(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
De meeste taxatiediensten van de administratie der Directe Belastingen onderwerpen sommige aangiften aan een (zeer) grondig onderzoek. Het gaat naar verluidt om 5 à 10 pct. van de te onderzoeken dossiers per jaar, terwijl de andere dossiers nagenoeg geen nazicht krijgen. Bij die grondige controles worden ellenlange vragenlijsten type 332 verzonden. Deze lijsten vergen soms wekenlange opzoekingen en kunnen zeer tijd -en geldrovend zijn.
De toenmalige minister van Financiën verklaarde eerder dat de regering het vragen van overdreven inlichtingen uit den boze acht (Kamer, zitting 1961-1962, doc. 264/42), en dat de administratie slechts een goed overwogen en gematigd gebruik mag maken van de haar verleende bevoegdheid (Senaat, zitting 1961-1962, doc. 366). Volgens een verslag in de Parlementaire Handelingen (15 juni 1962, blz. 85) is het niet aanvaardbaar dat de administratie zulkdanige inlichtingen vraagt die voor de belastingplichtige ongehoord veel tijdverlies en kosten meebrengen.
Deelt de geachte minister nog steeds deze interpretatie ? Kan hij het vroeger algemeen geldend criterium bijtreden, waardoor in een vragenlijst geen inlichtingen mogen worden opgevraagd die de taxatie-ambtenaar zelf kan vinden, om aldus tijd -en geldverlies voor de belastingplichtige te vermijden ? Is dat criterium nog steeds geldig ?
Acht de geachte minister het aangewezen om, in het kader van de moderne onderzoeksmethodes van bundels die voor grondig nazicht geselecteerd zijn, precieze voorschriften uit te schrijven om nodeloos lange vragenlijsten te voorkomen ? De nieuwe onderzoeksmethodes doen immers het fenomeen van te lange vragenlijsten, vroeger herhaaldelijk aangeklaagd, weer opduiken.