1-115

1-115

Sťnat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

S…ANCES DU JEUDI 5 JUIN 1997

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 5 JUNI 1997

(Vervolg-Suite)

VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER ANCIAUX AAN DE MINISTER VAN LANDSVERDEDIGING OVER ę DE WANDADEN VAN DE BELGISCHE PARA'S EN DE ROL VAN HET BELGISCH LEGER Ľ

DEMANDE D'EXPLICATIONS DE M. ANCIAUX AU MINISTRE DE LA D…FENSE NATIONALE SUR ę LE COMPORTEMENT INADMISSIBLE DES PARAS BELGES ET LE R‘LE DE L'ARM…E BELGE Ľ

De voorzitter. ≠ Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Anciaux aan de minister van Landsverdediging.

Het woord is aan de heer Anciaux.

De heer Anciaux (VU). ≠ Mijnheer de voorzitter, wij hebben allen enige bedenktijd gehad om ons te bezinnen over de recente gebeurtenissen in het leger. De incidenten en wandaden waarbij para's op missie in het buitenland betrokken waren, lijken schering en inslag. Niet alleen in SomaliŽ werden wandaden vastgesteld, maar destijds werden ook para's die gelegerd waren in Rwanda, om disciplinaire redenen naar huis gestuurd. Ook tijdens de laatste missie waren er in Congo-Brazzaville incidenten.

De wantoestanden die in SomaliŽ plaatsvonden, zijn ondertussen genoegzaam bekend. Toch zal ik er enkele aanhalen. Een Somalische jongen werd gedood, andere SomaliŽrs werden verwond door het sadistische gedrag van de Belgische para's. Twee jaar geleden stonden vijftien Belgische para's terecht op beschuldiging van ernstige schendingen van de mensenrechten tijdens de VN-operaties Restore Hope en Unosom in 1993. Een militair werd veroordeeld tot vijf jaar effectief wegens doodslag. Hij schoot tijdens de nacht van 16 april 1993 in Kismayo een gewonde SomaliŽr, die hij kort daarvoor had bestolen, een kogel door het hoofd om te verhinderen dat de man hem zou verklikken. Zwarten werden voor de lol gefolterd. Belgische para's hielden een jongetje twee nachten en twee dagen lang in een container opgesloten. Het bleef zonder eten en drinken, blootgesteld aan de gloeiend hete zon. Toen de container uiteindelijk werd opengemaakt was het jongetje dood. Men had dat trouwens kunnen weten, want de kreten waren verstomd.

Een ex-para getuigde over nog meer smerige en racistische wandaden. Zo is er de schrijnende getuigenis over een Somalische jongen die van zijn eigen braaksel moest eten en aan de achterkant van een Unimogvrachtwagen werd gehangen. De foto van de jongen die bijna levend werd geroosterd, is op ons netvlies gebrand. Para's groeven lijken op en namen schedels mee naar huis. Hutten werden opzettelijk in brand gestoken.

Is dit het topje van de ijsberg? De legerleiding kneep telkens weer een oogje dicht, terwijl zij heel goed wist waarmee sommige paracommando's bezig waren. De wandaden vormen geen eenmalig incident en staan niet los van de opleiding of van de organisatiestructuur van het leger.

In De Standaard legde een ex-para de vinger op de wonde. De opleiding bij de para's is gericht op een licht geraakte elitaire groepsgeest, die ertoe leidt dat anderen, en vooral dan andere militairen en mensen met een andere huidskleur, worden vernederd of mishandeld. Zware fouten van kameraden worden toegedekt. Vergelding vormt een onderdeel van de groepsgeest. De anekdotes van vele miliciens die de jongste tijd naar boven komen, zijn niet uit de lucht gegrepen. Ze illustreren een geestelijk klimaat bij de para's dat racistische opmerkingen, martelpraktijken en zelfs moord ≠ pas vier jaar na de feiten wereldkundig gemaakt ≠ laat gebeuren.

