1-161

1-161

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 29 JANVIER 1998

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 29 JANUARI 1998

(Vervolg-Suite)

WETSONTWERP TOT VASTSTELLING VAN HET ORGANIEK STATUUT VAN DE NATIONALE BANK VAN BELGIË (EVOCATIE)

Algemene bespreking

Verzoek om advies van de Raad van State

PROJET DE LOI FIXANT LE STATUT ORGANIQUE DE LA BANQUE NATIONALE DE BELGIQUE (ÉVOCATION)

Discussion générale

Demande d'avis au Conseil d'État

De voorzitter. ­ We vatten de bespreking aan van het wetsontwerp.

Nous abordons l'examen du projet de loi.

Overeenkomstig het reglement geldt de door de commissie aangenomen tekst als basis voor de bespreking. (Zie document nr. 1-707/4 van de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden van de Senaat. Zitting 1997-1998.)

Conformément à notre règlement, le texte adopté par la commission servira de base à notre discussion. (Voir document nº 1-707/4 de la commission des Finances et des Affaires économiques du Sénat. Session 1997-1998.)

De algemene bespreking is geopend.

La discussion générale est ouverte.

Het woord is aan de rapporteur.

De heer Weyts (CVP), rapporteur. ­ Mijnheer de voorzitter, het wetsontwerp creërt een organiek statuut voor de Nationale Bank van België, zodat ze kan intreden in het Europees stelsel van centrale banken, en past de organen van de bank aan de eisen van de moderne financiële wereld. De Senaat heeft deze tekst geëvoceerd omdat hij een belangrijke peiler is voor de constructie van de Europese eenheidsmunt. Het lag in de bedoeling de behandeling van de tekst te beëindigen vóór de jaarwende, maar doordat de verduidelijkingen die de gouverneur van de Nationale Bank had beloofd, uitbleven, moest de onderzoekstermijn zelfs worden verlengd.

Uiteindelijk raakte alles uitgeklaard en werd er grondig werk geleverd, zoals blijkt uit de uitgebreide documentatie bij het verslag. De gouverneur van de Nationale Bank was zelfs verwonderd dat de Senaat juridische angels die overal elders ongemerkt waren gebleven wist weg te werken. Ik wil dan ook deze gelegenheid te baat nemen om de secretarissen van de commissie en de diensten van de Senaat te danken voor de nauwgezette en bekwame ondersteuning aan mijn werk.

Ten laatste op 25 maart 1998 moeten de instellingen van de lidstaten van de Europese Unie die tot de eenheidsmunt wensen toe te treden, voldoen aan de convergentiecriteria. De Europese Commissie en het Europees Monetair Instituut zullen dan een convergentieverslag opstellen, dat samen met het verslag over de economische convergentiecriteria, de zogenaamde Maastrichtnormen, als leidraad voor de deliberatie van begin mei 1998 zal dienen.

Artikel 107 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap legt een functionele, institutionele, persoonlijke en financiële onafhankelijkheid op aan de nationale banken. Reeds in 1993 werden een aantal bepalingen inzake de onafhankelijkheid van de Nationale Bank gewijzigd om de integratie te bespoedigen. Deze evolutie kent vandaag haar eindpunt.

Dankzij de bepalingen van het wetsontwerp zal onze Nationale Bank zonder problemen in het Europees stelsel van centrale banken kunnen stappen. Het advies van het Europees Monetair Instituut over deze tekst was onverdeeld gunstig.

Het nieuwe statuut maakt op een gestructureerde manier een onderscheid tussen de taken en de verrichtingen die van het Europees stelsel van de centrale banken afhangen, en de verrichtingen die er niet van afhangen. Het tekent tevens het organogram van de Nationale Bank van België uit. De overgangsbepalingen stellen een hele reeks oude regels buiten werking op het ogenblik dat de Europese Centrale Bank in werking treedt. Het gaat om regels die incompatibel zijn met de overheveling van het knooppunt van de centrale bank naar het Europese niveau.

