1-156 | 1-156 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCE DU JEUDI 8 JANVIER 1998 |
VERGADERING VAN DONDERDAG 8 JANUARI 1998 |
De voorzitter . Aan de orde is de mondelinge vraag van mevrouw Leduc aan de minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen.
Het woord is aan mevrouw Leduc.
Mevrouw Leduc (VLD). Mijnheer de voorzitter, ik heb tijdens een vorige vergadering appels meegebracht naar de Senaat om de aandacht te vestigen op het probleem van de Belgische fruittelers en op het feit dat hier in de koffiekamer vaak Kaapse appels worden aangeboden terwijl de Belgische appels zeker even lekker zijn.
De fruitsector wordt sinds 1991 met een hele reeks problemen geconfronteerd. Hiervoor kunnen verschillende oorzaken worden aangewezen. De fruit- en de landbouwsector hebben regelmatig te lijden onder ongunstige weersomstandigheden als nachtvorst, hagel- en stormschade, droogte of overdreven neerslag. De gevolgen voor de fruitboer lopen sterk uiteen naargelang de plaats waar zijn bedrijf is gevestigd. Zo zagen sommige fruittelers het voorbije seizoen hun hele oogst verloren gaan. Heel wat jonge fruittelers deden de jongste jaren grote investeringen om hun fruit het hele jaar door vers te kunnen aanbieden op de markt. Als gevolg van deze investeringen hebben deze jonge fruittelers zware leningslasten die zij momenteel niet kunnen delgen gezien de verkoopprijs ver beneden de productieprijs van het fruit ligt.
In 1993 nam ik deel aan een colloquium in Alden-Biesen waar een overzicht werd gegeven van de juiste productie- en verkoopprijzen. Toen reeds bleek dat het fruit gemiddeld zeven à acht frank per kilo onder de productieprijs werd verkocht. Vandaag worden de lekkere appels die men hier heeft kunnen proeven verkocht tegen ongeveer tien frank per kilo, waar de productieprijs gemiddeld 17 à 18 frank per kilo bedraagt. De fruittelers verkopen dus hun appels sinds 1991 met verlies. Dit wordt vooral voor de jonge telers een onhoudbare toestand.
Overschakelen naar landbouw heeft ook geen zin. In Zuid-Limburg nam de landbouw af en steeg het aantal hectaren fruitaanplantingen. Misschien wordt er als gevolg hiervan wel te veel fruit geproduceerd wat uiteraard gevolgen heeft voor de prijsvorming. Alleszins is de financiële toestand van vele fruittelers dramatisch. Het water staat deze fruittelers tot aan de lippen. Ingevolge de geleden verliezen werden de rekeningen van verschillenden onder hen geblokkeerd. Sommigen zijn bijna failliet. Daarom dringen zich op korte termijn dringende maatregelen op. Ik wens hieromtrent verschillende vragen te stellen aan de verantwoordelijke minister.
De minister ontving op de Kerstveiling een open brief van de club Jong Haspengouw, waarin dit trieste verhaal nog eens wordt uiteengezet. De jonge fruittelers hebben geen boodschap aan het feit dat voor 1991, nu zeven jaren geleden, de fruitsector winstgevend was en dat er voorheen gouden jaren waren voor de fruittelers van toen.
Aangezien de fruitsector jaarlijks zorgt voor 5 000 arbeidsplaatsen, evenveel als in alle bedrijfstakken in Zuid-Limburg samen, is het nodig dat de overlevingskansen van de sector zowel op korte als op lange termijn worden gegarandeerd.
Dat brengt mij tot een aantal vragen.
Welke maatregelen zal de minister op korte termijn nemen ten opzichte van de fruittelers die kampen met een verlies ten gevolge van de lage veilingprijzen ?
Welke initiatieven zal de minister nemen opdat de gelden in het kader van de Gemeenschappelijke Marktordening voor Groenten en Fruit, zouden worden aangewend voor kwaliteitsverhogende investeringen in de fruitteelt, onder meer door proeftuinonderzoek en het zoeken naar nieuwe variëteiten ?
Is de minister voorstander van de oprichting van een agrarisch fruitteeltcentrum van waaruit de handel, de verpakking en de distributie kunnen worden georganiseerd teneinde het aanbod verder te kunnen concentreren ? Zal hij hiervoor concrete initiatieven nemen ?
