1-137

1-137

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 6 NOVEMBRE 1997

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 6 NOVEMBER 1997

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN MEVROUW DUA AAN DE MINISTER VAN LANDBOUW EN DE KLEINE EN MIDDELGROTE ONDERNEMINGEN OVER « DE DOLLEKOEIENZIEKTE »

QUESTION ORALE DE MME DUA AU MINISTRE DE L'AGRICULTURE ET DES PETITES ET MOYENNES ENTREPRISES SUR « LA MALADIE DE LA VACHE FOLLE »

M. le président. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van mevrouw Dua aan de minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen.

Het woord is aan mevrouw Dua.

Mevrouw Dua (Agalev). ­ Mijnheer de voorzitter, mijn vraag sluit eigenlijk perfect aan bij de vraag van de heer Happart. We hebben in ons land nu ook het eerste geval van dollekoeienziekte. Dit komt niet geheel onverwacht. Eigenlijk was het bijna een wonder dat wij er nog niet mee geconfronteerd werden, want ook bij ons wordt massaal dierlijk afval gebruikt voor de productie van veevoeder. Blijkbaar bestaat er nog steeds geen duidelijkheid over de oorzaken van het geval in België, maar allicht is het te wijten aan het gebruik van veevoeders waarin besmet slachtafval was verwerkt.

Intussen is gebleken dat het besmette dier via de normale verwerkingsketen in de voedingscyclus is terechtgekomen. Natuurlijk kunnen we discussiëren over de terminologie die de minister het voorbije weekend gebruikte. Ik meen echter dat iedereen hem anders heeft begrepen en dacht dat het dier inderdaad vernietigd was en niet in de voedingscyclus was terechtgekomen. Dit nieuws heeft in de publieke opinie niet alleen verontwaardiging, maar ook ongerustheid teweeggebracht.

Ik hoor de minister graag zeggen dat wij het probleem rationeel moeten benaderen. Dit is geen louter rationeel probleem. Het gaat om de kwaliteit van ons voedsel en daaraan is ook een ethisch aspect verbonden. In België wordt nog steeds massaal dierlijk afval tot veevoeder verwerkt en men is blijkbaar niet van plan dit in de toekomst te veranderen, want deze werkwijze is zeer lucratief voor de agro-industrie. Het is een goedkope grondstof die een hogere productie geeft. Dat dit enorme risico's inhoudt, zeker wanneer men ook zieke dieren verwerkt, bewijst het hele drama van de dollekoeienziekte, die zelfs mensenlevens kost.

Vanaf 1 januari 1998 zou men willen werken met een strengere reglementering, waarbij er een verbod komt op het verwerken van risicomateriaal. Volgens ons biedt dit geen sluitende bescherming en gaat deze maatregel dus niet ver genoeg. In elk geval is het vertrouwen van de consument ernstig geschaad en verwacht de bevolking maatregelen van de overheid.

Daarom kreeg ik graag een antwoord op volgende vragen. Welke garanties heeft de minister dat er niet nog meer zieke dieren in de verwerkingsketen zijn terechtgekomen ? Als het blijkbaar zo moeilijk is de symptomen van hondsdolheid en dollekoeienziekte uit elkaar te houden, dan zijn er misschien honderden gevallen waar men een verkeerde diagnose heeft gesteld. Waarom wordt de strengere reglementering pas op 1 januari 1998 van kracht ? Welke hoeveelheden dierlijk afval worden momenteel verwerkt tot veevoeder en is men zich bewust van de risico's voor de consument ?

Ik ben het ook eens met wat de heer Happart heeft gezegd. Wordt het niet hoog tijd eens een grondig debat te voeren over het verwerken van dierlijk afval tot veevoeder ? Het vertrouwen van de minister in de wetenschap gaat mij toch iets te ver. Als er meningsverschillen bestaan tussen verschillende wetenschappers, moet men het voorzichtigheidsprincipe toepassen : steeds kiezen voor het standpunt dat de meeste veiligheid biedt en niet voor het standpunt dat de status-quo verdedigt.

De voorzitter. ­ Het woord is aan minister Pinxten.

De heer Pinxten, minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen. ­ Mijnheer de voorzitter, in verband met mijn verklaringen van afgelopen weekend verwijs ik naar het antwoord op de vraag van de heer Happart. Ik dacht dat ik zeer duidelijk was. Ik heb gewezen op de consistentie in het gebruik van de terminologie sinds afgelopen zomer, een terminologie die trouwens in de Europese Unie wordt gebruikt. Het onderscheid tussen verbranding enerzijds en destructie anderzijds, moet toch duidelijk zijn, zeker als dit laatste genoemd wordt in combinatie met Rendac, waarvan toch iedereen de activiteiten kent.

Er worden strenge voorwaarden opgelegd voor vernietiging, namelijk een verbranding bij 133 graden en een druk van drie bar gedurende 20 minuten met een maximum diameter van de deeltjes van 50 mm. Bij Rendac is dit laatste in de regel een stuk lager. Dit geldt als waarborg bij het verwerken van zieke dieren.

De bedoeling van de Europese Commissie en van de wetenschappers die de commissie geadviseerd hebben is voorwaarden op te leggen voor de verwerking van zieke dieren. Voor de verwerking van gezonde dieren moeten er uiteraard geen voorwaarden worden opgelegd.