In de Kamer is er een uitgebreid debat gelanceerd over de doeleinden en de middelen van het leger. Dit debat komt eigenlijk jaren te laat, want reeds in 1992 zette de toenmalige minister van Defensie, de heer Delcroix, een ingrijpende herstructurering op zonder enige voorafgaande grondige maatschappelijke discussie. Ook dit debat zal wellicht zijn doel voorbijschieten. Er zal worden gesproken over de personeelsherstructureringen, over de toenemende taken van het leger, over de humanitaire opdrachten en vredesmissies, maar de essentie van dit debat zal uiteindelijk draaien rond centen, rond de vraag hoeveel defensie kan en moet kosten in dit land. Zal een echte discussie over het nut en de noodzaak van het leger nog wel een kans krijgen ?

De heer Mahoux, ondervoorzitter,

treedt als voorzitter op

Onder meer de wreedheden en baldadigheden van onze para's zouden ons tot het besluit kunnen brengen dat het leger moet worden afgeschaft.

Is de minister het ermee eens dat er een debat moet worden gevoerd over de vraag of het Belgisch leger nog wel moet blijven bestaan ? Is het organisatorisch en financieel nog wel verantwoord dat elk land in de Europese Unie zijn eigen leger heeft? Moet BelgiŽ in de Europese Unie niet in de eerste plaats ijveren voor een Europese vredesmacht? Kan een Europese vredesmacht die specifiek voor humanitaire opdrachten is opgeleid, de huidige missies van de Belgische para's niet veel beter tot een goed einde brengen? Wat is de mening van de minister hierover ?

Voor alle mogelijke vredesoperaties worden er, alsof dit zo vanzelfsprekend is, steeds para's gestuurd. Misschien zijn er nog wel andere eenheden van het leger die hiervoor kunnen worden ingezet. Ook na de debatten in de onderzoekscommissie betreffende de gebeurtenissen in Rwanda kan men vragen stellen over het sturen van para's voor deze ę peace keeping-operatie Ľ.

Moeten de herstructureringen in het Belgisch leger niet gebeuren in het licht van een Europese vredesmacht? Komt er nu een doorlichting en een diepgaand onderzoek naar de aard van de opleiding van de Belgische paracommando's? Zal er aan die opleiding iets veranderen ?

Welke initiatieven heeft de minister reeds genomen en zal hij nemen met betrekking tot zowel het wangedrag als de opleiding en opdrachten van de paracommando's ?

De voorzitter. ≠ Het woord is aan de heer Ceder.

De heer Ceder (Vl. Bl.). ≠ Mijnheer de voorzitter, wanneer een volk in oorlog is, is het bereid om de meest grove excessen van zijn eigen troepen door de vingers te zien. Wanneer het daarentegen een leger moet onderhouden waarvan het het nut niet onmiddellijk inziet, is elk argument goed om een dure krijgsmacht door het slijk te halen.

Eind maart publiceerde Het Laatste Nieuws een aantal verhalen over wangedrag van para's. De krantenkoppen logen er niet om: ę Zwartjes folteren voor de lol Ľ, ę Para's folterden uit verveling Ľ, ę SomaliŽfolteringen door para's Ľ. Voor een krant die de oplage even wil verhogen is het natuurlijk zeer mooi meegenomen wanneer men daar ook een aantal schokkende foto's bij kan publiceren. Dezelfde foto's waren trouwens reeds eerder aangeboden aan Gazet van Antwerpen , tegen betaling natuurlijk. Die ging hier om deontologische redenen echter niet op in.

Alleen daarom al kunnen wij ons vragen stellen bij de motieven van de persoon die deze foto's verkocht, temeer daar deze persoon bij mijn weten vooraf nooit het gerecht heeft gecontacteerd over de misdrijven waarover hij nochtans informatie had. Wie echt geschokt is over de gedragingen van zijn collega's, stapt niet naar een krant om geld te krijgen, maar wendt zich tot het gerecht. Wij kunnen ons ook afvragen waarom de persoon in kwestie enkele jaren heeft gewacht vooraleer in actie te komen.