Zal de minister, in samenwerking met de minister van Tewerkstelling en Arbeid, nieuwe initiatieven nemen die moeten leiden tot een administratieve vereenvoudiging en een loonkostverlaging voor de tewerkstelling van seizoen- en gelegenheidsarbeiders ?
De voorzitter . Het woord is aan minister Pinxten.
De heer Pinxten , minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen. Mijnheer de voorzitter, ik begrijp dat mevrouw Leduc liever spreekt over een half leeg dan over een half vol glas. Toch wens ik de aandacht te vragen voor de vele positieve maatregelen die de afgelopen jaren werden genomen ten gunste van de fruitsector. Ik ben ervan overtuigd dat ook zij dit zal toegeven.
Mevrouw Leduc vroeg mij ten eerste welke maatregelen ik op korte termijn zal nemen ten gunste van de fruittelers die kampen met een verlies ten gevolge van de lage veilingprijzen.
Het inkomen van landbouwers en tuinders in het algemeen en van fruittelers in het bijzonder is zeer onzeker omdat het onder meer wordt bepaald door de markt, de verschillen in vraag en aanbod en door indirecte factoren zoals de weersomstandigheden, enzovoort.
De federale regering heeft geen maatregelen op korte termijn gepland. Dit is in zekere mate te wijten aan de bevoegdheidsverdeling. Maatregelen voor het aflossen van kapitaal zijn bijvoorbeeld wel mogelijk op het regionale niveau.
Wel heeft de federale regering plannen om de sector op middellange termijn te steunen. Ik denk hierbij aan het PCF dat in het voorjaar van 1997 werd opgericht en dat voor een deel een beroep kan doen op federale middelen. Verder zijn er de goedgekeurde operationele programma's van de telersverenigingen binnen de nieuwe Gemeenschappelijke Marktordening voor Groenten en Fruit. Tevens is er de rooipremie voor appelen en peren, die onlangs door de Europese Raad voor Landbouw werd goedgekeurd. Voor België gaat het hier om 435 hectaren.
Vervolgens kom ik tot de vraag met betrekking tot de Gemeenschappelijke Marktordening en het aanwenden van de middelen voor kwaliteitsverhogende investeringen in de fruitteelt. Vooraleer men binnen het kader van de GMO een beroep kon doen op EU-financiering voor de uitvoering van operationele programma's, dienden deze programma's te worden bijgestuurd zodat onder andere kwaliteitsverbetering expliciet in het programma kon worden opgenomen als een van de zeven geplande doelstellingen. Ik denk hierbij ook aan kwaliteitsbeheer, nacontrole, integrale ketenbewaking, externe controle, koudketen-projecten en telersbegeleiding; dit laatste wil zeggen kwaliteitsverbetering op het niveau van de producenten.
Verder zijn er de milieuvriendelijke teelt en technieken, met in de eerste plaats het organiseren en het verder stimuleren van de geïntegreerde productie. Zoals de senator weet is België het eerste EU-lid dat deze geïntegreerde fruitproductie officieel heeft erkend.
Indirect is er ook het aspect onderzoek, waarbij werd gevraagd om ongeveer 8 % van het actiefonds van een goedgekeurd programma te gebruiken voor onderzoek en ontwikkeling. Dit geld zou gaan naar onderzoeksinstellingen en proeftuinen. Tevens moet 2 % worden uitgetrokken voor een algemene doorlichting en om de doelstellingen voor de vervolgprogramma's vanaf 1999 te formuleren.
Bovendien is afgesproken dat elk betrokken bestuur van het departement zal toezien op de correcte uitvoering van de programma's. Eveneens is in een algemene en zeer gedetailleerde controle voorzien door het BIRB, het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau, dat bevoegd is voor de uitbetaling van de Europese steun en voor de controle op het correcte gebruik ervan. Het BIRB sluit voor de goedgekeurde programma's trouwens met elke erkende telersvereniging een contract. Er wordt ook in bijkomende nationale sancties voorzien, namelijk het terugstorten van een bedrag dat het dubbele is van de eventueel ten onrechte verkregen bedragen. Wij moeten in dit verband de Europese spelregels naleven.
Vervolgens vroeg mevrouw Leduc mij of ik voorstander ben van de oprichting van een Agrarisch Fruitteeltcentrum. De gouverneur van Limburg heeft deze term gebruikt bij de opening van de kerstveiling in de veiling van Haspengouw op 13 december.
