(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Het is bijwijlen schrijnend te vernemen hoe ex-echtgenoten na het verwerken van de scheiding nog een aanslepend gevecht moeten leveren met de fiscale erfenis van hun mislukt huwelijk.
Vooreerst gebeurt de aanslag op de inkomsten van het jaar van de feitelijke scheiding nog gezamenlijk, en pas daarna afzonderlijk. De afzonderlijke aanslag doet echter niets af aan het recht van de ontvanger om in te vorderen bij elke echtgenoot.
De feitelijke scheiding heeft immers geen gevolgen voor de invordering.
De ontvanger kan de ene echtgenoot nog aanspreken voor belastingen geheven op de inkomsten van de andere. In het geval van een stelsel met gemeenschap van goederen, moet de aangesproken echtgenoot nog steeds betalen, ook met zijn eigen vermogen.
Graag had ik van de geachte minister een antwoord op de volgende vragen :
1. Wat is zijn opvatting terzake ? Vindt hij deze manier van werken billijk ?
2. Kan een aangepaste regeling worden uitgewerkt voor feitelijk gescheiden echtgenoten ?
Antwoord : In verband met de door het geachte lid geschetste problemen wens ik er vooreerst op te wijzen dat de feitelijke scheiding ook in het gemeen recht geen gevolgen heeft op de rechten van schuldeisers. De feitelijke scheiding is immers slechts een wijziging in de familiale situatie van de echtgenoten die evenwel door de wetgever blijvend als een valabel huwelijk wordt gekwalificeerd. Door de feitelijke scheiding verliezen beide huwelijkspartners hun hoedanigheid van « echtgenoot » niet.
Met betrekking tot de verhaalbaarheid van belastingschulden ten aanzien van echtgenoten, feitelijk gescheiden of niet, is er geen wezenlijke discrepantie met de invorderingsmogelijkheden inzake gemeenrechtelijke schulden. Zoals ieder ander schuldeiser zal de ontvanger voor de invordering van belastingschulden immers vaak steunen op de gemeenrechtelijke bepalingen (die trouwens uitdrukkelijk door de fiscale wet toepasselijk worden verklaard). Enkel indien de echtgenoten gehuwd zijn onder een stelsel waarin de tijdens het huwelijk verworven inkomsten eigen blijven, kan de ontvanger bijzondere fiscale bepalingen inroepen, maar ook in die hypothese kan de echtgenoot, feitelijk gescheiden of niet, een aantal goederen aan de invordering onttrekken (artikel 394, § 1, tweede alinea, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 - afgekort WIB 92).
Teneinde een zekere bescherming te bieden aan de feitelijk gescheiden echtgenoot op wie belastingschulden van de andere echtgenoot worden verhaald, is in het WIB 92 al een bijzondere bepaling opgenomen op grond waarvan de niet in het kohier opgenomen feitelijk gescheiden echtgenoot aan de gewestelijke directeur kan vragen de invordering in zijnen hoofde te beperken (artikel 394bis , WIB 92).
Het ontwerp van wet betreffende de beslechting van de fiscale geschillen, dat momenteel aanhangig is in de Senaat, gaat verder.
Inderdaad, om tegemoet te komen aan de rechtspraak van het arrest nr. 39/96 van 27 juni 1996 van het Arbitragehof (Belgisch Staatsblad van 9 augustus 1996) dat beslist heeft dat artikel 267, WIB (thans artikel 366, WIB 92) het gelijkheidsbeginsel schendt in zoverre die bepaling het recht om bezwaar in te dienen slechts toekent aan de belastingplichtige ten name van wie de aanslag is gevestigd, met uitsluiting van de feitelijk gescheiden echtgenoot die gehouden is tot de belastingschuld die ten name van de andere echtgenoot is gevestigd, kent de tekst van het voormelde ontwerp uitdrukkelijk het recht van bezwaar toe aan de echtgenoot (feitelijk gescheiden), wanneer de aanslag kan worden ingevorderd op al diens goederen of op een deel ervan. Het ontwerp heft tevens het beroepsgeheim op ten aanzien van de niet in het kohier opgenomen echtgenoot die aldus alle nuttige inlichtingen zal kunnen inwinnen om een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen.
Dit ontwerp vertegenwoordigt dus voor de feitelijk gescheiden en niet in het kohier opgenomen echtgenoot een belangrijke stap voorwaarts in vergelijking met de in artikel 394bis , WIB 92, geboden mogelijkheden, waarvan de opheffing wordt voorgesteld.
Anderzijds kan ik het geachte lid melden dat de Ministerraad van 19 juni 1998 een voorontwerp van wet houdende fiscale en diverse bepalingen goedkeurde waarvan sommige bepalingen slaan op een versoepeling van de reglementering voor de invordering van belastingen voor gehuwden, feitelijk gescheiden of niet.
Inderdaad, voor gehuwden onder een stelsel met een welkdanige gemeenschap kunnen voor de invordering van de belasting in verband met de onderscheiden inkomsten zowel de eigen patrimonia als het gemeenschappelijk patrimonium worden aangesproken.
Bij het instellen van voormelde wet van 14 juli 1976 is men uitgegaan van de overweging dat het wettelijk stelsel moest beantwoorden aan de vermogenstoestand van de meeste gezinnen en daarom is geopteerd voor een stelsel van gemeenschap van aanwinsten (Marijke Bax en Hélène Casman : « Wet van 14 juli 1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels » RW , 9 oktober 1976, 40e jaargang nr. 6, blz. 342, nr. 67).
Hiermede wordt bedoeld dat alle goederen en inkomsten van elk van beide echtgenoten van vóór het huwelijk eigen blijven evenals de schenkingen, testamenten en erfenissen die ieder van hen tijdens het stelsel verkrijgt (cf. artikel 1399 van het Burgerlijk Wetboek).
In de gemeenschap vallen derhalve die opbrengsten en inkomsten die tijdens het huwelijk zijn verworven, hetzij van eigen arbeid, hetzij van eigen goederen en vanzelfsprekend ook alle goederen aangekocht met deze inkomsten en opbrengsten, zomede de schenkingen aan beide echtgenoten samen of aan één van hen onder beding dat die goederen gemeenschappelijk zijn (cf. artikel 1405 van het Burgerlijk Wetboek).
Gelet op een streven van de regering om de belastingplichtigen die zich in een gelijklopende omstandigheid bevinden ook op een gelijklopende wijze te behandelen en mede gelet op het quasi parallellisme tussen de bepalingen van voormeld artikel 1399 van het Burgerlijk Wetboek, en de onttrekkingsgevallen bepaald in artikel 394, § 1, tweede lid, WIB 92, voorziet het voormelde ontwerp dit bovenvermelde artikel aldus aan te passen dat deze onttrekkingsgevallen ook kunnen worden ingeroepen door de ene echtgenoot bij de invordering van het gedeelte van de belasting met betrekking tot het inkomen van de andere echtgenoot dat als persoonlijk verworven is aangezien bij de taxatie van de bewuste belastingaanslag, wanneer deze echtgenoten zijn gehuwd onder een ander stelsel dan dat van zuivere scheiding van goederen.
Tot besluit deel ik het geachte lid mede dat ter gelegenheid van de besprekingen in de Kamer van het ontwerp van wet betreffende de beslechting van de fiscale geschillen, werd beslist een werkgroep op te richten om specifiek de problematiek van de invordering ten laste van de feitelijk gescheiden echtgenoten te onderzoeken.