In verband met het emissierecht van de Nationale Bank kwamen er enkele onduidelijkheden aan het licht. Voor de uitgifte van biljetten zal de Europese Centrale Bank, waarvan de Nationale Bank een deel is, instaan. De uitgifte van muntstukken gebeurt door het ministerie van Financiën, zoals ook nu het geval is. De Nationale Bank behoudt dus haar emissierecht, maar zal dat na de oprichting van het Europees stelsel van centrale banken enkel kunnen uitoefenen met een machtiging van de Europese Centrale Bank, waarbinnen alle centrale banken bindende afspraken aangaan. Boekhoudkundig komen de bankbiljetten op het passief van de balans van de nationale centrale banken. Een brief van de voorzitter van het Europees Monetair Fonds over deze materie werd trouwens als bijlage bij het verslag gevoegd.

Sommigen stelden bovendien vragen over het onrechtmatig koersverloop van de aandelen van de Nationale Bank van België in de afgelopen 24 maanden en de berichtgeving daarover in de media. De vice-eerste minister verduidelijkte dat speculatie of het opdrijven van de aandelenkoersen geenszins een doelstelling van het monetair beleid is. Het afkopen van privé-aandeelhouders of de toepassing van een antieke opheffingsbepaling uit de statuten van de Nationale Bank, die zou leiden tot een verdeling van het reservefonds, werd nooit overwogen.

De Belgisch-Luxemburgse Economische Unie zal er onvermijdelijk anders uitzien na de invoering van de Europese eenheidsmunt. Deze unie is overigens een monetaire associatie die de werkbaarheid van de EMU aantoont. Het gaat immers om twee landen met een totaal verschillende budgettaire situatie. Aangezien er geen Luxemburgse nationale bank bestaat, zullen de ambtenaren van de Luxemburgse succursale van de Nationale Bank van België bij de oprichting van de ECB naar een nieuwe instelling overgaan. Hierover hebben de betrokken personeelsleden en de overheid in de beste verstandhouding met elkaar onderhandeld.

Verder werden er vragen gesteld over de toename van het aantal leden van de directieraad, ook al zal de oprichting van de ECB een vermindering van activiteiten en verantwoordelijkheden meebrengen. De ECB-taken zullen echter maar 48 % van het geheel van de taken van de Nationale Bank uitmaken, terwijl haar in de loop der jaren vele andere opdrachten werden toevertrouwd. Ter verduidelijking werd als bijlage bij het verslag een tabel gevoegd met de vergelijking van het aantal personeelsleden en taken van de andere Europese emissiebanken.

Tijdens de commissiebespreking werd geopperd het bedrijfseconomisch toezicht op banken en financiële instellingen te onttrekken aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen en in handen te geven van de centrale bank, zoals dat in de meeste Europese landen het geval is. De regering denkt niet aan een wijziging in die zin, hoewel er wel een ander ontwerp op stapel staat om het Herdisconterings- en Waarborginstituut aan de Nationale Bank over te dragen.

Voor sommigen was het eveneens onduidelijk waarom nu ook op het directieniveau een taalpariteit wordt ingesteld. In de jaren 80 werd het instellen van een taalpariteit op de twee hoogste niveaus onder het directieniveau verantwoord met het argument dat er op directieniveau geen taalpariteit was. Ze vroegen dan ook waarom de regering niet het hele taalkader herziet. Tegen deze « minderheidsmening » werd aangevoerd dat het taalkader enkel voor de centrale administratie geldt, terwijl de plaatselijke agentschappen een vierde van het personeel tewerkstellen. Bovendien is het vaststellen van de taalpariteit op directieniveau enkel de bestendiging van de huidige situatie.

Tijdens de bespreking werden meerdere amendementen ingediend gaande van taalkundige wijzigingen tot het voorstel om strikter de Europese richttekst te volgen. De commissie verwierp alle amendementen.

Naar aanleiding van een recente studie waaruit bleek dat het in de financiële wereld droevig gesteld is met het evenwicht tussen de geslachten, werd voorgesteld een bepaling in het ontwerp op te nemen om dit evenwicht in de directieraden te waarborgen. Hiervan werd echter afgestapt omwille van praktische bezwaren, maar de vice-eerste minister verklaarde wel dat hij welwilllend stond tegenover het rechttrekken van dergelijke schreeftrekkingen.

