1-103 | 1-103 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCE DU MARDI 22 AVRIL 1997 |
VERGADERING VAN DINSDAG 22 APRIL 1997 |
Algemene bespreking en stemming over artikelen
Discussion générale et vote d'articles
De voorzitter. Wij vatten de bespreking aan van het wetsontwerp.
Nous abordons l'examen du projet de loi.
De algemene bespreking is geopend.
La discussion générale est ouverte.
Het woord is aan de rapporteur.
De heer Bourgeois (CVP), rapporteur. Mijnheer de voorzitter, het wetsontwerp dat wij nu bespreken, vloeit voort uit een door de heer Lallemand in de Senaat ingediend wetsvoorstel, dat tot doel had de steeds erger wordende achterstand bij het Hof van Cassatie weg te werken.
Aan de essentie van het oorspronkelijke voorstel, zoals dat door de Senaat werd goedgekeurd op 23 november 1995, werd door de Kamer van volksvertegenwoordigers vrijwel niet geraakt. Het ontwerp maakt onder meer de oprichting mogelijk van een korps van referendarissen, die worden belast met de voorbereiding van de gerechtelijke taken van de magistraten en met de vervulling van bepaalde administratieve taken. Het bepaalt ook dat zaken waarvan de beslissing voor de hand liggend is, kunnen worden behandeld door een kamer met drie raadsheren. Voorts wordt het personeelskader verhoogd, zij het evenwel met één eenheid minder dan oorspronkelijk was vooropgesteld, dit om niet te raken aan de taalpariteit.
Op enkele punten werd het ontwerp door de Kamer van volksvertegenwoordigers evenwel geamendeerd. De Kamer legt bijvoorbeeld het Hof van Cassatie de verplichting op om een jaarlijks activiteitenverslag op te maken en om een vierjarenplan uit te werken met het oog op het wegwerken van de gerechtelijke achterstand. De commissie voor de Justitie vond dit een goede maatregel, onder meer omdat het wetsontwerp houdende maatregelen om de gerechtelijke achterstand weg te werken bij de hoven van beroep, dat eveneens op de agenda van vandaag staat, een gelijkaardige verplichting oplegt aan de hoven van beroep.
Voorts werden ook de wedden van de referendarissen gewijzigd. Deze werden verminderd ten einde ze in een juiste verhouding te brengen met deze van andere magistraten. Aldus worden bepaalde scheeftrekkingen voorkomen, waardoor wrijvingen tussen bijvoorbeeld rechters bij de rechtbank van eerste aanleg en beginnende referendarissen kunnen worden vermeden. Ook deze wijziging kon door de commissie voor de Justitie worden aanvaard.
De verplichting voor de burgerlijke partij in strafzaken om voor het Hof van Cassatie een beroep te doen op een advocaat bij dit hof, wordt afgeschaft. Rekening houdend met de huidige tijdsgeest, waarin het slachtoffer gemakkelijker toegang moet krijgen tot het gerecht, kon de commissie ook hiermee instemmen. Verder kan nog worden vermeld dat een commissielid de wens te kennen gaf dat de advocaten bij het Hof van Cassatie niet zouden terugvallen op hun « traditionele » tarieven, wanneer zij toch nog worden belast met de verdediging van een burgerlijke partij.
Ten slotte werd, ten behoeve van de taalpariteit, het aantal raadsheren bij het Hof van Cassatie slechts met vier verhoogd in plaats van met vijf, zoals oorspronkelijk voorgesteld. Deze wijziging stuitte echter op felle kritiek van enkele leden van de commissie voor de Justitie, die eraan herinnerden dat de overbelasting zich voornamelijk bij de Nederlandstalige kamer voordoet. Zij vonden het totaal onverantwoord om bij een compleet onevenwicht tussen het aantal Nederlandstalige en Franstalige zaken, toch een taalpariteit voor de leden van het hof te behouden.
De minister wees er evenwel op dat artikel 43quater van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, ook ten aanzien van de raadsheren van het Hof van Cassatie taalpariteit voorschrijft.
