1-174 | 1-174 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCES DU JEUDI 19 MARS 1998 |
VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 19 MAART 1998 |
De voorzitter. Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Hostekint aan de minister van Tewerkstelling en Arbeid en aan de minister van Sociale Zaken.
Het woord is aan de heer Hostekint.
De heer Hostekint (SP). Mijnheer de voorzitter, naar aanleiding van de nationale actie die volgende maandag in Brussel plaatsvindt, wil ik de minister meer duidelijkheid vragen over de problemen van de beschutte werkplaatsen.
De beschutte werkplaatsen ontstonden uit caritatieve initiatieven of uit de gezamenlijke bekommernis van ouders en plaatselijke besturen om de tewerkstelling van personen met een handicap te bevorderen. De wet van 28 april 1958 betreffende de scholing, de omscholing en de herscholing van personen met een fysieke of mentale handicap was het eerste wetgevende initiatief met maatregelen om die personen voor te bereiden op tewerkstelling en riep het begrip « beschutte werkplaatsen » in het leven. De wet van 16 april 1963 vertrouwde de professionele reclassering van gehandicapte personen toe aan het Rijksfonds voor Sociale Reclassering van Minder-Validen. Het uitvoeringsbesluit bevat drie bepalingen. De beschutte werkplaatsen zijn bedoeld voor personen die wegens de aard of de ernst van hun handicap voor een beperkte of onbeperkte periode niet onder gewone arbeidsomstandigheden kunnen werken. De minder-validen moeten nuttig en betaald werk kunnen verrichten, mogelijkheden tot professionele aanpassing en bevordering krijgen en in de mate van het mogelijke kunnen overstappen naar een reguliere betrekking. De minder-validen moeten in dienst worden genomen met een arbeidsovereenkomst.
De meeste beschutte werkplaatsen werden opgericht in de periode 1964 tot 1974. Vanaf de jaren 80 kwamen er nog maar weinig werkplaatsen bij.
Het sociaal nut van de beschutte werkplaatsen staat buiten kijf. Deze sector is veruit de grootste werkgever voor personen met een handicap. Het werknemersstatuut betekent voor de betrokkenen een belangrijke stap naar maatschappelijke integratie.
Beschutte werkplaatsen hebben ook een groot economisch nut. In 1993 droeg de sector aan de beschutte tewerkstelling 4,1 miljard frank bij aan het BNP. Voor de reguliere bedrijfswereld werden de beschutte werkplaatsen een betrouwbare handelspartner. Door de economische crisis en vooral door de vlucht naar de lage loonlanden kregen deze werkplaatsen het de jongste jaren steeds moeilijker. Het management evolueerde vaak niet mee met de tijd.
Mijn belangrijkste bekommering betreft echter het statuut van de minder-valide werknemer dat voor verbetering vatbaar is. Voor de minder-valide werknemer gelden nog steeds niet alle arbeidsvoorwaarden die in de huidige samenleving algemeen zijn aanvaard. Deeltijds werken is bijvoorbeeld voor hem niet mogelijk. Het gewaarborgd minimummaandinkomen was tot voor kort op hem niet van toepassing.
Sinds 1992 hebben de beschutte werkplaatsen hun eigen paritair comité, het paritair comité 327. Op de ronde-tafelconferentie van 29 april 1993 werd door de sociale partners en alle betrokken overheden een gemeenschappelijke verklaring ondertekend waarin onder meer staat dat, in toepassing van de CAO 43, in de beschutte werkplaatsen alle werknemers recht hebben op het gewaarborgd minimummaandinkomen dat daarin wordt omschreven als het loon voor gepresteerde arbeid en een mechanisme ter compensatie van het eventuele inkomensverlies. Teneinde de overheid te tijd te laten een beleid uit te stippelen, adviseerden de sociale partners de Nationale Arbeidsraad de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst 43 inzake het gewaarborgd minimummaandinkomen gedurende drie jaar uit te stellen. Dit betekende dat de bewuste CAO vanaf juli 1996 moest worden toegepast. Een niet-onbelangrijk detail is dat de term gewaarborgd minimummaandinkomen in de gemeenschappelijke verklaring niet eenduidig is omschreven.