De amendementen die ingingen op de geopperde bezwaren inzake het aantal directeurs en de amendementen inzake de taalkaders werden verworpen.

Het geheel van het wetsontwerp werd aangenomen met acht stemmen tegen vier. Het verslag werd door zeven leden goedgekeurd. Twee leden onthielden zich bij de stemming. Ze laakten de gouverneur van de Nationale Bank voor het laattijdig verstrekken van informatie, waardoor er voor de Senaat maar een korte termijn overbleef om het ontwerp te bespreken. (Applaus.)

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Coene.

De heer Coene (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, ik dank de rapporteur voor het uitstekende verslag dat hij toch in moeilijke omstandigheden moest maken. Sommige commissieleden hebben zich trouwens bij de stemming over het verslag onthouden omdat het op dat ogenblik moeilijk was er een grondig inzicht in te krijgen.

Het wetsontwerp tot aanpassing van het organiek statuut van de Nationale Bank bevat enkele aanpassingen die nodig waren met het oog op de Economische en Monetaire Unie, die binnenkort van kracht wordt. De Raad van State formuleerde nogal wat legistieke bezwaren en zegde dat sommige bepalingen voor verbetering vatbaar waren. We vinden het dan ook betreurenswaardig dat de vice-eerste minister die verbeteringen wegens de spoedeisende omstandigheden niet in overweging wilde nemen. Hij aarzelde evenwel niet in het wetsontwerp een aantal bepalingen op te nemen die helemaal niets te maken hebben met de vereisten van de Economische en Monetaire Unie. Dit is nogal merkwaardig. De minister zegt dat het ontwerp hoogdringend is, maar hij voegt er bezwarende elementen aan toe die alleen tot discussie kunnen leiden en de hoogdringendheid in gevaar kunnen brengen. Misschien was het de bedoeling van de minister de politieke hete hangijzers op een gemakkelijke manier door het Parlement te loodsen.

Ik wil nu een aantal fundamentele opmerkingen formuleren. Enkele bepalingen die worden overgenomen uit het protocol bij het Verdrag van Maastricht, zijn anders geformuleerd. De uitleg die de vertegenwoordigers van de Nationale Bank en de vice-eerste minister hierover gaven, was allesbehalve overtuigend. Vaak gaat het om maar enkele woorden die afwijken van de tekst van het protocol. We vragen ons toch af of die afwijkende formulering op termijn niet tot moeilijkheden zal leiden.

Het probleem inzake het emissierecht werd dankzij de brief van de voorzitter van het Europees Monetair Instituut, de heer Duisenberg, opgelost. Uit dit schrijven bleek duidelijk op welke manier de samenhang tussen het emissierecht van de nationale centrale banken en de Europese Centrale Bank moet worden beschouwd.

Het ontwerp regelt een aantal aspecten waarvan men zich kan afvragen of ze wel in dit ontwerp moeten worden behandeld. Bovendien heb ik vragen over de inhoud zelf ervan.

Ik zal mij tot drie aspecten beperken, aangezien we hier niet de hele discussie van de commissie kunnen overdoen.

Met het ontwerp krijgt de Nationale Bank een bijna onbeperkte mogelijkheid om aanvullende activiteiten op zich te nemen, onder meer door ze in haar filialen te laten uitvoeren. Ze krijgt als het ware een blanco cheque. De vraag is of een nationale bank, die nog een heleboel andere taken op zich neemt, nog in staat is een onafhankelijk monetair beleid te voeren zonder in conflict te komen met de belangen van de andere activiteiten die ze via haar filialen uitoefent. De tabel in de bijlage bij het verslag toont aan dat de Belgische Nationale Bank veel meer aanvullende activiteiten heeft dan de centrale banken van de andere kleinere Europese landen. Die beperken zich meestal tot de essentiële taken voor het monetaire beleid en oefenen, buiten enkele statistische activiteiten, nog bitter weinig andere opdrachten uit. In België is dat precies het omgekeerde. Meer dan de helft van de personeelsleden van de Nationale Bank is bezig met taken die niets meer met een nationale bank te maken hebben. Hoe kan de directie van zo'n instelling nog een onafhankelijk monetair beleid voeren ? Het ontwerp stelt ons wat dit betreft in het geheel niet gerust. De huidige toestand zal in de toekomst ongetwijfeld problemen meebrengen.