Dit alles doet echter niets af aan de inhoud van zijn klacht, ware het niet dat daarbij dan weer andere vragen kunnen worden gesteld. Niemand, ook de para's niet, ook ik niet, keurt het gedrag goed van een para die plast op het hoofd van een al dan niet gedode tegenstander. Het is een afkeuringswaardig, zelfs afgrijselijk gedrag waarvan zelfs auditeur-generaal Mine op 16 april verklaarde dat hij niet onmiddellijk wist onder welke strafrechtelijke categorie hij dit gedrag moest thuisbrengen.

Men spreekt over para's die een kleine jongen lieten sterven in een container, maar daarvan is nog geen enkel bewijs geleverd. Het enige wat wij weten is dat dergelijke containers werden gebruikt als geÔmproviseerde gevangenissen vůůr overbrenging naar een meer geschikte locatie. Men spreekt over para's die een jongetje een zoutwateroplossing te drinken geven. Het enige wat wij echter op een foto zien, zijn para's die een jongetje te drinken geven. Men spreekt over para's die een jongen roosterden. Wij kennen allen de foto van twee para's die een SomaliŽr boven een vuur houden. Het gerecht moet nu uitmaken wat hier precies is gebeurd en welke straf dient te worden opgelegd, voor een gedrag dat op zichzelf al afkeuringswaardig is en moet worden beteugeld.

Wij weten dus dat individuele para's zich schuldig gemaakt hebben aan een gedrag waarbij zij zwaar over de schreef zijn gegaan. Wij weten ook dat de para's in SomaliŽ in uiterst moeilijke en gevaarlijke omstandigheden hebben gepoogd om vrede te brengen en humanitaire hulpkonvooien te beschermen in een land waarmee zij niets te maken hadden, ook niet voor de verdediging, waarvoor ze niet hebben bijgetekend. Toch zijn er vijf onder hen gestorven en vijftien werden door kogels of granaatscherven gewond. Dit wordt weleens vergeten.

Het is onverantwoord, zelfs immoreel, dat deze feiten, hoe afkeurenswaardig zij ook zijn, door een ex-militair om reden van geldgewin worden verpatst aan een krant, door een krant omwille van de oplage worden opgeblazen en door politici worden aangehaald om vandaag te pleiten voor de afschaffing van het leger. Ik ben een overtuigd anti-Belgicist.

De voorzitter. ≠ Het woord is aan de heer Anciaux.

De heer Anciaux (VU). ≠ Vindt de heer Ceder het immoreel dat politici zich daarover vragen stellen en bedenkingen hebben bij het voortbestaan van het Belgisch leger ?

De heer Ceder (Vl. Bl.). ≠ Ik vind het immoreel dat men deze feiten zolang zij niet bewezen zijn aangrijpt om te pleiten voor de afschaffing van het leger.

De heer Anciaux (VU). ≠ Waarom is het immoreel om, omwille van welke feiten dan ook, een debat te voeren over het nut en de toekomst van het Belgische leger ?

De heer Ceder (Vl. Bl.). ≠ Ik vind dat op zich niet immoreel.

De heer Anciaux (VU). ≠ U hebt dat juist beweerd.

De heer Ceder (Vl. Bl.). ≠ Ik vind het alleen immoreel dat dergelijke feiten door een soort van informant worden verkocht aan een krant, dat een krant ze omwille van de oplage opblaast en dat politici deze feiten aangrijpen, ofschoon er nog geen bewijs van bestaat, om vandaar uit te pleiten voor de afschaffing van het leger. Men kan uiteraard wel pleiten voor de hervorming van de opleiding.

De heer Anciaux (VU). ≠ Mijnheer Ceder, er zijn vijftien para's veroordeeld. U kunt dan toch moeilijk beweren dat dit alles uit de lucht is gegrepen.

De heer Ceder (Vl. Bl.). ≠ Dat beweer ik ook niet. Ik zeg enkel dat bepaalde feiten die in dit dossier werden aangehaald, uit hun verband zijn gerukt en niet werden bewezen.

Er zijn intussen vijftien veroordelingen. Ik wil hierbij opmerken dat het niet om para's gaat maar om militairen die tot steundiensten behoren, hoewel men het voortdurend heeft over de misdragingen van de para's.

