1-128

1-128

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 10 JUILLET 1997

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 10 JULI 1997

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER OLIVIER AAN DE MINISTER VAN TEWERKSTELLING EN ARBEID OVER « HET PWA-SYSTEEM »

QUESTION ORALE DE M. OLIVIER AU MINISTRE DE L'EMPLOI ET DU TRAVAIL SUR « LE SYSTÈME DES A.L.E. »

De voorzitter. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Olivier aan de minister van Tewerkstelling en Arbeid.

Het woord is aan de heer Olivier.

De heer Olivier (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, vorige vrijdag keurde de Ministerraad het banenplan goed, dat gericht is op werklozen die langer dan vijf jaar volledig uitkeringsgerechtigd zijn, op personen die al drie jaar een bestaansminimum genieten en op werklozen die geen diploma hebben van het hoger secundair onderwijs en die gedurende twee jaar volledig uitkeringsgerechtigd zijn of van het OCMW steun krijgen. Het zou om zowat 190 000 mensen gaan.

Volgens mijn informatie geldt het nieuwe systeem voor iedereen behalve overheidsdiensten en particulieren. Het huidige PWA-systeem geldt voor particulieren, overheidsdiensten en bepaalde VZW's. Allereerst dank ik de minister voor haar plan. Ook voor de CVP blijft het bestrijden van de werkloosheid en de daaraan verbonden kansarmoede de belangrijkste beleidsprioriteit. De intense activiteiten van diverse werkgroepen in onze partij zijn daarvan het bewijs. Wellicht is het de bedoeling van de minister dit initiatief zo vlug mogelijk op te starten zonder te veel administratieve rompslomp. Het PWA-systeem heeft zijn degelijkheid bewezen, maar werkt nog niet in alle gemeenten.

Nu de minister aan uitbreiding denkt, wil ik enkele suggesties doen en een paar vragen stellen.

Hoe kunnen de gemeenten verplicht worden het PWA-systeem toe te passen? Welke middelen staan hiervoor ter beschikking ?

Denkt de minister aan een uitbreiding van het bestaande systeem, bijvoorbeeld door het aantal werkuren per werkloze op te trekken van 45 naar 60 ? Kan een deel van wat overblijft na betaling van de werklozen worden besteed aan opleiding en vorming? Heel wat PWA-diensten zijn immers een niet-onbelangrijke reserve aan het opbouwen.

De PWA-diensten zijn het best geplaatst om op te treden als coördinerende administratie voor de verschillende tewerkstellingsopdrachten. Daarop werd overigens ook gewezen tijdens de toelichting bij het nieuwe initiatief. Kan het bestaande systeem worden opgedeeld in een systeem voor particulieren, een afdeling voor lokale en bovenlokale besturen, een sector voor VZW's en sociaal-culturele verenigingen en een afdeling voor privé-ondernemingen, waaronder de zelfstandigen ? De uitbetaling kan dan gebeuren met verschillende soorten cheques, bijvoorbeeld elk met een andere kleur.

Graag vernam ik wat de minister over deze elementen denkt.

De voorzitter. ­ Het woord is aan minister Smet.

Mevrouw Smet, minister van Tewerkstelling en Arbeid, belast met het Beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. ­ Mijnheer de voorzitter, het nieuwe banenplan dat werd goedgekeurd, is bestemd voor langdurig werklozen, dit betekent mensen die langer dan vijf jaar werkloos zijn of langer dan drie jaar het bestaansminimum trekken. Indien ze geen diploma hoger secundair onderwijs hebben, wordt de duur voor beide categorieën teruggebracht tot twee jaar.

Deze werklozen komen in aanmerking voor jobs die door de technologische evolutie en de hoge kostprijs werden weggesaneerd.

Meestal gaat het om servicejobs. De procedure die moet worden gevolgd, situeert zich op lokaal vlak. Dit betekent dat de bedrijven een dossier indienen vergezeld van het advies van de syndicale delegatie in het bedrijf. Indien deze niet bestaat, in kleine bedrijven dus, wordt het arbeidsreglement toegepast en moeten de werknemers hun advies geven. Het dossier wordt ingediend via het PWA, bij RVA en VDAB, die gezamenlijk beslissen of de voorgestelde job inderdaad in aanmerking komt, dit wil zeggen geen andere jobs verdringt. Dat is immers niet de bedoeling.

Het contract van de werkloze is een normaal arbeidscontract en valt dus onder de toepassing van de werkloosheidsreglementering, die bepaalt dat het om een geschikte job gaat die men moet aanvaarden indien men werkloos is. De betaling gebeurt gedeeltelijk door het systeem van de werkloosheidsvergoedingen, gedeeltelijk door de patroon. De inbreng van de patroon bedraagt 6 000 tot 10 000 frank. De jobs mogen hetzij in een halftijds, hetzij in een viervijfdestatuut worden uitgeoefend. Hoeveel bedrijven hierop zullen inspelen en hoeveel jobs zullen worden gecreëerd, weet ik niet. Wie mag erop inspelen? Bedrijven, gemeenten, overheidsinstellingen op lokaal vlak, dus niet de Staat en de gewesten. Tot zover het nieuwe plan.