De wet bepaalt thans dat er naast de gouverneur vier tot zes directieleden mogen zijn. Op het ogenblik zijn er vijf. Het ontwerp stelt voor om dat aantal op te trekken naar vijf à zeven. Is dit verantwoord, nu de Nationale Bank een deel van haar opdrachten inzake het monetaire beleid verliest ? De regering verantwoordt haar beslissing met twee argumenten.

Ten eerste zijn er de talrijke aanvullende activiteiten van de bank en ten tweede biedt de nieuwe regeling meer soepelheid.

Ik zal aantonen dat beide argumenten naast de kwestie zijn.

De tweede tabel in de bijlage bij het verslag geeft een overzicht van het aantal personeelsleden, leden van bestuursorganen en directieleden en ook van het aantal personeelsleden per directielid. De Nationale Bank scoort hoog voor dit laatste punt en komt zo naar voor als een zeer efficiënte en productieve instelling.

Die statistiek geeft echter een enorm vertekend beeld van de situatie. Iets meer dan de helft van de personeelsleden houdt zich immers bezig met activiteiten zoals de risicocentrale en de consumentenkredietcentrale. Dat zijn zeer arbeidsintensieve activiteiten, die echter geen directie nodig hebben, aangezien het hier gaat om een zuivere toepassing van de wetgeving en er geen beleidsbeslissingen moeten worden genomen. Als men van de 2 873 personeelsleden die er aftrekt die met andere activiteiten bezig zijn, dan komt men tot 1 370 personeelsleden die zich met centrale taken bezighouden. Dat is dus 228 effectieven per directielid, wat al aan de lage kant is vergeleken met andere centrale banken van kleine landen.

Volgens het ontwerp kunnen er voortaan acht directieleden worden benoemd, de gouverneur inbegrepen, en dan komt men aan 170 personeelsleden per directielid. Dat is het laagste aantal van alle centrale banken. Dit illustreert dat het hier helemaal niet gaat om de noodzaak aan bijkomende directieleden, maar wel om een zuiver politieke aangelegenheid. Men wil voor bepaalde vrienden blijkbaar plaatsjes bijcreëren.

In de commissie kwam de vice-eerste minister aandraven met het argument dat de integratie van het Herdisconterings- en Waarborgsinstituut bijkomende taken zal opleggen. Het gaat over 60 bijkomende personeelsleden, wat geen bijkomende directieleden verantwoordt. Dit is dus een argument naast de kwestie.

Het tweede argument dat was dat van een grotere soepelheid. Door de nieuwe vereisten die het ontwerp inzake het taalevenwicht op het directieniveau oplegt, zou er meer speelruimte nodig zijn. Ik zie niet goed in waarom vier tot zes directieleden minder speelruimte laten dan vijf tot zeven. Dit is dus ook geen valabel argument.

We komen tot de conclusie dat hier de oude politieke cultuur aan bod komt. In de media werd genoeg gealludeerd op de politieke vrienden waarvoor nieuwe plaatsen moeten worden gecreëerd. Dit staat haaks op de nood aan een efficiënt bestuur in publieke instellingen. We betreuren dat de meerderheid hierin meespeelt en dit heeft goedgekeurd in de commissie. De vice-eerste minister heeft deze maatregel bovendien opgenomen in een dringend ontwerp om elke discussie te kortwieken.

Een laatste probleem dat ik wil aanbrengen, is dat van de leeftijdsgrens. Deze wordt in artikel 27 op 67 jaar vastgesteld, maar het tweede en derde lid van dat artikel verschuift die leeftijdsgrens al naar 70 jaar. Dit zorgt voor een grotere afhankelijkheid van de gouverneur en de directieleden tegenover de minister van Financiën. Het is een wapen in de hand van de minister om de mandaten van te onafhankelijke leden de laatste drie jaar niet te verlengen. Ik betreur dit omdat dit ontwerp juist een grotere onafhankelijkheid moest verzekeren.