Ik ben een overtuigd anti-Belgicist, zoals de heer Anciaux het sinds enkele dagen ook is, en ik ben als dusdanig geen vriend van het Belgische leger, maar ik heb respect voor het beroep van soldaat, voor mensen die een schamel loon ontvangen om hun leven te riskeren voor hun volk en vaderland ≠ of wat zij hieronder verstaan ≠ en die beter verdienen dan in een vorm van internationale public relations te worden ingezet in een land waar wij niets hebben verloren.

Het is immoreel dat het schandelijke gedrag van enkele para's door De Nieuwe Gazet op 29 maart ongegeneerd wordt geklasseerd onder de noemer ę Misdrijven tegen de mensheid Ľ. Zowel de heer Anciaux als ikzelf weten door onze ervaringen in de Rwandacommissie wel beter wat misdrijven tegen de mensheid zijn.

Natuurlijk heeft iedereen zijn eigen redenen om een amalgaam te maken en vage beschuldigingen tot feiten te verheffen. Naar aanleiding van de zogenaamde onthullingen van Dirk Draulants over de 15e wing durfde Humo het aan een foto bij dit artikel te publiceren, geen foto van de 15e wing, maar van para's. Eťn van de para's op deze foto, blijkbaar ook behorend tot de kring der misdragende militairen, werd op 7 april 1994, tussen 9 uur en 12.30 uur op gruwelijke wijze vermoord in een Rwandese kazerne in Kigali.

Mijn partij wil de soldaten die zich hebben misdragen of die zich hebben schuldig gemaakt aan misdrijven of misdaden geenszins verontschuldigen, maar vraagt wel dat er rekening wordt gehouden met omstandigheden die wij moeilijk kunnen begrijpen. Wij eisen ook dat beschuldigingen niet voor waar en zeker worden aangenomen vůůr ze strafrechtelijk zijn vastgesteld.

Wij vragen aan de minister van Landsverdediging of hij niet voorbarig heeft gereageerd en de mediastorm niet zelf heeft aangewakkerd door de opdoeking van het 3e bataljon para's in het vooruitzicht te stellen. Is hij niet van mening dat de aangeklaagde feiten in de toekomst moeten worden vermeden door een strengere selectie en opleiding, die moet worden gecompenseerd door een betere vergoeding? Deelt hij ons standpunt, dat para's elitesoldaten zijn die niet mogen worden misvormd tot wijkagenten die bang zijn om zich te verdedigen, zoals dat in Rwanda een jaar later het geval was? Moet uit dit dossier niet worden geconcludeerd dat elitesoldaten, opgeleid om oorlog te voeren ter verdediging van hun land, niet moeten worden ingezet bij UNO-operaties in Afrika ? (Applaus.)

De voorzitter. ≠ Het woord is aan de heer Hostekint.

De heer Hostekint (SP). ≠ Mijnheer de voorzitter, zonder te willen vooruitlopen op de conclusies van de Rwandacommissie, wil ik met betrekking dat het wangedrag aan de Belgisch para's in SaoudiŽ, erop wijzen dat wij onmogelijk kunnen verhinderen dat kranten bepaalde feiten publiceren. In ons land bestaat nu eenmaal persvrijheid.

Uit foto's en getuigenissen blijkt inderdaad dat bepaalde para's zich in SaoudiŽ op een schandelijke manier hebben gedragen, wat wij uiteraard betreuren.

Ook in Rwanda waren er klachten over para's van het 1e bataljon. De schuldigen werden bestraft en teruggeroepen naar BelgiŽ.

Het is echter verkeerd de schuld bij de militairen te leggen. Over het algemeen zijn dit immers gewone soldaten. In de eerste plaats moet worden opgetreden tegen de leiding van het leger, die verantwoordelijk is voor de opleiding en de training. Bovendien moet ervoor worden gezorgd dat zij hun werk beter doen dan in het verleden het geval was.

De heer Anciaux heeft in een eerste spontane reactie zijn standpunt in de commissie openlijk uiteengezet. Hij vroeg zich af of het leger, gezien de manier waarop het de voorbije jaren functioneerde, niet beter wordt afgeschaft. De vrijgekomen 100 miljard zou nuttiger kunnen worden besteed. Ik denk hierbij aan ontwikkelingssamenwerking, waar wij nog steeds beschamend slecht scoren. De norm van 0,7 % ligt nog steeds ver af en zal waarschijnlijk pas in een volgende eeuw worden gehaald.

