van Binnenlandse Zaken kennis van 800 à 1 000 geschillen inzake verblijf. Er bestaan geen statistieken over de beslissingen die een verblijfsverandering impliceren.
De beslissingen die naar aanleiding van geschillen inzake verblijf genomen worden, worden aan de betrokken gemeenten betekend. Deze dienen de beslissingen aan de betrokken personen te betekenen en het ministerie van Binnenlandse Zaken over de uitvoering ervan te informeren.
3º De aangehaalde problemen zijn vooral te wijten aan het feit dat de personen die zich slachtoffer verklaren zich niet hebben gehouden aan de verplichting, opgelegd aan een ieder die zijn hoofdverblijfplaats in een gemeente wil vestigen of die ze wil overbrengen naar een andere gemeente, om ervan aangifte te doen bij het gemeentebestuur.
De terugwerkende kracht van de beslissingen heeft in principe nooit ingang vóór de datum waarop het eerste onderzoek heeft plaatsgevonden.