De acties van de vakbonden en de minder-validen zelf leidden op 28 juni 1996 tot een CAO waarin werd overeengekomen om vanaf 1 januari 1997 af 80 % van het gewaarborgd minimummaandinkomen uit te betalen. Die verhoging tot 80 % wordt gefinancieerd door de lageloonmaatregelen van de federale overheid en een forfaitair subsidiesysteem van de Vlaamse regering. Tevens werd bepaald dat men in overleg met alle betrokken overheden ernaar moest streven om tegen 30 juni 1998 te komen tot een uitbetaling van 100 % van het gewaarborgd minimummaandinkomen. Dit betekent concreet dat alle werknemers in de beschutte werkplaatsen vanaf 1 juli aanstaande af een minimummaandinkomen van 43 343 frank moeten krijgen.
Er is op het ogenblik evenwel nog geen beslissing genomen over wat er concreet zal gebeuren op 1 juli. De vraag of de 80 % van het gewaarborgd minimummaandinkomen met loon dan wel met bijkomende vergoedingen zal worden aangevuld, blijft bestaan. De vakbonden vragen alvast dat deze vergoedingen in elk geval meetellen voor de berekening van de werkloosheidsuitkeringen, de ziekte-uitkeringen en de pensioenen. De werkgevers stellen van hun kant dat zij de bijkomende 20 % niet kunnen betalen, omdat dit zou leiden tot het afstoten van de zwakste werknemers, die dan een inkomensvervangende vergoeding zullen aanvragen, wat bijkomende kosten voor de overheid meebrengt.
Het is duidelijk dat de huidige loonclassificatie niet langer houdbaar is als de overheid beslist om 100 % van het gewaarborgd minimummaandinkomen te betalen. Momenteel zijn er vijf klassen gebaseerd op de handicap. Als men 100 % betaalt, zullen de eerste drie loonklassen in feite samenvallen. Aangezien de meeste werknemers zich in de eerste drie categorieën bevinden, heeft de huidige classificatie dan geen zin meer. Daarom zijn steeds meer mensen voorstander van een classificatie volgens de functie. Dit bevordert de integratie van de mindervaliden.
Er werd een interdepartementele werkgroep onder het voorzitterschap van de minister van Sociale Zaken opgericht om een oplossing te vinden voor dit probleem. Deze werkgroep heeft onder meer als opdracht om in samenwerking met de Kruispuntbank alle gegevens over de aanvullende uitkeringen aan de werknemers van de beschutte werkplaatsen samen te brengen teneinde het effect van de verhoging van hun loon op hun fiscale situatie te analyseren.
Naar verluidt schieten de werkzaamheden van deze werkgroep niet op; hij verzandt in nutteloze discussies tussen federale en gemeenschapsambtenaren over wie in het verleden heeft betaald en wie dat in de toekomst zal moeten doen. De echte problemen worden niet opgelost.
Om klaarheid en duidelijkheid te krijgen over de problemen in deze sector, die zoals reeds gezegd aanstaande maandag een nationale actie onderneemt, wil ik de minister de volgende vragen stellen.
Wat is de huidige stand van zaken in het paritair comité ? Is er al duidelijkheid over de mogelijke fiscale gevolgen van de invoering van de 100 % ? Hoe ver staat het met de werkzaamheden van de interdepartementele werkgroep die de verschillende inkomenscomponenten van de werknemers moet berekenen ? Houdt de werkgroep ook rekening met de mensen die progressief tewerkgesteld zijn ? Kiest de minister ervoor het gewaarborgd minimumloon als 100 % loon te betalen of opteert zij ervoor 20 % als bijkomende vergoedingen te betalen ? Indien deze bijkomende vergoedingen vrijgesteld zijn van RSZ, hoe zullen de uitkeringen van de sociale zekerheid dan worden berekend ?
De voorzitter. Het woord is aan minister De Galan.
Mevrouw De Galan, minister van Sociale Zaken. Mijnheer de voorzitter, de vier vragen van de heer Hostekint houden verband met elkaar. Ik zal hem dan ook een algemeen antwoord geven waarin wordt tegemoetgekomen aan al zijn bekommernissen.
