Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-69

ZITTING 1997-1998

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Landsverdediging

Vraag nr. 860 van de heer Loones d.d. 10 februari 1998 (N.) :
Vlaams ongenoegen over buitenlandse promotie Vlaamse generaals.

Via een artikel in de krant De Standaard van 26 januari 1998 vernam ik de geplande overplaatsing van een generaal als stafchef naar het hoofdkwartier van de NAVO-troepen voor Centraal-Europa in het Nederlandse Brunsum.

Deze benoeming (normaal gesproken voor drie jaar) zou als gevolg hebben dat de terugkeer van deze generaal als stafchef van de landmacht zou uitgesloten worden vermits hij in 2001 met pensioen gaat.

De generaal volgt dezelfde « promotie-weg » naar het buitenland als een andere Vlaming, onlangs gepromoveerd tot bevelhebber van het Eurokorps in Straatsburg.

Voor de Vlaamse militairen en politici het zoveelste ongenoegen op rij :

Eerst was er de legerherstructurering van 1993, waarbij 7 200 militaire jobs in Vlaanderen verloren gingen tegenover slechts 1 500 in Walloniė en waarbij 1 100 jobs uit Vlaanderen overgeheveld werden naar Walloniė.

Dan heeft de minister onlangs de verhuizing van de voormalige Kadettenschool van Lier naar Laken weten door te drukken, ondanks de bijdrage van Lier voor de vernederlandsing van de mentaliteit in het leger.

Het gevolg van dit alles is de dreigende scheefgroeiing in de taalverhoudingen voor onderofficieren en officieren, maar dan wel in het nadeel van de Vlamingen.

De Vlaamse officieren, die gehoopt hadden dat de generaal ­ met zijn ervaring en groot internationaal aanzien ­ orde op zaken zou kunnen stellen als stafchef van de landmacht, zien nu ook deze hoop door de minister gedwarsboomd.

Op zijn zachtst uitgedrukt kan worden vastgesteld dat de defensiepolitiek van de minister op zijn minst Vlaams-onvriendelijk mag genoemd worden.

Graag kreeg ik van de geachte minister een antwoord op de volgende vragen :

1. Kan de geachte minister begrip opbrengen voor het ongenoegen bij de Vlaamse officieren, die de overplaatsingen van hun Vlaamse generaals naar buitenlandse posten beschouwen als « verbanningen » ?

2. Gaat de geachte minister akkoord dat hij alle kansen op promotie tot stafchef van de landmacht voor de generaal blokkeert door deze buitenlandse promotie ? Lijkt de geplande buitenlandse promotie dan niet meer op een vergiftigd geschenk ?

3. Wat vindt de geachte minister van de terechte vrees van Vlaamse politici en militairen, die de balans van de legerherstructurering meer en meer zien doorhellen in het nadeel van Vlaanderen ? Is de geachte minister bereid om deze balans weer in evenwicht te brengen ?

4. Ziet de geachte minister ook het dreigend gevaar van scheefgroeiing van de taalverhouding voor de officieren en onderofficieren, ten nadele van de Vlamingen wel te verstaan ? Is de geachte minister bereid stappen te ondernemen om dit te voorkomen ? Zo ja, welke ?

Antwoord : Ik betwijfel dat het geachte lid de mening vertolkt van de Vlaamse officieren. Zij weten dat de reėle toestand helemaal anders is dan die gesuggereerd in de vraag. De landmacht telt op dit ogenblik immers zeven luitenant-generaals, waarvan vijf Nederlandstaligen die onder meer alle belangrijke landmachtfuncties innemen : de stafchef van de landmacht, de bevelhebber van het Eurocorps en die van het operationeel commando van de landmacht en tenslotte de stafchef van de geallieerde strijdkrachten in Centraal-Europa.

De antwoorden op de vragen luiden dus als volgt :

1. Neen.

2. Neen.

3. Deze vrees is gegrond.

4. Er is helemaal geen scheefgroeiing bij de officieren en onderofficieren. Uit het laatste taalverslag dat ik bij het Parlement heb ingediend blijkt dat de Nederlandstaligen slechts 50,9 % van de manschappen leveren, doch 56,7 % van de onderofficieren en zelfs 60,6 % van de officieren.