1-211 | 1-211 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCES DU JEUDI 16 JUILLET 1998 |
VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 16 JULI 1998 |
De voorzitter . Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Hostekint.
Het woord is aan de heer Hostekint.
De heer Hostekint (SP). Mijnheer de voorzitter, met een reeks ontluisterende artikelen in de pers werd in het voorjaar een schrijnend beeld opgehangen van jonge buitenlandse voetballers die in ons land tevergeefs hun voetbalgeluk beproeven. In zijn derde jaarrapport over de evolutie en de resultaten van de bestrijding van de internationale mensenhandel, vestigde het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding eind maart de aandacht op de problematiek van de exploitatie van sportbeoefenaars van buiten de Europese Unie. De problematiek werd ondertussen ook uitvoerig besproken in een reeks hoorzittingen in de commissie voor Cultuur en Sport in het Vlaams Parlement. Die hoorzittingen werden afgerond met een voorstel van resolutie.
Naar aanleiding van een vergadering van de federale adviesraad voor buitenlandse arbeidskrachten formuleerde het centrum in januari van dit jaar al voorstellen om de bestaande misbruiken en vormen van mensenhandel met buitenlandse professionele sportbeoefenaars te voorkomen. Zo bepleit het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding een strenger toezicht op het verlenen van arbeidsvergunningen zowel vanwege de buitenlandse sportbeoefenaar, door middel van een vertaalde kopie van de arbeidsovereenkomst, als vanwege de overheid, door het inwinnen van bijkomende inlichtingen bij de clubs. Dit toezicht moet meer duidelijkheid verschaffen.
Met het centrum ben ik van mening dat de federale overheid zowel als de gewesten, gezien hun wettelijke bevoegdheden terzake, een bijzondere verantwoordelijkheid dragen in deze materie, maar anderzijds ben ik er toch van overtuigd dat de zwaarste verantwoordelijkheid bij de malafide makelaars en clubs ligt. Samen met collega Paula Sémer heb ik dan ook een wetsvoorstel ingediend om de aansprakelijkheid van de voetbalmakelaars en de voetbalclubs scherper te definiëren.
De minister van Tewerkstelling en Arbeid is bevoegd voor de regelgeving inzake de arbeidskaarten en -vergunningen en ik wil haar wijzen op enkele hiaten en knelpunten bij het afleveren van deze documenten door de gewesten. Deze knelpunten werden uitgebreid in het Vlaams Parlement besproken.
Volgens de afdeling Migratie en Arbeidsmarktbeleid van de Vlaamse administratie Werkgelegenheid ontbreekt het momenteel voor alles aan een wettelijke basis. Sinds 1 februari 1994 wordt de arbeidskaart niet langer toegekend volgens de modaliteiten van een dienstnota van de federale administratie Werkgelegenheid uit 1976, maar met toepassing van de wet van 24 februari 1978. Dit houdt in dat er zonder discussie een arbeidskaart wordt gegeven aan een vreemdeling op voorwaarde dat hij conform de wet van 24 februari 1978 bij de aanvraag een arbeidsovereenkomst voegt. Die wet voorziet onder meer in een gewaarborgd minimumloon en bepaalt dat een arbeidskaart kan worden uitgereikt zodra aan de voltijdse leerplicht is voldaan.
Zowel de Vlaamse minister van Tewerkstelling als de vertegenwoordigers van de migratiediensten van het Vlaamse, het Brusselse en het Waalse Gewest, dringen reeds sinds 1994 aan op het vastleggen van de wettelijke voorwaarden voor het uitreiken van arbeidskaarten en -vergunningen, maar ook de informatie aan de sportbonden blijft een knelpunt. Voorts is de minimumloonnorm voor de arbeidsovereenkomst van betaalde sportlui, zoals vastgelegd door het paritair comité voor de sport, aanleiding tot uiteenlopende interpretaties. Ten slotte zijn het reglement Tewerkstelling en het reglement Verblijf tegenstrijdig bij toepassing op minderjarige beroepssporters die weliswaar reeds voldeden aan de voltijdse leerplicht, maar tot hun achttien jaar deeltijds leerplichtig blijven. Daardoor heeft de federale minister van Werkgelegenheid geen bezwaar tegen het toekennen van een arbeidskaart aan werknemers met een conforme arbeidsovereenkomst, ook al gaat het om sportlui tussen zestien en achttien jaar, maar kunnen deze minderjarige sporters met toepassing van de verblijfswet slechts een verblijfsvergunning ontvangen als zij student zijn in het hoger onderwijs.
In dit verband had ik de minister van Tewerkstelling en Arbeid enkele vragen willen stellen.