De vakbondsorganisaties die lid zijn van paritair comité 327, hebben inderdaad beslist het lopende evaluatie- en overlegproces kracht bij te zetten door een reeks manifestaties. Die acties hebben natuurlijk te maken met het naderen van de datum van 30 juni 1998. Op dat ogenblik loopt immers CAO 43ter van 28 juni 1996 ten einde en wordt CAO 43 bijgevolg opnieuw van kracht. Het geachte lid weet ongetwijfeld dat CAO 43 de onmiddellijke invoering van het gewaarborgd minimummaandinkomen voor de werknemers van de sector oplegt; CAO 43ter wijkt hiervan af en bepaalt het bedrag van het minimuminkomen op 80 % voor de zwaarst gehandicapte werknemers.
De manifestaties van de vaksbondsorganisaties zijn geenszins gericht tegen de werkzaamheden van de interdepartementale werkgroep. Als bewijs hiervan hebben de leden van paritair comité 327 op mijn verzoek een voorstel van tekst goedgekeurd waarin een schema wordt vastgelegd voor de totale uitvoering van CAO 43.
Ik heb paritair comité 327 ook verzocht na te gaan welke categorieën van gehandicapte werknemers in aanmerking kunnen komen voor het gewaarborgd minimummaandinkomen. Dit zou hen kunnen worden uitgekeerd als 80 % loon en 20 % aanvullende vergoedingen. Ik heb het comité ook gevraagd na te gaan welk effect die maatregel zal hebben op de verworven rechten, de fiscaliteit, inzonderheid de personenbelasting, en de loondruk. Het comité is aan het werk gegaan en mijn medewerker die de interdepartementale werkgroep voorzit, zal ook actief deelnemen aan de verdere werkzaamheden.
De sfeer in het comité en de interdepartementale werkgroep en de kwaliteit van hun werk zijn uitstekend. Ze hebben de vaste wil tegen eind mei een volledig verslag over de hele problematiek van de beschutte werkplaatsen op te stellen. Op basis van de gegevens die ze tot nu toe verzameld heeft, is de interdepartementale werkgroep tot het besluit gekomen dat de laagste lonen kunnen worden opgetrokken tot 80 % van het minimumloon, zonder dat dit de huidige werkgelegenheid in het gedrang brengt. De budgettaire last van deze eerste loonsverhoging kan op een billijke manier tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten worden verdeeld. De werkgroep zet zijn evaluatie-activiteiten voort. Hij onderzoekt momenteel de gegevens van de Kruispuntbank.
De werkgroep onderzoekt ook hoe het arbeidsinkomen van alle gehandicapte werknemers kan worden opgetrokken tot 100 % van het interprofessioneel minimumloon, waarvan 80 % als loon zou worden betaald. Er zijn twee opties mogelijk. Ofwel kunnen de bestaande sociale uitkeringen die reeds met een loon worden gecumuleerd, meer bepaald de invaliditeitsuitkeringen en de inkomensvervangende tegemoetkomingen, worden geactiveerd. Ofwel zou er een aanvullend inkomen kunnen worden uitgekeerd. Hiervoor moet wel het mechanisme van één of meer bestaande uitkeringen worden gewijzigd. De werkgroep heeft het meer specifiek over de wijziging van de huidige wetgeving over de inkomensvervangende tegemoetkomingen. De betrokken diensten zijn reeds begonnen met een onderzoek naar de haalbaarheid van deze opties. De interdepartementale werkgroep zal binnenkort over de technische en budgettaire simulaties kunnen beschikken.
Ik onderzoek ook nog de haalbaarheid van een derde mogelijkheid, die geen enkele bijkomende budgettaire last inhoudt die uitgaat van het op elkaar afstemmen van het loonpeil en de arbeidsduur en die rekening houdt met de specifieke situatie van de gehandicapte werknemers. Voor de gehandicapte werknemers van wie het arbeidsinkomen thans 80 % van het interprofessioneel loon bedraagt, zou er een sectoriële CAO kunnen worden gesloten die bepaalt dat dat inkomen geldt voor een voltijdse betrekking van 32 uur per week.
Met al deze opties trachten we te voorkomen dat van het bruto-inkomen, dat wordt opgetrokken tot 100 % van het minimumloon, in de praktijk maar 80 % als nettoloon zou overblijven. Op de voormelde tegemoetkomingen wordt immers geen personenbelasting geheven en het is de bedoeling dit voordeel te behouden.
Volledigheidshalve stip ik nog aan dat de interdepartementale werkgroep zich ook zal buigen over het probleem van de tewerkstellingsquota voor gehandicapte personen in de privé-sector en over het juridische statuut van de beschutte werkplaatsen in het vooruitzicht van een algemeen verwachte evolutie naar een economie waar meer plaats is voor sociale integratie.