Ik deel persoonlijk die mening van de heer Anciaux. Zoals ik vroeger al heb gezegd, kunnen die niet-onbelangrijke middelen die door de afschaffing van het leger vrijkomen veel beter worden gespendeerd, onder meer ook voor de sociale opvang en begeleiding van de militairen, die voor sociale taken zouden kunnen worden ingezet.

Ik wil niet aan partijpolitiek doen, maar de ministers van Landsverdediging van de jaren 60, 70 en 80 waren alleen geÔnteresseerd in de aankoop van materiaal voor het leger, dat goed uitgerust moest zijn tegen de dreiging van het communisme. Alleen in dat aspect van hun opdracht waren zij geÔnteresseerd. Wat er met de manschappen gebeurde, was het laatste van hun zorgen.

Ik heb mijn legerdienst in 1974 gedaan als gewoon soldaat. Ik was toen reeds gehuwd en heb gedurende dat jaar ę in dienst van het vaderland Ľ mijn tijd verspeeld.

Jonge kerels van 18 heb ik toen tijdens hun legerdienst door het systeem zien kapotmaken. De recruten kwamen in het leger binnen als jongens zonder ervaring, maar door de toestanden die in het leger heersten, werden ze snel bedorven en sommigen van hen verlieten de krijgsmacht als echte alcoholisten. Ik was gelegerd in de School van Officieren te Laken, waar de elite van ons leger vertoeft en ik heb daar kolonels en generaals van 's ochtends af in de mess whisky zien zitten drinken. Een en ander is weliswaar meer dan 20 jaar geleden, maar dat was het leger waarop wij fier moesten zijn ę uit liefde voor het vaderland, in naam van de strijd tegen het communisme en ook uit gehechtheid aan het Koningshuis Ľ. Het leger streefde zogezegd een doelstelling na, die evenwel nooit werd bereikt.

De schuld voor het wangedrag van de para's in Rwanda zal ik bijgevolg zeker niet gaan zoeken bij de gewone soldaten, maar wel bij de legerleiding.

Twintig jaar geleden heb ik de graden in het leger moeten instuderen, de werkzaamheden van de Rwandacommissie hebben mij ertoe verplicht mijn geheugen op te frissen, maar naarmate het aantal sterren en strepen toeneemt, neemt ook de onbekwaamheid toe. Dat is althans mijn indruk.

Het is de opdracht van de minister van Landsverdediging om het tij te keren. Hij heeft reeds verscheidene malen zijn tanden getoond en neen gezegd tegen de legerleiding. Ik hoop dat de minister dat beleid in de toekomst consequent zal verderzetten.

De discussie over de toekomstige opdrachten van het leger wordt op het ogenblik gevoerd in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Vooraleer die opdrachten precies worden gedefinieerd, dienen wij ons echter te bezinnen over de vraag wat voor een leger wij nodig hebben, of ons land Łberhaupt nog een leger moet onderhouden.

BelgiŽ maakt deel uit van de Europese Unie en over een jaar waarschijnlijk zelfs van de Muntunie. Er moet dan ook een Europees leger komen waaraan BelgiŽ dan naar best vermogen kan bijdragen. Ons landje mag dan welvarend zijn, het is met zijn 10 miljoen inwoners niet te vergelijken met Frankrijk, Groot-BrittanniŽ of Duitsland. Onze middelen zijn zeer beperkt. Zou er dan niet beter beslist worden dat het Belgische leger zijn manschappen, zijn uitrusting en zijn expertise ten dienste stelt van het Europese leger ?

Aan het Belgische leger werd gevraagd moeilijke opdrachten uit te voeren in SomaliŽ, ex-JoegoslaviŽ en Rwanda. Het moet dus zijn dat ons leger gereputeerd is voor zijn expertise, misschien niet in militaire opdrachten, maar alleszins in logistieke ondersteuning.

