1-203 | 1-203 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCES DU JEUDI 2 JUILLET 1998 |
VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 2 JULI 1998 |
De voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Loones.
Het woord is aan de heer Loones.
De heer Loones (VU). Mijnheer de voorzitter, in België worden elk jaar 240 nieuwe gevallen van kanker bij kinderen onder 16 jaar vastgesteld. In ons land sterft om de vier dagen een kind. De medische middelen zijn voorhanden om twee op drie van deze kinderen te redden, maar daarvoor zijn er geen financiële middelen.
De oudervereniging « Dag na dag » en de « Belgian Society for Paediatric Haematology and Oncology », de BSPHO, een vereniging van kinderartsen uit acht Belgische centra waar kinderen met kanker worden behandeld, klagen terecht het gebrek aan overheidshulp voor de zorgverlening aan deze kankerpatiëntjes aan. Volgens de kinderspecialisten van de BSPHO zijn de Belgische centra in vergelijking met het buitenland op elk niveau onderbemand. Er zou ook te weinig geld zijn voor de medische en psychologische ondersteuning en veel personeelsleden zouden uitsluitend via liefdadigheid worden betaald. Wij kennen de grote solidariteitsacties waaraan de regering zo graag haar steun verleent.
Het kan toch niet door de beugel dat deze kankerpatiëntjes voor verzorging afhangen van liefdadigheid of voor hun behandeling naar het buitenland moeten. Het is evenmin aanvaardbaar dat ouders zich voor de verzorging van hun getroffen kinderen zwaar in de schulden moeten steken doordat de behandelingskosten niet volledig worden terugbetaald.
Kan de minister akkoord gaan met de klachten van de oudervereniging « Dag na dag » en van de artsenvereniging « BSPHO » ?
Is de minister bereid de vereiste maatregelen te nemen om de zorgverlening voor deze kankerpatiëntjes minstens op te trekken tot het niveau van onze buurlanden ?
De pers meldt dat er nog voor het einde van deze maand een maatregel zou worden genomen. Over welke concrete maatregel gaat het hier ?
Is de minister bereid om onderhandelingen aan te knopen met zijn collega van Sociale Zaken over de volledige terugbetaling voor de verzorging van jeugdige kankerpatiëntjes ?
De voorzitter. Het woord is aan minister Colla.
De heer Colla, minister van Volksgezondheid en Pensioenen. Mijnheer de voorzitter, vorig jaar had ik de gelegenheid om enkele kankercentra voor kinderen te bezoeken. In ons land zijn er op het ogenblik acht gespecialiseerde centra, het ene al wat groter dan het andere.
Ik heb toen ook aangekondigd dat passende maatregelen zouden worden genomen. Het aantal kinderkankers groeit elk jaar aan met 200 nieuwe gevallen. Formeel gesproken bestaan de gespecialiseerde centra niet eens. De ziekenhuizen die over een dergelijk centrum beschikken, financieren die centra met wat ze op andere diensten uitsparen. Aangezien dat niet kan volstaan, ontplooit zich ook een vrij aanzienlijke caritatieve beweging op initiatief van de betrokken artsen, verpleegkundigen en ouders. Om geld in de lade te krijgen, moeten zij allerhande festiviteiten organiseren. Vorig jaar heb ik reeds beklemtoond dat deze situatie onaanvaardbaar is.
Bij de sociale onderhandelingen die plaatsvonden na de uitbarsting van de « witte woede » in de verzorgingssector, werd niet alleen over tewerkstelling gesproken, maar heeft de regering de sociale partners voorgesteld om aan deze centra een enveloppe van 100 miljoen ter beschikking te stellen. Een paar maanden geleden werd daartoe effectief beslist en kreeg de minister van Volksgezondheid de opdracht om een koninklijk besluit tot normering van de kankercentra voor kinderen uit te werken.
Die beslissing werd niet alleen genomen, ze werd ook publiek gemaakt. Het verwondert mij dan ook enigszins dat er vandaag wordt gesuggereerd dat er terzake nog niets werd verricht. Het koninklijk besluit met de normen is klaar voor overzending naar de Raad van State. Het besluit houdt onder andere in dat er een moratorium op de uitbouw van dergelijke centra wordt ingesteld; acht centra moeten ruim volstaan om kwalitatief hoogstaande zorgen te verstrekken. Het koninklijk besluit bepaalt niet alleen de financiering van het medisch en het verpleegkundig personeel, maar voorziet ook in de subsidiëring voor sociale en psychologische begeleiding van de getroffen kinderen, van hun broertjes, zusjes, ouders en naaste familieleden. Het is immers zo dat de periodes van opname en thuisverzorging voor dergelijke patiëntjes elkaar snel opvolgen.
Zodra de Raad van State een advies heeft uitgebracht, is die zaak rond. Het gedeelte van het koninklijk besluit met betrekking tot de financiering uit het RIZIV werd overigens ook reeds door mevrouw De Galan uitgewerkt. Ik bevestig dus uitdrukkelijk dat voor de kinderkankercentra de beslissingen zijn getroffen. Nu moet het koninklijk besluit na advies van de Raad van State nog in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd, maar de financiering is reeds vanaf dit jaar in de begroting ingeschreven.
Een ander probleem dat de ouders aankaarten, is dat van de supplementaire kosten, waaronder kosten die ouders moeten betalen indien zij in de centra of diensten waar hun kind wordt verzorgd, willen verblijven. Nogal wat kinderen moeten meer dan één keer worden opgenomen. Telkens moet dan een soort van « entrance fee » worden betaald. Ook vragen ouders een tegemoetkoming voor de medicatie. Dit laatste ressorteert onder de sector van de chronische patiënten. Over de twee andere punten, die niet-onaanzienlijke uitgaven meebrengen, is nog niets beslist, maar ik ben graag bereid daarover met mevrouw De Galan van gedachten te wisselen om na te gaan of er binnen de budgettaire mogelijkheden een oplossing kan worden gevonden.
De voorzitter. Het woord is aan de heer Loones voor een repliek.
De heer Loones (VU). Mijnheer de voorzitter, ik heb nog een klein vraagje. De betrokken geneesheren en specialisten moeten het dossier toch veel beter volgen dan wij. Hoe komt het dan dat zij, precies nu de minister zegt dat hij klaar is met een plan, met hun klachten naar buiten komen ? Het moet toch zijn dat zij onvoldoende betrokken worden bij wat er gebeurt.
De voorzitter. Het woord is aan minister Colla.
De heer Colla, minister van Volksgezondheid en Pensioenen. Mijnheer de voorzitter, ik heb soms ook vragen over de gevolgde procedures en over de informatie en desinformatie. Ik kan alleen bevestigen dat met de meeste van deze diensthoofden op mijn kabinet overleg is gepleegd. Natuurlijk vragen zij nog meer, maar ik was al tevreden met de enveloppe van 100 miljoen die de regering ons ter beschikking heeft gesteld. Het is immers de eerste keer dat er op dit terrein iets gebeurt. Voor zover ik weet, waren de centra en zeker de specialisten geïnformeerd en het is mij een raadsel waarom ze dit nu op die manier in de publiciteit brengen. Ze moeten weten dat het koninklijk besluit klaar is.
De voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.