M. Maystadt, vice-Premier ministre et ministre des Finances et du Commerce extérieur. ­ Si cette disposition portait atteinte à l'indépendance de la banque, il est évident que l'Institut monétaire européen l'aurait fait remarquer. Ce projet lui a été soumis et je peux vous affirmer qu'il l'a examiné attentivement. Son appréciation portait essentiellement sur la question de savoir si ces dispositions garantissaient l'indépendance de la banque centrale et il a remis à ce sujet un avis en tous points favorables.

De heer Coene (VLD). ­ Ik weet niet hoe dit anders kan worden uitgelegd dan dat hier een zekere afhankelijkheid ten opzichte van de minister van Financiën wordt gecreëerd.

M. Maystadt, vice-Premier ministre et ministre des Finances et du Commerce extérieur. ­ C'est une disposition classique qui permet une prolongation au-delà de l'âge normal de la retraite lorsque l'on estime qu'il y va de l'intérêt de l'institution. Ce n'est évidemment pas l'institution elle-même qui peut l'accorder à ses propres membres mais quelqu'un qui lui est extérieur et je ne vois pas qui d'autre que le ministre des Finances serait plus indiqué pour proposer une telle prolongation. Cette disposition classique se retrouve dans les statuts des autres banques centrales. Et je répète que l'Institut monétaire européen, qui a examiné ce projet, avait pour objectif principal de déceler toute atteinte à l'indépendance de la banque centrale. Or, il n'a pas fait la moindre observation à ce sujet.

De heer Coene (VLD). ­ Het is best mogelijk dat het Europees Monetair Instituut geen opmerkingen heeft gemaakt, maar dat betekent geenszins dat de bepaling as such zuiver is van elke dwang van de minister van Financiën ten aanzien van de directieleden, al kunnen nog andere overwegingen een rol hebben gespeeld.

We zijn in ieder geval nog niet overtuigd en hebben een amendement ingediend. We vragen ook het advies van de Raad van State over dat amendement. Ik zal de lijst overhandigen van 25 handtekeningen van collega's die om dit advies verzoeken.

De vice-eerste minister beroept zich op het dringend karakter, maar alleen hij is verantwoordelijk voor de vertraging die nu zal ontstaan. Hij heeft ervoor gezorgd dat in dit ontwerp, naast de bepalingen vereist door de Europese Monetaire Unie, ook andere bepalingen worden opgenomen die hiermee niets te maken hebben, zoals het aantal directieleden, de leeftijdsgrens, enzovoort.

In de commissie is gebleken dat de vice-eerste minister niet bereid is hierover een dialoog aan te gaan en dat hij evenmin bereid is een amendement te aanvaarden, gelet op het dringend karakter van dit ontwerp. Het enige instrument dat de oppositie in het Parlement dan overblijft, is het verzamelen van het nodige aantal handtekeningen om het advies van de Raad van State te vragen. Concreet betekent dit dat alle termijnen zullen worden geschorst en dat het ontwerp in de Senaat geblokkeerd blijft. We zullen daar dan nu ook niet meer verder op ingaan. (Applaus.)

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Verreycken.

De heer Verreycken (Vl. Bl.). ­ Mijnheer de voorzitter, mijn eerste opmerking is van politieke aard. Na lezing van het verslag kan ik alleen maar concluderen dat we nog altijd liever de Europese eenheidsbrij « omarmen » dan toe te geven aan de federalisering die in de Grondwet werd vastgelegd en bijvoorbeeld ook de laatste unitaire restanten onder de loep te nemen en te kijken of een federalisering geen efficiëntere werking mogelijk kan maken.

In de tweede plaats verbaas ik mij over de nieuwe knieval voor de Maastrichtnormen. We buigen voor de Europese Monetaire Unie ofschoon het duidelijk is dat onze overheidsschuld veel te hoog is opdat we in aanmerking zouden komen voor toetreding tot de EMU. Er zullen echter wel kunstgrepen worden toegepast waardoor België uitzonderlijk toch kan toetreden.