In het kader van dit initiatief vermeld ik het stimuleren van de verwerkende fruitnijverheid in de regio, wat positieve gevolgen zou hebben voor de fruitsector en voor de werkgelegenheid. Voorts zou er een agro-marketingbureau voor de fruitteelt kunnen worden opgericht teneinde de slagkracht bij commercialisatie en het penetratievermogen in nieuwe markten te vergroten.
Wij zijn geïnteresseerd in dit voorstel, dat zich momenteel in een studiefase bevindt. Wij wachten het resultaat van deze studie af alvorens concrete initiatieven te nemen. Als minister van Landbouw en van KMO's zal ik deze evolutie uiteraard van nabij volgen.
Wat de vierde vraag van mevrouw Leduc betreft, wil ik erop wijzen dat de problematiek van de administratieve vereenvoudiging en van de loonkostenverlaging inzake tewerkstelling van seizoens- en gelegenheidsarbeiders tot de bevoegdheid van de minister van Tewerkstelling en Arbeid behoort. Ik kan evenwel mededelen dat mijn diensten en mijn kabinet in het kader van een ombudsfunctie zeer regelmatig contact hebben met het kabinet van Tewerkstelling en Arbeid.
Terloops wil ik enkele opmerkingen formuleren. Sedert 1 september 1997 mag in de fruitteeltbedrijven waar op verschillende locaties tegelijk wordt gewerkt het aanwezigheidsregister voortaan worden bewaard op de bedrijfszetel in plaats van op de diverse tewerkstellingslocaties. Dit is een belangrijke verbetering van de situatie. Het register moet in de loop van de dag worden aangevuld. Bovendien moeten de werknemers een individueel aanwezigheidsboekje bijhouden. De plukkaart gold hierbij als overgangsmaatregel.
De sociale bijdragen op de minimumlonen zijn tot het absolute minimum teruggebracht. In deze sector gaat het om 14 frank per uur. Als federaal minister voel ik mij uiteraard verantwoordelijk voor de werkgelegenheid, zowel in deze als in andere sectoren. Correctheid gebiedt mij te zeggen dat een sociale bijdrage van 14 frank per uur toch wel uiterst laag is. Op dit vlak werden in het verleden ongetwijfeld belangrijke inspanningen geleverd.
De voorzitter. Het woord is aan mevrouw Leduc voor een repliek.
Mevrouw Leduc (VLD). Mijnheer de voorzitter, ik heb in mijn vraag gewezen op de invoer van fruit uit landen buiten de EU. Op basis van een schatting van de fruitoogst op Europees niveau wordt beslist hoeveel fruit er mag worden ingevoerd uit derde landen.
Volgens de verantwoordelijken uit de fruitsector wordt de oogst voortdurend te laag geschat, waardoor er te veel fruit mag worden ingevoerd. Ik kan deze bewering niet verifiëren, maar ik dring erop aan dat de minister van Landbouw deze zaak onderzoekt en de nodige maatregelen neemt teneinde de eigen fruitteelt, die onder zware druk staat, te beschermen.
De minister antwoordt ook dat de rechtstreekse hulp aan fruittelers een gewestmaterie is en spreekt over een ombudsdienst van zijn kabinet.
De heer Pinxten, minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen. Neem mij niet kwalijk dat ik u onderbreek, maar ik bedoelde dat ik in mijn contacten met collega Smet fungeer als een soort ombudsman, als een bemiddelaar voor de sector. Ik heb geen bevoegdheden op dat vlak, maar probeer bij mijn collega aan te dringen op administratieve vereenvoudiging, arbeidsreglementering en dergelijke. In modern weliswaar meer Vlaams dan federaal taalgebruik voel ik mij, met andere woorden, als een ombudsman.
Mevrouw Leduc (VLD). Dan zal ik aan collega's in het Vlaams Parlement vragen dat zij aandringen op maatregelen ter compensatie van de slechte jaren voor de fruittelers zonder inkomen noch reserves.
Als de fruitsector in Zuid-Limburg instort dan vrees ik het ergste voor onze streek waar er bijna geen KMO's noch bedrijven zijn. Vanuit de bekommering die de minister van Landbouw voelt, zou hij met zijn bevoegde collega's en met de eerste minister contact kunnen opnemen om ons een helpende hand te bieden.
De voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.