Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-69

ZITTING 1997-1998

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Economie en Telecommunicatie Telecommunicatie

Vraag nr. 842 van de heer Loones d.d. 10 februari 1998 (N.) :
Nieuwe bestemming postgebouw Oostende ­ Maritiem Museum.

In verband met een nieuwe bestemming voor het oude postgebouw in Oostende, werd door de Oostendse werkgroep Maritieme Cultuur, een heel interessant voorstel naar voren gebracht : een Maritiem Museum.

Het is een te betreuren feit, dat er in Oostende reeds veel verloren gegaan is van het maritieme erfgoed, en dat wat er rest, elders moet worden gezocht.

Nochtans heeft Oostende, als centrale haven van de Vlaamse kust, een duizendjarige geschiedenis met een rijk verleden als vissershaven, ferryhaven, jachthaven, badplaats en kunststad.

Nu ook de RMD (radio maritieme diensten) van Oostende, door de opkomst van nieuwe hoogtechnologische communicatie op zee, met stille trom aan het verdwijnen zijn, dreigt ook hier een merkwaardig archief en een arsenaal aan erfgoedmateriaal verloren te gaan. Het archief van de RMD zou tegen april 1998 een bestemming moeten vinden.

Uw collega, minister Daerden, verklaarde eerder dat hij aan het college van vereffenaars (het RMT- archief werd overgedragen aan het Rijksarchief) gesuggereerd had de scheepsmodellen en schilderijen ter beschikking te stellen van een museum in Oostende, teneinde het geheel samen voor het publiek toegankelijk te houden.

Naar verluidt, zou een contract tussen het Rijksarchief en het Oostendse stadsbestuur, waarbij deze laatste het RMT- archief in bewaring zou krijgen, op termijn wel mogelijk zijn; echter niet zonder strikte voorwaarden m.b.t. de geschiktheid van de bewaarplaats en de openbaarheid van de archieven.

Hiervoor zou het oude postgebouw de oplossing brengen : centraal gelegen en geschikt als bewaarplaats, voldoet het aan die voorwaarden.

De Oostendse bevolking, niet ongevoelig voor wat zijn vorige generaties aan cultureel erfgoed hebben overgedragen, zou een Maritiem Museum in het hart van Oostende zeker positief onthalen.

Graag kreeg ik van de geachte minister een antwoord op de volgende vragen :

1. Kan de geachte minister mij meedelen welke nieuwe bestemming voorzien wordt voor het oude postgebouw in Oostende ?

2. Blijkbaar zijn er ook nog andere plannen, o.m. uitgaande van de stad Oostende, die ook de architecturale rijkdom van het gebouw in stand wil houden. Zijn er reeds afspraken gemaakt in die richting ?

3. Is de geachte minister bereid om, bij onderhandelingen over de verkoop van het gebouw, in ieder geval de voorkeur te geven aan verder publieke bestemming van het gebouw, zo mogelijk met een museumfunctie ? Wat zijn, bij verkoop, de verschillende opties voor de inrichting van het gebouw ?

4. Is de geachte minister bereid een bestemming als Maritiem Museum ernstig in overweging te nemen, zodat de duurzaamheid van het Oostendse maritiem cultureel erfgoed gewaarborgd zou blijven ?

5. Wil de geachte minister rekening houden met de datum van april 1998, tegen dewelke het RMD- archief zijn bestemming moet hebben, wil ook dit niet uit Oostende verdwijnen ?