Hoever staat het overleg in de Adviesraad voor Buitenlandse Arbeidskrachten die op 20 maart en 15 mei laatstleden bijeen kwam voor het herschrijven van de globale reglementering op het uitreiken van arbeidskaarten en -vergunningen ?
In welke mate worden de voorstellen die het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding ter bestrijding van de mensenhandel in de sport uitwerkte, door de adviesraad overgenomen en ingepast in de reglementering inzake tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten ?
In hoeverre houdt de adviesraad bij het uitwerken van een koninklijk besluit op het uitreiken van arbeidskaarten en -vergunningen rekening met de knelpunten die door de Vlaamse administratie Werkgelegenheid werden aangekaart ? Volgt het federaal ministerie met andere woorden het advies om een arbeidskaart slechts uit te reiken als het loon het dubbele bedraagt van het huidige minimumloon, arbeidskaarten slechts uit te reiken aan personen ouder dan 18 jaar en alle bepalingen strijdig met de wet van 24 februari 1978 nietig te verklaren ?
Welke timing is er voor het uitwerken van een coherente regelgeving voor het uitreiken van arbeidskaarten en -vergunningen ? Welke initiatieven mogen worden verwacht voor het nieuwe seizoen dat reeds over enkele weken van start gaat ?
De voorzitter . Het woord is aan minister Smet.
Mevrouw Smet, minister van Tewerkstelling en Arbeid, belast met het Beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Mijnheer de voorzitter, ik zal de vragen van de heer Hostekint een voor een beantwoorden en begin uiteraard met vraag één.
De besprekingen over de Adviesraad voor de Buitenlandse Arbeidskrachten werden op 30 juni 1998 afgerond. Op dat ogenblik heeft de raad aan de minister een officieel advies gegeven over een ontwerp van koninklijk besluit betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor buitenlandse werknemers. Dat is dus rond.
De tweede en derde vragen gingen over de voorstellen van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding. Deze voorstellen hebben grotendeels betrekking op bijkomende controle bij het samenstellen van het dossier door de gewesten met het oog op het uitreiken van een arbeidsvergunning of -kaart. Voor deze bijkomende controles is geen aanpassing van de reglementering noodzakelijk. Daarnaast werd na discussie in de adviesraad wel degelijk rekening gehouden met de door het Centrum en de administratie voorgestelde bijkomende voorwaarden, die de heer Hostekint trouwens opsomt. Het betreft de invoering van de minimumleeftijd van 18 jaar voor buitenlandse beroepssportlui en de bepaling dat hun bezoldiging ten minste het dubbele moet bedragen van het minimumloon, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars. Dit betekent dat beide elementen in het koninklijk besluit zijn opgenomen.
Het ontwerp van nieuwe kaderwet en van het koninklijk besluit ter uitvoering wordt morgen, 17 juli, op de Ministerraad behandeld. Ik hoop uiteraard dat het wordt goedgekeurd en daarna zal het advies van de Raad van State worden gevraagd met het oog op de indiening van het ontwerp in het Parlement na het zomerreces. Met het oog op de start van het nieuwe seizoen zal na goedkeuring van de ontwerpteksten door de Ministerraad een brief naar het BOIC worden gestuurd om de federaties te wijzen op de nieuwe reglementering die in voorbereiding is.
De voorzitter . Het woord is aan de heer Hostekint.
De heer Hostekint (SP). Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor haar duidelijk en volledig antwoord dat zeer bevredigend is. Collega Sémer en ikzelf hebben gisteren een initiatief genomen, maar eigenlijk hebben we er al een aantal maanden aan gewerkt, rekening houdend met wat er in het Vlaams Parlement is gebeurd.
Ik heb nog één belangrijke detailvraag. De minimumleeftijd om een arbeidsvergunning te krijgen is 18 jaar. Uit de praktijk blijkt echter dat de jonge spelers, die door makelaars die de Afrikaanse markt afschuimen worden aangetrokken, tussen 16 en 18 jaar oud zijn. In België is de voltijdse leerplicht tot 16 jaar, de deeltijdse tussen 16 en 18 jaar. Het is precies de deeltijdse leerplicht die wordt omzeild. De jonge voetballers worden vaak pro forma in een avondschool, een technische school of beroepsschool ingeschreven. Geldt inderdaad de leeftijd van 18 jaar of wordt er een uitzondering gemaakt wanneer ze deeltijds onderwijs volgen ?
De voorzitter . Het woord is aan minister Smet.
Mevrouw Smet, minister van Tewerkstelling en Arbeid, belast met het Beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Vele Afrikanen worden zeer jong naar hier gehaald. Als ze niet renderen worden ze meestal gedumpt. Voor zover het gaat om buitenlandse beroepssportlui geldt inderdaad de leeftijd van 18 jaar.
De voorzitter . Het incident is gesloten.
L'incident est clos.