Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-71

ZITTING 1997-1998

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Tewerkstelling en Arbeid, belast met het Beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen

Vraag nr. 929 van de heer D'Hooghe d.d. 12 maart 1998 (N.) :
Zwakke positie van BelgiŽ in de internationale vergelijking van het studieniveau van de actieve bevolking.

Uit het evaluatierapport 1997 inzake het federaal werkgelegenheidsbeleid, het zogenaamde rapport Jadot, blijkt dat BelgiŽ zeer hoog scoort wat betreft het aantal laaggeschoolden. Uit tabel 64 van bedoeld rapport blijkt dat 42,6 % van onze bevolking een diploma heeft van lager niveau. Ter vergelijking, in Duitsland ligt dit percentage slechts op 17,2 en in Nederland op 20,2. Het rapport citeert : ę De bevolking in BelgiŽ wordt gekenmerkt door een oververtegenwoordiging van de diploma's van het lager en het hoger niveau. Ľ Er wordt bovendien op gewezen dat de totale Belgische werkgelegenheidsgraad naar omlaag wordt gehaald door de zwakke werkgelegenheidsgraden van de laaggeschoolde werknemers. In tegenstelling tot onze drie voornaamste handelspartners heeft BelgiŽ, aldus het rapport Jadot, te kampen met twee handicaps : een groot aantal mensen met een laag diploma en een lage werkgelegenheidsgraad voor deze categorie.

Dit hoge aantal laaggeschoolden in BelgiŽ staat in schril contrast met de investeringen die traditioneel in ons land op het vlak van onderwijs worden neergezet. In Vlaanderen alleen al, bedroeg het onderwijsbudget in 1996 meer dan 200 miljard frank, wat meer dan 40 % van de totale Vlaamse begroting is. Ook in het Franstalig landsgedeelte is men doordrongen van het belang van de onderwijsinspanningen; ik verwijs naar de langdurige acties die een jaar geleden werden gevoerd bij de doorvoering van een aantal saneringsmaatregelen. Hoe dan ook, in ons land werden steeds de nodige budgettaire enveloppes vrijgemaakt wat betreft onderwijs en decennia lang stond BelgiŽ gekend voor zijn hoog onderwijsniveau (hoewel de internationale vergelijkingen de laatste jaren iets minder gunstig schijnen uit te vallen).

Ook het grote aantal leerlingen met een schoolse achterstand is opvallend voor ons land. Volgens cijfers van de Vlaamse Onderwijsraad, doet bij ons minstens 12 % van de leerlingen minstens ťťn jaar over in het basisonderwijs en moet ongeveer 35 % van de leerlingen ťťn of meer jaar blijven zitten in het secundair onderwijs. Ook dit cijfer verschilt in sterke mate van dat van andere Europese landen.

Daarom kreeg ik van de geachte minister graag een antwoord op volgende vragen :

1. Welke verklaring kan, in het licht van het werkgelegenheidsbeleid, worden gegeven voor het grote aantal laaggeschoolden in ons land en welke inspanningen neemt de regering op zich om in de verdeling van de werkgelegenheid per onderwijsniveau een gunstiger positie te gaan innemen ten aanzien van de buurlanden ? Welke inspanningen kunnen geleverd worden binnen de onderwijsinstellingen en welke rol hebben de ondernemingen dienaangaande in ons land ? Welke cijfers en statistisch materiaal zijn gekend omtrent de opleidingsinspanningen in ondernemingen ten aanzien van de werknemer ?

2. Wordt met de toenemende technologische evolutie het technisch onderwijs op secundair en op hoger niveau niet al te zeer verwaarloosd ten aanzien van de algemeen vormende opleidingen ? Welke zijn hiervan de mogelijke consequenties op de tewerkstelling ?

3. Is er een correlatie tussen het grote aantal zittenblijvers in het lager en het secundair onderwijs en de motivatie van deze mensen wanneer zij zich op de arbeidsmarkt moeten aandienen ? Welke sociale begeleiding wordt hiervoor voorzien om deze negatieve invloed op de arbeidsmarkt te gunste te keren ? In welke mate wordt er overleg gepleegd met de gemeenschappen om de oorzaken binnen de onderwijssector voor dit fenomeen weg te werken ?

4. Is de geachte minister van oordeel dat deze vaststellingen meer gedetailleerd moeten worden onderzocht met het oog op het mogelijk treffen van passende maatregelen ten aanzien van het tewerkstellingsbeleid ?