Tevens heb ik enkele technische opmerkingen. Het directiecomité, dat vroeger vier tot zes leden mocht tellen, mag er volgens het wetsontwerp vijf tot zeven tellen, met een gouverneur. In totaal gaat het dus om vijf tot acht leden. In zijn maximale samenstelling zal het comité dus dubbel zoveel leden tellen als in haar vroegere minimale samenstelling. Dit is des te eigenaardiger omdat alle criteria erop wijzen dat het aantal directieleden in de andere centrale banken van de landen die willen toetreden, vermindert. De vaststelling dat het aantal specifieke banktaken afneemt, is een argument te meer om de nood aan uitbreiding van het aantal directieleden in twijfel te trekken. Ik kan enkel vermoeden dat er politieke vrienden van de vice-eerste minister zonder werk zitten en dat er dringend een lid van de PSC in het directiecomité moet worden opgenomen. Dit vermoeden wordt gesterkt door uitlatingen van de vorige spreker en door verklaringen van de vice-eerste minister in de commissie. Dit is eigenaardig omdat de PSC in absolute cijfers kleiner is dan het Vlaams Blok.

Ik ga er dan ook vanuit dat de vice-eerste minister er alles zal voor doen om het directiecomité van acht naar twaalf leden uit te breiden. Zo kunnen er twee vertegenwoordigers van het Vlaams Blok worden opgenomen, maar zelfs indien dit het geval zou zijn, zal ik tegenstemmen. Ik kan immers niet accepteren dat de belastingbetaler voor dergelijke politieke manoeuvres moet opdraaien.

Ik zou evenmin de amendementen, strekkend tot een gewaarborgde vertegenwoordiging van vrouwen in het directiecomité, die in de commissie werden ingediend, goedkeuren wanneer ze opnieuw in de plenaire vergadering zouden worden ingediend. Voor de vier tot zes directieleden mag immers alleen de bekwaamheid een criterium zijn. Het geslacht en de politieke voorkeur mogen geen rol spelen.

Wat de taalkaders betreft, was er vroeger pariteit op de niveaus 1 en 2. Nu wordt de pariteit naar het niveau van het directiecomité doorgetrokken en daarom moet het aantal leden worden verhoogd. Nochtans geeft een paritaire samenstelling geen juist beeld van de reële situatie. Integendeel, alle reële verhoudingen worden daarbij genegeerd. Aangezien in dit land twee derde van de bevolking Vlaming is, ga ik er ook vanuit dat twee derde van de geldverrichtingen door Vlamingen wordt gedaan. In de taalkaders moet hiermee rekening worden gehouden. Pariteit is hier dus uit den boze.

Ik vraag mij af waarom dit wetsontwerp niet mag worden gewijzigd. Met verontwaardiging vraag ik mij af waarom in de Senaat niet wordt geprotesteerd tegen de uitlating van de vice-eerste minister die we lezen op pagina 28 van het verslag. Ik citeer : « Tot slot herhaalt de minister dat de regering geen amendementen kan aanvaarden op dit wetsontwerp. » Wat is dan nog onze rol ? Wat is dan de rol van de commissies ?

De vice-eerste minister heeft het hier inderdaad alleen over de Senaat, want in de Kamer werden er wel degelijk amendementen aangenomen. Hij maakt dit duidelijk zoals we lezen op pagina 35 van het verslag : « ... verklaart de minister dat de regering niet wenst dat de Senaat amendementen goedkeurt. » Alle loftuigingen die in de media verschenen over het belangrijke juridische werk van de senatoren en over het ontdekken van anomalieën in sommige wetsontwerpen hebben dus geen enkele waarde.

Voor dergelijke oekazen bedank ik nadrukkelijk. De tekst van het ontwerp is duidelijk. Dit ontwerp straalt de machtsarrogantie van de regering uit. Niemand mag hier een woord zeggen. Hier mag geen enkel amendement worden goedgekeurd. Enerzijds kan de Senaat deze machtsarrogantie bij de stemming afwijzen en aantonen dat de wetgevende macht bij het Parlement ligt. Indien we van oordeel zijn dat er amendementen moeten worden ingediend, kan niemand ons hiervan weerhouden. Anderzijds kan de Senaat echter ook plat op de buik gaan voor de oekazen van de vice-eerste minister. Het lot ligt in onze handen.

