1-161

1-161

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 29 JANVIER 1998

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 29 JANUARI 1998

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN MEVROUW LEDUC AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN FINANCIËN EN BUITENLANDSE HANDEL OVER « HET VERSTUREN VAN AANSLAGFORMULIEREN »

QUESTION ORALE DE MME LEDUC AU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DES FINANCES ET DU COMMERCE EXTÉRIEUR SUR « L'ENVOI DES FEUILLES D'IMPÔTS »

De voorzitter . ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van mevrouw Leduc aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel.

Het woord is aan mevrouw Leduc.

Mevrouw Leduc (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, ondanks de instructies die de vice-eerste minister aan zijn bevoegde administratie zou hebben gegeven ­ wat kan worden afgeleid uit zijn antwoord van 12 november 1997 op de interpellatie van de heer Olaerts in de commissie voor de Financiën en de Begroting van de Kamer ­ om de aanslagformulieren te versturen met respect voor het logische interval van een jaar, blijkt dit in de praktijk geenszins het geval te zijn. Verschillende gezinnen kregen twee belastingbrieven met een tussenperiode van amper 7 of 8 maanden. Aangezien het soms over grote geldsommen gaat, veroorzaakt dit soms echt drama's voor een aantal mensen.

Ik vraag de vice-eerste minister dan ook met aandrang om zijn administratie opdracht te geven dergelijke situaties te voorkomen en maatregelen te nemen om een en ander te regulariseren en degenen die momenteel slachtoffer zijn van een al te inhalige administratie, uitstel van betaling te verlenen zonder dat hen hiervoor een interest wordt aangerekend.

Gaf de vice-eerste minister in het verleden inderdaad reeds de opdracht om te voorkomen dat deze feiten nog zouden voorvallen ?

Indien hij dat wel deed, kan hij dan verklaren waarom deze richtlijn niet wordt nageleefd ? Worden deze diensten dan niet gecontroleerd ?

Is de vice-eerste minister van plan om op te treden tegen deze wantoestanden en hoe kan hij een regelmaat garanderen in de verzending van de aanslagformulieren ?

Is de vice-eerste minister bereid in de concrete gevallen uitstel van betaling te verlenen zonder een bijkomende interestlast ? Hoe kan dit worden opgelost ?

De voorzitter . ­ Het woord is aan vice-eerste minister Maystadt.

De heer Maystadt , vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel. ­ Mijnheer de voorzitter, in het algemeen begint de inkohiering van de personenbelasting tijdens de maand oktober van het jaar volgend op het jaar van de inkomsten. Ze eindigt op 30 juni van het volgende jaar. Aangezien de toegestane termijn voor betaling twee maanden bedraagt vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet, moet het eventuele belastingsupplement ten vroegste één jaar na de ontvangst van de laatste belastbare inkomsten worden betaald, zonder een enkele intrestlast.

Het feit waarover mevrouw Leduc het heeft, kan toevallig gebeuren. In dat geval moet men zich bewust ervan zijn dat de betrokken belastingplichtige voor het vorige aanslagjaar van de langst mogelijke termijn heeft genoten.

Het is niet verstandig om de inkohieringswerkzaamheden van de taxatiediensten op een dergelijke wijze te organiseren dat de belastingplichtigen elk jaar hun aanslagbiljet op dezelfde datum ontvangen. De evolutie van de taxatiewerkzaamheden wordt immers door andere factoren beïnvloed. Zo is er voor het aanslagjaar 1997 de invoering van het nieuwe systeem BETAX voor de zelfstandigen. Hierdoor kunnen de mechanografische diensten de aanslagen dit jaar sneller inkohieren dan vorig jaar.

De voorzitter . ­ Het woord is aan mevrouw Leduc voor een repliek.

Mevrouw Leduc (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, het gaat niet om één, maar om verschillende gevallen. De betrokkenen beweren niet dat ze hun nieuwe aanslagbiljet slechts acht maanden na het vorige krijgen omdat dit vorige aanslagbiljet later werd verstuurd. Ze kregen reeds verschillende opeenvolgende jaren twee aanslagformulieren binnen een tijdsbestek van acht maanden. Ik zal de gevallen nog eens onderzoeken en de vice-eerste minister hier later nog vragen over stellen.

Er zijn belastingplichtigen die in dergelijke omstandigheden hun belastingen niet binnen de vooropgestelde termijn kunnen betalen. Ik vraag dan ook dat er ten minste geen nalatigheidsintresten worden aangerekend.

De voorzitter . ­ Het woord is aan vice-eerste minister Maystadt.

De heer Maystadt , vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel. ­ Mijnheer de voorzitter, wat mevrouw Leduc zegt, is onmogelijk.

Mevrouw Leduc (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, ik zal de vice-eerste minister van deze specifieke gevallen op de hoogte brengen.

De voorzitter . ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.