De nieuwe taken van het leger dienen dus precies te worden geherdefinieerd. De minister dient orde op zaken te stellen bij de legerleiding.

Ook de legeropleiding dient dan te worden herdacht. De opleiding in het algemeen, en die van het bataljon paracommando's meer in het bijzonder, is te eenzijdig gericht op gevechtsopdrachten. De para's zijn opgeleid om erop los te slaan en te schieten. Dan is het normaal dat, als zij voor een vredesmissie worden uitgestuurd, hun bewegingsvrijheid daarbij aan banden wordt gelegd en ze niet mogen schieten, en zelfs hun wapen niet mogen tonen, zij gefrustreerd geraken en zich beginnen te vervelen. En verveling leidt doorgaans tot ongelukken.

De heer Poncelet heeft reeds bewezen dat hij zijn taak van minister van Landsverdediging aankan. Ik reken er dan ook op dat hij oog zal hebben voor de belangen van de gewone soldaat en de para. Ze riskeerden immers, zoals de heer Ceder ook heeft gezegd, in Rwanda hun leven voor een hongerloon en ze zijn blij dat ze dat kunnen doen, want zo verdienen ze een extra premie van een paar duizend frank per dag. Ik verwacht van de minister dan ook dat hij, rekening houdend met de discussies die nu in de kamer, met medewerking van de Senaat, aan de gang zijn, orde op zaken zal stellen in het leger en het commando en ook de opleiding van de para's zal aanpassen.

De voorzitter. ≠ Het woord is aan minister Poncelet.

De heer Poncelet, minister van Landsverdediging. ≠ Mijnheer de voorzitter, de heer Anciaux en zijn twee collega's hebben vragen gesteld over twee thema's: enerzijds over recentelijk aan het licht gekomen feiten uit 1993 in verband met SomaliŽ en anderzijds over het voortbestaan van het Belgisch leger. Mijn antwoord bestaat dan ook uit twee delen.

Eerst ga ik in op het voortbestaan van het Belgisch leger. Ik ben het er niet mee eens dat het voortbestaan van het Belgisch leger op de helling moet worden gezet. Dat kan volgens mij geen discussiepunt zijn. Wel wordt er vandaag de dag in het groot nationaal debat in de Kamer van volksvertegenwoordigers gesproken over de rol van het leger in de toekomst. De senatoren van de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden werden trouwens uitgenodigd om aan dit debat deel te nemen.

Tot mijn grote spijt moet ik vaststellen dat een Europees vredesleger nog verre toekomstmuziek is. Er is geen Europese politieke wil om in die richting te werken. BelgiŽ vervult op dat gebied nochtans een voortrekkersrol. Ons land heeft niet alleen nagenoeg zijn volledige landmacht toegewezen aan het Eurocorps, een zuiver Europese constructie, het heeft met zijn buurlanden eveneens samenwerkingsverbanden opgestart die als voorbeeld kunnen dienen voor alle Europese partners. Denk maar aan de integratie van de operationele commando's van de Belgische en Nederlandse marine. Denk ook aan het samenwerkingsakkoord tussen de Belgische en de Nederlandse luchtmacht dat geconcretiseerd wordt in een gezamenlijke inzet in het kader van SFOR in ex-JoegoslaviŽ.

Ik vrees dus dat tot nader order elk land in Europa zijn eigen leger zal organiseren en financieren. Dat intussen het Belgisch leger kan worden afgeschaft, zoals de heer Anciaux voorstelt, is waarschijnlijk een standpunt van zijn fractie of partij, waarvan de meer dan 25 000 Vlaamse militairen en burgers bij Defensie en hun families, die ook kiezers zijn, ongetwijfeld akte nemen.

Bij de tweede reeks vragen over de zogenaamde wandaden van de Belgische para's in SomaliŽ, wil ik graag enkele inleidende opmerkingen maken.