Het Vlaams Blok heeft alvast de nodige conclusies getrokken en zal tegen dit ontwerp stemmen wegens de machtsarrogantie die de vice-eerste minister tijdens de besprekingen heeft tentoongespreid. (Applaus.)

De voorzitter . ­ Het woord is aan de heer Loones.

De heer Loones (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, de Volksunie kan dit ontwerp niet goedkeuren om verschillende redenen, waarvan ik er enkele zal aanhalen.

In de eerste plaats wil ik erop wijzen dat er geen rekening werd gehouden met de zeer waardevolle lijst van opmerkingen die door de diensten werden geformuleerd en die zowel betrekking hebben op inhoudelijke aspecten als op aspecten die de vorm en de taal betreffen.

De rapporteur heeft gesproken over het bijzonder spitsvondige werk van de Senaat. Het is dan ook betreurenswaardig dat we een ongewijzigde tekst zouden aannemen, zelfs al is dit te wijten aan de ministeriële oekaze. Het advies van de diensten dateert van 17 juli 1997. We beschikken dus ruimschoots over de tijd om een aantal zaken recht te zetten.

Deze wet vloeit voort uit het Verdrag van Maastricht, dat niet door de Volksunie werd goedgekeurd wegens het immanent dreigend democratisch deficit. De goedkeuring van het onderhavige wetsontwerp impliceert een machtsoverdracht aan een instelling waarover we geen controle zullen kunnen uitoefenen.

Mits een ruimer en beter gecoördineerd overleg tussen de Beneluxlanden hadden we de belangen van de kleinere landen beter kunnen verdedigen.

Voorts wijs ik op de koehandel rond de gepolitiseerd verdeelde mandaten. In dit geval geldt de regel dat er meer mandaten zijn naargelang het aantal taken vermindert. Tegen deze Belgische logica kon zelfs de CVP niet op. De kamercommissie had aanvankelijk een amendement goedgekeurd dat ertoe strekte het aantal mandaten te verminderen. Hierop diende de vice-eerste minister in de plenaire vergadering een amendement in teneinde het effect van het in de Kamer goedgekeurde amendement teniet te doen.

De Volksunie is het uiteraard eens met het argument met betrekking tot de voor de Nederlandstaligen onrechtvaardige taalkaderregeling. Op pagina 15 van het verslag argumenteert de gouverneur van de Nationale Bank dat hiermee een feitelijke situatie bij wet wordt geregeld en er in de praktijk dus eigenlijk niets verandert. Dit is al te gortig.

We zullen vanuit onze geaardheid het ontwerp niet goedkeuren omdat het voor de Nationale Bank van België de Europese verankering is van deze Belgische compromisstaat, die wij met steeds sterkere overtuiging willen bestrijden. (Applaus.)

De voorzitter . ­ Daar niemand meer het woord vraagt, is de algemene bespreking gesloten.

Plus personne ne demandant la parole, la discussion générale est close.

Ik heb vanwege 25 leden van de Senaat het verzoek gekregen over een bepaald amendement het advies van de Raad van State te vragen. Dit zal geschieden conform het reglement. De behandeling van de andere amendementen wordt uitgesteld tot een volgende vergadering.

L'amendement sera soumis à l'avis du Conseil d'État auquel je vais demander de se prononcer d'urgence. Cette procédure implique que ce projet de loi revienne à l'examen lors d'une prochaine séance.

M. Maystadt , vice-Premier ministre et ministre des Finances et du Commerce extérieur. ­ Monsieur le président, je ne puis que constater avec regret que la Belgique prend du retard en la matière. Comme je l'ai déjà signalé en commission, lors de la dernière réunion des ministres européens des Finances, il nous a été impérativement demandé d'accélérer les travaux parce que l'adaptation de la législation organique des banques centrales fait partie des conditions formelles à l'entrée dans l'Union monétaire. Si certains veulent jouer avec le feu, qu'ils prennent leurs responsabilités !

De voorzitter . ­ Het woord is aan de heer Coene.

De heer Coene (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, ik wil erop wijzen dat de minister van Financiën zelf met vuur speelt want hij heeft een ontwerp voorgelegd waar zaken instaan die niets te maken hebben met de Europese Monetaire Unie en die hij er via een achterdeur heeft willen doorhalen.