Bij het zoeken naar oplossingen werd aandacht besteed aan een evenwichtige verdeling van de eventuele nieuwe budgettaire lasten, aan het behoud van de werkgelegenheid in de beschutte werkplaatsen en van hun economische rol, maar ook aan het vereenvoudigen van de hulp- en controlemogelijkheden om de maatschappelijke integratie van de gehandicapten door arbeid te bevorderen en om de kwaliteit van hun leven te verbeteren.
Tot slot voeg ik een copie van een brief van de voorzitter van de interdepartementale werkgroep van paritair comité 327 bij mijn antwoord. De inhoud van deze brief is niet voor het grote publiek bestemd, maar werd wel goedgekeurd door alle leden van het paritair comité. Maandag aanstaande ontvang ik de vertegenwoordigers van de werknemers op mijn kabinet. Ik zal ze op de hoogte brengen van de jongste vorderingen. Vooralsnog zijn ze vrij tevreden over het verloop van de discussies. Ik sta erop dat de gehandicapte werknemers hun positie in onze maatschappij kunnen bestendigen en zo mogelijk verbeteren.
De voorzitter. Het woord is aan de heer Hostekint.
De heer Hostekint (SP). Mijnheer de voorzitter, CAO 43 zal, zoals drie jaar geleden beloofd, op 1 juni 1998 kracht van wet hebben. Er zal nog alleen een onderscheid worden gemaakt tussen zeer zwaar gehandicapten en gehandicapten die tot bepaalde arbeidsprestaties in staat zijn.
De heer Verhofstadt, ondervoorzitter,
treedt op als voorzitter
Uit het antwoord van de minister heb ik menen te begrijpen dat de gehandicapte werknemers 100 % van het minimummaandinkomen, ongeveer 43 300 frank, zullen ontvangen, waarvan 80 % als loon. De vraag blijft dus of de bijkomende 20 % ook zal worden beschouwd als loon, waarop sociale zekerheidsbijdragen zullen worden afgehouden. Als dat het geval is, dan dienen die 20 % ook in rekening te worden gebracht voor de berekening van de werkloosheidsuitkeringen, de ziekte-uitkeringen en de pensioenen. Of zal die 20 % worden beschouwd als een tegemoetkoming ? Dat is de grote bezorgdheid van de vakbonden. Kan de minister dit kort verduidelijken ?
In de beschutte werkplaatsen werken mindervaliden die niet in het normale arbeidsproces kunnen worden ingeschakeld, maar er zijn er ook heel wat die zeer goed in een gewoon bedrijf kunnen meedraaien. Meer en meer bedrijven, zoals Siemens in West-Vlaanderen, besteden trouwens werk uit aan een beschutte werkplaats in de plaats van bijkomende arbeidskrachten aan te werven. Indien mindervaliden in staat zijn tot nagenoeg gewone prestaties, hebben ze ook recht op een gewoon loon, zoals iedereen die in een onderneming werkt.
De voorzitter. Het woord is aan minister De Galan.
Mevrouw De Galan, minister van Sociale Zaken. Mijnheer de voorzitter, deze hele zaak is nog niet afgerond. De heer Hostekint onderstreept terecht dat sommige mindervaliden in « normale bedrijven » zouden kunnen worden tewerkgesteld, maar ook dat in een aantal beschutte werkplaatsen voor sommige mindervaliden geen plaats meer is, omdat er een te hoog werkritme geldt. We worden dus met deze twee problemen geconfronteerd. De optie om werknemers in beschutte werkplaatsen te beschouwen als voltijdse werknemers en hen een loon te geven dat overeenkomt met een 32-urenweek, zonder dat de betrokkene door de belastingen verlies lijdt, is voor de zwaksten zeer interessant. We zullen de voorstellen de komende maanden verder uitwerken. Ik volg dit dossier al sinds ik deel uitmaak van de Nationale Arbeidsraad en sinds paritair comité 327 in het leven werd geroepen. Voordien bestond enkel Groep 12, opgericht door André Marron, de vader van de wet van 1964 op de beschutte werkplaatsen. Ik volg dit dossier dus met zeer veel aandacht en zal de heer Hostekint verder op de hoogte houden.
De voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.