Tot op 28 oktober werden in ons land 1 011 hersenen, waarvan 651 afkomstig van runderen en 307 afkomstig van schapen, onderzocht op de aanwezigheid van BSE. Alle resultaten waren negatief.

Wat betreft het verdwijderen van sommige organen uit de menselijke consumptiecyclus heb ik geen enkel bezwaar tegen een rechtstreekse verwijdering in het slachthuis. Ik heb dit trouwens in tempore non suspecto, met name op 2 juli, reeds voorgesteld.

De productie van dierenmeel verschilt jaarlijks naargelang het aangebrachte basismateriaal. In 1995 werden bij het toenmalig Animalia, nu Rendac, 343 880 ton uiteenlopende dierenproducten verwerkt, onder meer krengen, slachtafval, bloed en haar. De totale Belgische productie dierenmeel schommelt tussen 160 000 en 165 000 ton.

De voorzitter. ­ Het woord is aan mevrouw Dua voor een repliek.

Mevrouw Dua (Agalev). ­ Mijnheer de voorzitter, de minister beweert dat er op heel wat hersenen onderzoek naar BSE is gedaan. Betekent dit dat ook deze krengen reeds verwerkt waren vooraleer het resultaat van het onderzoek gekend was ?

De discussie gaat erom of de minister het in eer en geweten verantwoord vindt dergelijke risico's te lopen, meer bepaald door met BSE besmette dieren toch nog in de voedingscyclus terecht te laten komen. Op die cruciale vraag moeten wij een antwoord krijgen. Ondanks alle Europese normen wordt niet betwist dat deze krengen in het dierenmeel terecht komen. Ik vind dit onaanvaardbaar.

De voorzitter. ­ Het woord is aan minister Pinxten.

De heer Pinxten , minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen. ­ Mijnheer de voorzitter, sinds maart van dit jaar heb ik een koninklijk besluit uitgevaardigd met betrekking tot detectie en behandeling ingeval van besmetting met BSE. De veterinaire diensten van mijn departement hebben sinds juli een draaiboek ontvangen. Als er een verdenking is van besmetting met BSE geldt automatisch de regel dat er geen verwerking maar verbranding van het dier volgt. Na destructie is er ook bij Indaver verbranding. Sinds 1990 werden 651 runderen onderzocht op de aanwezigheid van BSE. In het ons gekende geval ging het niet om een verdenking van BSE, wel om een verdenking van hondsdolheid. De procedure die bij hondsdolheid wordt gevolgd dateert reeds van eind de jaren 60.

Mevrouw Dua (Agalev). ­ Wie heeft die regeling uitgevonden ?

De heer Pinxten , minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen. ­ Ik tracht de preciese gegevens mee te delen.

Ik wijs nogmaals op de uiterst strenge verwerkingsvoorwaarden die op Europees niveau werden uitgewerkt en die sinds april 1997 aan België werden opgelegd net als aan alle andere lidstaten van de Europese Unie. Dat was dus reeds lang voor deze feiten. In België wordt die regeling sinds vorig jaar toegepast. Ik wijs er bovendien op dat de besluitvorming in Europa alles behalve lichtzinnig gebeurt. De regeling is gebaseerd op de adviezen van wetenschappers die zitting hebben in een formeel georganiseerd wetenschappelijk comité.

Op de vraag of deze strenge verwerkingsvoorwaarden ook zijn nagekomen bij de verwerking van het betrokken dier, antwoord ik volmondig ja, zowel wat betreft de temperatuur, de druk en dergelijke meer. Bovendien is het verboden herkauwers met dergelijk dierenmeel te voeden. Wetenschappers zeggen immers dat dit niet zonder risico is. Ten slotte werden de Poolse autoriteiten op de hoogte gebracht en kennen zij perfect de in Europa geldende reglementering.

Wanneer men dit alles in aanmerking neemt, is het onverantwoord om rond deze zaak nog veel heisa te maken en te suggereren dat wij van meet af aan hadden moeten weten dat het hier om een BSE-besmetting ging. Hier hadden wij te doen met een verdenking van hondsdolheid, zoals er sinds 1990 reeds 1 011 maal hersenen werden onderzocht na verdenking van besmetting met hondsdolheid.

Mevrouw Dua (Agalev). ­ Dat is precies een deel van mijn vraag. Hoeveel gevallen zijn er die van hondsdolheid werden verdacht en die volgens de criteria voor hondsdolheid werden verwerkt, maar die misschien om BSE-besmetting gingen ?

De heer Pinxten , minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen. ­ Al deze 1 011 gevallen zijn na een onderzoek op hondsdolheid ook nog eens onderzocht op BSE-besmetting. In het laboratorium van dokter Vanopdenbosch werden sinds 1990, 651 krengen van runderen onderzocht. Zij waren allemaal negatief. Ik tracht zo nauwkeurig mogelijk en in een geest van zo groot mogelijke openheid over de feiten te informeren. In mijn beleid volg ik zo nauwgezet mogelijk de adviezen en richtlijnen van de Europese wetenschappelijke comités en van de in dit domein gespecialiseerde wetenschappers. Dit lijkt mij de enige correcte houding voor om het even wie die terzake politieke verantwoordelijkheid draagt.

De voorzitter . ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.