Schijnbaar scheert de heer Anciaux alle para's over dezelfde kam. Hij veroordeelt, nog voor het gerecht uitspraak heeft gedaan. Dat is niet alleen unfair, het is tevens een belediging voor het geheel van de paracommando's als eenheid en voor hun families. Laten wij niet vergeten dat vele landgenoten hun leven aan onze paracommando's te danken hebben. Wat zou hij ervan denken als ik alle deelnemers aan de IJzerbedevaart als extreem-rechts zou betitelen? Het is niet zo dat een hele mand appelen slecht is omdat er een paar rotte tussen liggen.

Ik wens van de gelegenheid gebruik te maken om toelichtingen te geven bij de onthullingen over de acties van de para's in SomaliŽ.

In de eerste plaats is er de context waarin de feiten zich in SomaliŽ hebben afgespeeld. De dagelijkse ę hongerbeelden Ľ uit SomaliŽ schudden in 1992 het wereldgeweten wakker. De Verenigde Naties besloten voor deze hongersnood een hulpoperatie op te starten. Eind 1992 werd BelgiŽ gevraagd aan deze operatie deel te nemen. Drie bataljons para-commando's namen samen met een aantal verkennings-, genie- en transmissietroepen en het logistiek steunschip Zinnia van 11 december 1992 tot 24 december 1993 deel aan de operatie. In totaal werden ongeveer 2 600 Belgische militairen ingezet. De opdracht van de troepen was in 1993 onder meer: gewapend treffen tussen de rivaliserende fracties te voorkomen en de rust in het toegewezen gebied te herstellen. Algemeen mag worden gesteld, en dit wordt ook internationaal aanvaard, dat de Belgische acties in het gebied succesvol verliepen.

Een tweede feit dient te worden beklemtoond. Telkens wanneer een Belgische troepenmacht uitgestuurd wordt, is deze vergezeld van een gerechtelijk detachement, samengesteld uit een krijgsauditeur, een griffier en twee rijkswachters. Dit detachement heeft als taak: de controle op de naleving van de Belgische wetgeving door de Belgische troepen.

In het kader van de operatie in SomaliŽ, in 1992-1993, opende het krijgsauditoraat 63 dossiers waarbij 81 militairen betrokken waren. 56 dossiers werden zonder gevolg geklasseerd, meestal omdat de feiten zich hadden voorgedaan conform de geldende rules of engagement, of omdat ze behoorden tot het disciplinair domein.

In 1994 en 1995 is het uiteindelijk tot zeven processen gekomen waarbij 25 militairen werden gedagvaard. Tien militairen werden vrijgesproken, zes kregen een opschorting, twee werden tot geldboetes veroordeeld en zeven kregen gevangenisstraffen gaande van vijftien dagen tot vijf jaar. Er waren dus 25 dagvaardingen voor een operatie waaraan 2 600 manschappen deelnamen.

De feiten uit 1993 brengen het prestige en de geloofwaardigheid van ons land in het gedrang en moeten bijgevolg grondig worden onderzocht en navenant worden gestraft. De eerste actie ligt bij het militair gerecht dat een antwoord moet geven op de vraag of de feiten bewezen zijn en zo ja, of het al dan niet om geÔsoleerde gevallen gaat. Bovendien heb ik luitenant-generaal Schoups, de chef van het operationeel commando van de landmacht, gevraagd te onderzoeken of de recrutering en selectie, de opleiding, de training en de operaties voldoende garanties bieden om dergelijke feiten in de toekomst te vermijden. Ik heb nog maar pas het rapport van de generaal ontvangen. Zodra ik het bestudeerd heb, zal ik niet nalaten het Parlement over de inhoud ervan te informeren en de maatregelen te nemen die zich eventueel opdringen.

De voorzitter. ≠ Het woord is aan de heer Anciaux.

De heer Anciaux (VU). ≠ Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord.

Ik wil deze repliek beginnen met enkele vaststellingen. Als pacifist bekijk ik sommige zaken anders dan de meeste mensen. Dat is mijn goed recht. Het verheugt mij dat hier enkele scherpe tegenstellingen tussen de Volksunie en het Vlaams Blok duidelijk aan het licht komen. Het Vlaams Blok werpt zich hier op als de verdediger van het Belgisch leger. De heer Ceder zegt zelfs met bevlogen woorden dat hij ę respect opbrengt voor het beroep van soldaat, die voor een schamel bedrag zijn leven op het spel zet voor volk en vaderland Ľ. Van dat soort veredeld idealisme ben ik gelukkig bevrijd. Het ligt wel helemaal in de lijn van het optreden van het Vlaams Blok. Zelf wangedrag en geweld begaan, en dit bij anderen veroordelen, dat zou inderdaad niet consequent zijn. En dat is het laatste wat van de heer Ceder kan worden gezegd.