M. le président . ­ La parole est à M. Maystadt, vice-Premier ministre.

M. Maystadt , vice-Premier ministre et ministre des Finances et du Commerce extérieur. ­ Ce projet a été déposé en juin 1997 après avoir fait l'objet d'un avis, en tous points favorables, de l'Institut monétaire européen.

De heer Coene (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, we hebben in de commissie op een redelijke manier een discussie op gang proberen te brengen. De vice-eerste minister heeft systematisch geweigerd enige verandering in overweging te nemen en als oppositie beschikken we over geen ander instrument om alsnog te trachten de vice-eerste minister tot inkeer te brengen.

M. le président . ­ La parole est à M. Jonckheer.

M. Jonckheer (Écolo). ­ Monsieur le président, pour ma part, je n'ai pu participer aux discussions qui ont eu lieu en commission des Finances sur ce projet; compte tenu de la taille réduite de notre groupe, nous n'assistons pas à toutes les commissions. Cependant, j'ai lu attentivement le rapport.

Vous connaissez mon attachement et celui du groupe Écolo, monsieur le vice-Premier ministre, à la bonne réalisation du processus de l'Union monétaire et de la monnaie unique. Mais sur un point, et quel que soit l'avis de l'Institut monétaire européen, je ne peux que donner raison à M. Coene : l'introduction de ces articles relatifs à la composition du comité de direction de la Banque nationale ne répond en rien à des injonctions européennes. Dès lors, au regard du débat public qui s'est tenu autour de cette composition, il eut été, à mon sens, plus sage de scinder la matière et d'élaborer un projet de loi qui réponde exclusivement aux dispositions exigées notamment pas l'Institut monétaire européen et, surtout, par le Traité de Maastricht et ses protocoles. Ainsi, personne n'aurait joué avec le feu.

Avec tout le respect qui vous est dû, monsieur le vice-Premier ministre, je pense que vous ne répondez pas à ce souci de sagesse qui voulait que deux projets distincts nous soient soumis.

De voorzitter . ­ Het woord is aan de heer Loones.

De heer Loones (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, ook onze fractie steunt ten volle de vraag tot verwijzing van het amendement voor advies aan de Raad van State. Ministers met ambitie worden blijkbaar bijzonder kregelig wanneer moet worden voldaan aan de Europese normen en vereisten. Ook bij minister Chabert op het niveau van het Brussels Hoofdstedelijke Gewest hebben we dat moeten vaststellen. Het loont ons inziens niet de moeite ons zorgen te maken over deze houding die grenst aan chantage, te meer daar in het ontwerp bijkomende bepalingen inzake het taalkader worden ingelast en over het aantal te begeven mandaten bij de Nationale Bank.

Wie wind zaait, oogst natuurlijk storm.

De voorzitter . ­ Het woord is aan de heer Verreycken.

De heer Verreycken (Vl. Bl.). ­ Mijnheer de voorzitter, ik sluit me graag aan bij de argumenten van de vorige spreker om de verwijzing naar de Raad van State te steunen.

In de commissie heeft de vice-eerste minister elke discussie geweigerd en in de openbare vergadering weigert hij te antwoorden op welke opmerking dan ook van de oppositie. Hij nam zelfs het woord niet, toen u het hem aanbood. Wanneer de Senaat echter een beslissing neemt die de vice-eerste minister niet welgevallig is en het amendement voor advies naar de Raad van State verwijst, wordt de vice-eerste minister verontwaardigd wakker.

Hoe durven de senatoren zich te beroepen op hun grondwettelijk gefundeerde rechten om een amendement naar de Raad van State te verwijzen ?

Wanneer zich op de Grondwet beroepen met vuur spelen wordt genoemd, dan stel ik voor om eens echt stokebrand te spelen en af en toe een arrogant minister terug te fluiten.

M. le président . ­ La parole est à M. Maystadt, vice-Premier ministre.

M. Maystadt , vice-Premier ministre et ministre des Finances et du Commerce extérieur. ­ Monsieur le président, apparemment, nous n'avons pas lu le même rapport parce que j'ai constaté que des pages entières y sont consacrées aux réponses apportées par le représentant de la Banque nationale.