Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-75

ZITTING 1997-1998

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Volksgezondheid en Pensioenen (Volksgezondheid)

Vraag nr. 1050 van de heer D'Hooghe d.d. 30 april 1998 (N.) :
Toekenningscriteria voor de speciale parkeerkaart voor gehandicapten.

Op mijn schriftelijke vraag nr. 1-896 aangaande de toekenningscriteria voor de speciale parkeerkaart voor gehandicapten, antwoordt de minister van Volksgezondheid en Pensioenen dat deze aangelegenheid behoort tot de bevoegdheid van de minister van Ambtenarenzaken. Wetende dat de minister van Ambtenarenzaken de bevoegdheid heeft over oorlogsslachtoffers, is het evenzeer duidelijk dat ook de minister van Volksgezondheid en Pensioenen hierin bevoegdheid heeft. De concrete vraag handelde immers over de motieven voor en de adviezen inzake de ministeriële besluiten van 29 juli 1991 en 5 april 1996. Ik moet vaststellen dat het ministerieel besluit van 5 april 1996 ondertekend werd door de heer Marcel Colla, minister van Volksgezondheid (samen met zijn collega's Vande Lanotte en Peeters). Ofwel heeft de minister van Volksgezondheid en Pensioenen bij het uitvaardigen van het ministerieel besluit van 5 april 1996 zijn bevoegdheid overschreden, ofwel is hij inderdaad bevoegd voor bedoelde aangelegenheid en vernam ik graag van de geachte minister een antwoord op volgende vraagstelling.

Met de ministeriële besluiten van 29 juli 1991 en 5 april 1996, zijn de toekenningsvoorwaarden voor een speciale parkeerkaart voor gehandicapten verstrengd. Ook de burgerlijke en militaire oorlogsinvaliden vallen onder een verstrengde regeling en moeten voortaan een invaliditeitspercentage van 50 % kunnen aantonen. De parkeerkaarten die momenteel in omloop zijn blijven slechts geldig tot 31 juli 2001. Dit betekent dat heel wat oorlogsinvaliden, die momenteel wel over een speciale parkeerkaart voor gehandicapten beschikken met een invaliditeitspercentage van minder dan 50 %, deze kaart na 31 juli 2001 onherroepelijk verliezen.

U zult begrijpen, mijnheer de minister, dat oorlogsinvaliden met deze gang van zaken vrij ongelukkig zijn. Zij ervaren dit als een gebrek aan erkentelijkheid voor de staatszin die zij hebben opgebracht tijdens de oorlogsjaren. Bovendien worden zij voortaan strenger behandeld terwijl hun aftakeling door hun ouderdom juist voortschrijdt, zodat een versoepeling in plaats van een verstrenging in dit concreet geval meer aangewezen is.

Daarom had ik van de geachte minister graag een antwoord gekregen op volgende vragen :

1. Kan de geachte minister aangeven welke motieven aan de basis lagen van de verstrenging van de toekenningsvoorwaarden zoals bepaald in de vermelde ministeriële besluiten ? Gelden die motieven ook in het bijzonder voor de burgerlijke en militaire oorlogsinvaliden ? Is de staat van hun verdienste naar uw oordeel een relevant gegeven in deze materie ?

2. Is er, voorafgaandelijk aan de beslissing inzake de toekenningscriteria ten aanzien van de burgerlijke en militaire oorlogsinvaliden, advies ingewonnen bij de Hoge Raad voor Oorlogsinvaliden, Oudstrijders en Oorlogsslachtoffers ? Zo neen, waarom werd dit initiatief niet genomen ?

3. Overweegt de geachte minister om voor deze categorie van personen bedoelde ministeriële besluiten aan te passen ?