(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Het reeds vier jaar oude dossier met betrekking tot de bouw van vier kustmijnenvegers voor de zeemacht, zou weer geblokkeerd zitten.
Reden hiervoor is een negatief advies van de Inspectie van het ministerie van Financiën, wegens het « ontbreken van voldoende financiële en kwalitatieve garanties » (Het Nieuwsblad van 24 en 25 januari 1998).
Het Antwerpse SKB, dat met het ministerie van Defensie een contract voor de 1e engineeringsfase van 200 miljoen tekende, ziet zich door dit negatief advies genoodzaakt te wachten.
Er kwam namelijk geen doorbraak in de discussie ter zake tussen de kabinetten van beide ministeries, met als gevolg dat het dossier ter behandeling werd doorgeschoven naar de Ministerraad.
Dit alles heeft echter niet alleen gevolgen voor SKB, maar onrechtstreeks ook voor de Oostendse regio, door SKB honderden jobs beloofd, aangezien SKB een nieuwe werf wil bouwen in Oostende.
De regio Oostende werd destijds reeds hard getroffen toen het 12-miljardendossier, door het faillissement van de Oostendse scheepswerf Polyship, verhuisde naar SKB.
Graag kreeg ik van de geachte minister een antwoord op de volgende vragen :
1. Kan de geachte minister van Financiën mij meedelen of het negatief advies van de inspectiedienst van zijn kabinet voldoende gegrond is om dit dossier te blokkeren ?
2. Over welke « ontbrekende financiële en kwalitatieve garanties » gaat het hier concreet ?
3. Wat waren de knelpunten in de spaaklopende discussies tussen de kabinetten van beide ministers ?
Antwoord : Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te willen vinden op zijn vragen van 10 februari 1998 in verband met het dossier van de kustmijnenvegers.
De Ministerraad heeft mij op 6 februari 1998 gemachtigd het engineeringscontract van het programma voor de bouw van vier kustmijnenvegers van de marine toe te wijzen aan de NV SKB. Het spreekt voor zich dat alle advies- en controleprocedures strikt werden gevolgd. De inspectie van Financiën speelt hierin een belangrijke rol. De inspectie van Financiën heeft in dit dossier trouwens meerdere adviezen uitgebracht waarin aangedrongen werd op sluitende financiële en technische garanties. De inspectie van Financiën is hierin opgetreden conform het koninklijk besluit van 16 november 1994 betreffende de administratieve en begrotingscontrole. Ook al ressorteert de inspectie van Financiën onder de bevoegdheid van de minister van Begroting en niet onder deze van de minister van Financiën, rapporteren de inspecteurs in eerste instantie aan de minister bij wie ze door de minister van Begroting zijn geaccrediteerd, in casu dus de minister van Landsverdediging. De inspecteurs van Financiën zijn met andere woorden geen inspectiedienst van het kabinet van de minister van Financiën doch autonome ambtenaren die hetzij krachtens artikel 12 van voornoemd koninklijk besluit, als adviseur, hetzij krachtens artikel 14 van hetzelfde besluit, als controleur, optreden van de minister aan wie ze door de minister van Begroting zijn toegewezen. Gelet op het belang van het dossier is de beslissing in verband met de toewijzing van dit deelcontract aan de regering voorgelegd.
Ten gronde dient er te worden op gewezen dat, zoals trouwens ook bevestigd door de Ministerraad, de toewijzing van dit deelcontract gebeurt met respect van de strikte verplichtingen van de wet en van de eerder afgesloten raamovereenkomst. Concreet worden de plafondprijzen en de wettelijke en contractuele financiële garanties van 3 % van de toe te wijzen som geëerbiedigd en zal de betrokken onderneming, in afwachting van het bekomen van de overeenstemmende technische erkenningen, het engineeringscontract uitvoeren conform de opgelegde technische vereisten. Momenteel beschikt de betrokken onderneming overigens reeds over een AQAP 120 certificaat en heeft het haar engagement bevestigd om, conform de verbintenissen vastgelegd in artikel 9 van de raamovereenkomst en artikel 13 van het deelcontract, de richtlijnen van de ISO 9001 aangevuld met de richtlijnen AQAP 110 toe te passen evenals de kwaliteitsnorm ISO 12207 en de AQAP 150 na te leven.
Wat de eventuele latere productiefazen betreft, waarvoor nog een beslissing moet worden genomen, wordt van de betrokken onderneming verwacht dat zij, naast het stellen van een borgtocht, tevens de nodige bankwaarborgen bekomt teneinde de gevraagde voorschotten met betrekking tot deze productiefazen te kunnen dekken. Tevens dient de hoofdaannemer een stevige financiële structuur te vormen met zijn onderaannemers, waarbij de hoofdaannemer evenwel de verantwoordelijkheid van het project blijft dragen. Tenslotte zullen de productiefazen slechts worden gegund wanneer de hoofdaannemer in het bezit is van de voorziene ISO en AQAP-certificaten.