(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
De oprichting van een ontmantelingsinstallatie voor chemische munitie in Langemark-Poelkapelle, en de bijhorende achterstelling van de leden van de ontmijningsdienst blijven nog steeds voor de nodige beroering zorgen in die sector (schrijven ACMP van 25 februari 1998 - ref. 024/11600/1).
De feiten gaan terug tot in juni 1993, toen uw toenmalige voorganger de eerste steen legde van de ontmantelingsinstallatie in Langemark-Poelkapelle.
Ten behoeve van de ontmantelaars van deze gevaarlijke wapens werd in 1994, « in spoed », een ontwerp van koninklijk besluit, met betrekking tot het toekennen van een forfaitaire toelage voor de ontmanteling van toxische munitie, voorgelegd aan de toenmalige Commissie van Advies voor het Militair Personeel.
Dit ontwerp, blijkbaar reeds meer dan drie jaar « op de dool », werd destijds door het kabinet van Ambtenarenzaken afgewezen, omdat het in strijd zou zijn met artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 december 1993, houdende uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
Uit het antwoord van de geachte minister van 30 mei 1997 op een parlementaire vraag van een kamerlid (« ... dat het ontwerp voor advies zou worden voorgelegd aan de Raad van State, aangezien het bewuste artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 niet meer van toepassing is. »), kon de ACMP alleen maar besluiten dat men, na al die jaren, nog nergens staat.
Daarenboven vernam de ACMP, via vertrouwelijke inlichtingen, het op de lange baan schuiven van een wetsontwerp tot wijziging van het artikel 57, § 2, van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen.
Bewust artikel voorziet dat de ontmijners dezelfde vergoedingspensioenen zouden krijgen als de oorlogsinvaliden, maar is enkel van toepassing in het geval van ontploffing.
Nochtans is het risico op verwondingen, door blootstelling aan chemische agentia van lekkende gasbommen (waarvan velen zich inderdaad in zeer slechte staat bevinden), zeer groot.
Terwijl het technisch concept van de ontmantelingsinstallatie eindelijk in de plooi valt, laat het « ereloon » voor de ontmijners (« de stille helden »), die de immense berg gifgas een acuut gevaar voor ontmijner en omwonenden moeten opruimen, nog steeds op zich wachten.
Graag had ik van de geachte minister een antwoord ontvangen op volgende vragen :
1. Volgt de geachte minister nog het verdere verloop van dit dossier ? Zo ja, kan de geachte minister mij de stand van zaken met betrekking tot dit dossier meedelen ?
2. Heeft de geachte minister reeds antwoord gekregen van de Raad van State op de voorlegging ter advies van het ontwerp, dat het instellen van een toelage voor ontmanteling van toxische munitie beoogt ? Zo ja, wat was het antwoord ? Zo niet, heeft de geachte minister reeds aangedrongen op een antwoord ?
3. Kan de geachte minister mij meedelen, wanneer de wijziging van artikel 57, § 2, van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, voorzien wordt ?
4. Denkt de geachte minister dit dossier vlug te kunnen afronden (midden mei wordt het proefdraaien opgestart) ? Welke stappen is de geachte minister van plan daarvoor te ondernemen ?
Antwoord : 1. Het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de Krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke aard, dat als doel heeft een toelage voor de ontmanteling van toxische munitie in te voeren, werd op 7 februari 1995 overgemaakt aan de minister van Ambtenarenzaken in het kader van de procedure voor administratieve en begrotingscontrole.
De minister van Openbaar Ambt heeft het op 22 mei 1995 overgemaakt aan de minister van Begroting. Op 20 december 1995 en op 6 december 1996 werd ter zake een herinneringsbrief gestuurd aan de minister van Begroting.
Ter gelegenheid van de begrotingscontrole 1998 werd voor verschillende dossiers, waaronder het dossier in kwestie, een bespoediging van de procedure gevraagd. Voor een vijftal dossiers werd ondertussen het gezamenlijk antwoord van de minister van Begroting en de minister van Openbaar Ambt ontvangen, doch niet voor het dossier inzake de toelage voor ontmanteling van toxische munitie. Betreffende dit dossier werden sindsdien op kabinetsniveau bijkomende gegevens uitgewisseld maar het antwoord van de minister van Begroting en van de minister van het Openbaar Ambt werd nog niet ontvangen.
2. Op 2 april 1998 werd door de Kamer van volksvertegenwoordigers het wetsontwerp houdende wijzigingen van de wetgeving betreffende de oorlogspensioenen en renten (document 1213/6) aangenomen. Het wetsontwerp werd overgemaakt aan de Senaat en werd niet geėvoceerd (document 1-941/2). Artikel 21 van dit wetsontwerp bepaalt dat in het artikel 57, § 2, van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, dat aan de leden van de ontmijningsdienst de vergoedingen toekent die berekend zijn volgens de barema's voorzien in oorlogstijd, de woorden « een ongeval te wijten aan de ontploffing van stoffen » vervangen worden door « een ongeval te wijten aan de ontploffing of de behandeling van stoffen ». Hierdoor is voortaan ook het risico van verwondingen door lekken van chemische stoffen gedekt.