Met alle respect voor de minister, maar het is niet aan hem om uit te maken of een debat al dan niet aan de orde mag komen. Ik heb het volste recht om als verkozen senator het debat over het voortbestaan van het Belgisch leger te lanceren. Hij kan dit debat niet weigeren door eenvoudigweg te zeggen dat het niet aan de orde is. Maar goed, ik wil daar nu niet verder op ingaan.

De minister suggereert dat ik te gemakkelijk veralgemeen, dat ik veroordeel voor er een proces is geweest, dat ik de hele mand rot noem omdat er enkele rotte appels inzitten enzovoort. Ik wil hem daarin gelijk geven. Het voorbeeld van de IJzerbedevaart, dat de minister aanhaalt, treft mij zeer sterk. Ik begrijp zeer goed wat hij bedoelt. Toch is zijn kritiek ook weer niet helemaal ernstig.

Ik hoor gelijkwaardige tegenwerpingen wel vaker, wanneer senatoren een of andere kritiek naar voren brengen in verband met de ontwikkelingssamenwerking of een ander beleid. Zij krijgen dan het verwijt dat zij de hele ontwikkelingssamenwerking in gevaar brengen of dat zij aan antipolitiek doen. In deze kwestie heb ik ook niet meer gedaan dan wijzen op feiten die via de pers al bekend waren, zonder wie dan ook met naam te noemen of te veroordelen.

Als ik zeg dat er nogal wat wantoestanden hebben bestaan, beweer ik daarmee niet dat alle para's smeerlappen zijn. Daar zijn zeker mensen bij die het goed menen, hoewel ik zelf nooit para zou willen worden.

Dit mag ons echter niet beletten om grondig na te denken over wat er verkeerd loopt en welke spirit er in het leger wordt gekweekt. Ik ben trouwens niet de enige die daar vragen bij stelt. Ik heb verslagen gelezen van psychologen en oud-officieren die wijzen op de gevaren van de para-opleiding. Wij moeten dat au sťrieux nemen. Als para's die ingezet worden voor vredesmissies, de eersten zijn om internationale verdragen te schenden, dan loopt er iets ernstigs mis, dan kunnen wij ze beter niet uitsturen.

Mijn vragen getuigen vooral van mijn bekommernis. Ik vind het beneden het niveau van de minister te dreigen met het kiesgedrag van 25 000 personeelsleden. Ik heb toch het recht om mij vragen te stellen bij het nut van het Belgisch leger. Als hij ervan uitgaat dat ik 25 000 mensen in de armoede wil sturen omdat ik hun job wil afnemen, dan is dat zijn persoonlijke interpretatie, al kunnen deze mensen zich misschien wel met nuttiger zaken bezig houden, al is het op de drempel van de 21e eeuw misschien niet zo logisch de militaire en oorlogslogica te blijven volgen, nu zich op het wereldvlak geopolitiek gezien, een algemene ontspanning voordoet. Het wordt tijd hier tegenover een kritische houding aan te nemen.

Overigens ben ik ervan overtuigd dat de 25 000 personeelsleden en hun familie wel kritisch genoeg zullen zijn om in te zien dat het in het leger niet steeds rozegeur en maneschijn is, dat een deel van het legerpersoneel de boel verpest en dat er gelukkig nog een aantal kritische senatoren zijn die geen taboes kennen, en over alles vragen durven stellen.

Voor de rest vind ik het antwoord van de minister bevredigend. Ik hoop dat men grondig zal onderzoeken waar de zaken verkeerd zijn gelopen en ik kan alleen maar hopen dat wij geen angst zullen hebben om indien nodig in te grijpen.

De voorzitter. ≠ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.