Op het ogenblik zijn er nog een twintigtal gemeenten die over de PWA's nog geen princiepsbeslissing hebben genomen of nog geen dossier hebben ingediend. Zij hebben kortom nog geen stap gedaan om een PWA op te richten. 90 % van de gemeenten beschikt reeds over een PWA dat functioneert. Een aantal gemeenten heeft een dossier ingediend of een beslissing genomen, maar het dossier is nog niet afgehandeld. Dit betekent dat slechts in een beperkt aantal gemeenten nog niets is gebeurd.

Kunnen we de gemeenten daartoe dwingen? De gemeenten zijn volgens de wet daartoe verplicht, maar ik gebruik alleen positieve incentives. Alleen in die gemeenten waar een PWA bestaat, kan men in aanmerking komen voor sommige tewerkstellingsplannen. Een negatieve incentive, een hard optreden, zou het tegenovergestelde effect hebben van wat we beogen. De 20 gemeenten die nog met niets gestart zijn laat ik voor wat ze zijn. Intussen werk ik door en probeer ik ze wel te overtuigen. Er zijn regelmatig contacten. Ook de gesprekken met de sociale partners van die gemeenten blijven doorgaan.

De heer Olivier vraagt of de PWA's geen rol zouden kunnen spelen in de coördinatie van andere tewerkstellingsplannen. Daarvoor zou in de eerste plaats het personeelsbestand van de PWA's moeten worden uitgebreid. In vele gemeenten berust de werking van de PWA immers op een halftijdse personeelskracht. Hij of zij staat in voor de coördinatie van vraag en aanbod. Dit is al een grote opdracht voor iemand die contractueel is aangeworven en dus beperkingen kent in de evolutie van zijn loopbaan. Ik ben er evenwel voorstander van de contractuelen de mogelijkheid te geven een carrière uit te bouwen. De overheid kan het zich immers niet blijven permitteren om steeds minder statutairen aan te werven en voortdurend een beroep te doen op contractuelen die geen carrière kunnen maken.

Dit aspect moet alleszins nader worden bekeken. Ik word met dit probleem niet alleen geconfronteerd via de PWA's, maar ook in mijn eigen administratie. Tientallen mensen worden contractueel aangeworven en lopen aldus het risico hun gehele loopbaan dezelfde functie te moeten uitoefenen, zonder enige mogelijkheid om carrière te maken. Een verdubbeling of verdrievoudiging van het personeel van de PWA's, brengt meer uitgaven met zich en is aldus een eerste, practisch bezwaar tegen het voorstel van de heer Olivier.

De PWA's zouden wel overheidsinitiatieven kunnen coördineren. Ik ben er echter niet van overtuigd dat op lokaal vlak de coördinatie door PWA's van privé-initiatieven, zoals bijvoorbeeld familiehulp, en overheidsinitiatieven erg op prijs zou worden gesteld. Dat is een tweede bezwaar. Coördinatie impliceert immers ook ingrijpen, zoniet gaat het enkel om informatie. Daar ben ik echter wel voorstander van. Zo zou een PWA een informatiebrochure kunnen uitgeven met een overzicht van alle lokale initiatieven.

Op de derde vraag van de heer Olivier kan ik antwoorden dat ik beslist heb dat één vierde van de middelen van de PWA'S aan vorming moet worden besteed. De reserve wordt verder gebruikt voor de werking van het PWA en mag ook worden aangewend om werkgelegenheid te creëren. In een stad waar het PWA geld over heeft, kan er naast de PWA-ambtenaar gerust iemand bijkomend worden aangeworven om het PWA beter te laten functioneren. Een vierde van de middelen moet echter in elk geval gebruikt worden voor vorming.

Het aantal uren prestaties per werknemer zal niet worden vermeerderd omdat we zoveel mogelijk werklozen een kans willen geven. Door het verlagen van de werkloosheidsduur van drie jaar naar twee jaar voor intrede in het PWA zullen er immers 35 % werklozen meer in aanmerking komen. Daarenboven is de vergoeding voor geleverde prestaties plus een werkloosheidsuitkering voor PWA'ers in sommige gevallen hoger dan de vergoeding voor iemand die in een lage functie full-time werkt. Het voorstel om het aantal werkuren op te trekken van 45 naar 60 uur zou tot situaties leiden waarbij iemand op anderhalve week meer verdient dan iemand die een maand werkt. Ik vind dat niet verantwoord en pleit derhalve voor het behoud van het aantal werkuren op 45.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Olivier voor een repliek.

De heer Olivier (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor haar uitvoerig antwoord. Toch wijs ik erop dat het nieuwe systeem, hoe goed het ook is bedoeld, een verschuiving zal teweegbrengen in bepaalde PWA-diensten en dat het twee soorten verloning in het leven zal roepen. Een uitbreiding van het bestaande systeem, dat efficiënt en toch eenvoudig is, zal allicht wel wat meer werk meebrengen, maar zou op korte termijn een zeer groot effect hebben. Er zijn nu al gemeenten die gebruik maken van hun mogelijkheid om zich tot PWA-diensten te richten. Zij zullen dat voortaan niet meer kunnen doen. Mijn voorstel mag dan misschien wel meer kosten, maar zoals het banenplan thans wordt georganiseerd zal het resultaat veel langer uitblijven.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.