Daarover ontstond in de commissie enige discussie, maar dit blijkt duidelijk uit de wettekst. De minister wees op de mogelijkheid, door procureur-generaal Liekendael aangehaald, om tweetalige raadsheren met een Franstalig diploma zitting te laten hebben in Nederlandstalige kamers. Tevens werd aangestipt dat de pariteit niet zal gelden voor de referendarissen en dat deze laatsten dan ook zouden worden geselecteerd volgens de behoeften van het hof.
Wat de raadsheren betreft, gaf de minister tenslotte nog te kennen in eerste instantie slechts twee van de vier bijkomende raadsheren te zullen benoemen. Voor de benoeming van de twee overige raadsheren zal de minister het eerste jaarverslag van het hof afwachten.
Het wetsontwerp werd, met uitzondering van artikel 30 met betrekking tot het aantal bijkomende raadsheren, door de commissie voor de Justitie eenparig aangenomen. Artikel 30 werd aangenomen met zes stemmen, bij drie onthoudingen. De leden die zich hadden onthouden, verklaarden dat het principe van de taalpariteit indien nodig dient te wijken voor een efficiënte en snelle afhandeling van de zaken die voor het hof worden gebracht.
Namens de CVP-fractie voeg ik hier nog enkele bedenkingen aan toe.
Reeds toen dit wetsontwerp de eerste keer in de Senaat werd besproken, gaf de CVP-fractie te kennen er een grote voorstander van te zijn. Onderhavig wetsontwerp zal ongetwijfeld leiden tot een verbetering van de werking van het hof, zowel op kwantitatief als op kwalitatief vlak. Een degelijke en vlotte werking van het Hof van Cassatie is een absolute noodzaak. Het Hof van Cassatie waakt immers als hoogste rechtscollege over de eenvormigheid en de stabiliteit bij de interpretatie van de wet. Hoewel de arresten van het hof in principe niet bindend zijn, genieten zij toch een groot moreel gezag.
De CVP-fractie zal dit wetsontwerp dan ook opnieuw goedkeuren. De wijzigingen die door de Kamer van volksvertegenwoordigers aan het ontwerp werden aangebracht, dienen immers als positief te worden beschouwd. Door de jaarlijkse activiteitenverslagen en het vierjarenplan met betrekking tot het wegwerken van de gerechtelijke achterstand, zal het mogelijk zijn de werking van het hof regelmatig te evalueren en, indien nodig, bij te sturen.
Op één vraag is er voor de CVP-fractie geen afdoend antwoord gekomen, namelijk of er wel dient te worden vastgehouden aan het principe van de taalpariteit wanneer de werking van het hof daardoor negatief zou kunnen worden beïnvloed. Mocht dit laatste blijken uit de jaarverslagen van het hof dan zal het principe van de taalpariteit, zoals vastgelegd in de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, mogelijks moeten worden herbekeken. (Applaus.)
De voorzitter. Het woord is aan de heer Goris.
De heer Goris (VLD). Mijnheer de voorzitter, de VLD zal het wetsontwerp strekkende om de procedure voor het Hof van Cassatie te bespoedigen, goedkeuren. Hoewel er tijdens de besprekingen in de commissies van Kamer en Senaat door sommige leden op gewezen werd dat de achterstand bij het Hof van Cassatie minder dramatische vormen aanneemt dan bij de hoven van beroep waardoor zij geneigd waren enigszins te twijfelen aan de noodzaak van dringende ingrepen en maatregelen kan toch niet worden ontkend dat er ook in ons hoogste rechtscollege hervormingen en aanpassingen nodig zijn teneinde de rechtsgang te bespoedigen. Aan de oorsprong van het huidig ontwerp lag trouwens ook de bekommernis om een « redelijke termijn » voor een goede rechtsbedeling na te streven, zoals bedoeld in het artikel 1, paragraaf 1, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, in acht te nemen.
Ik zal mij in mijn korte uiteenzetting beperken tot enkele thema's die naar mijn mening behoren tot de essentie van onderhavig wetsontwerp. De introductie van een korps van referendarissen is zeker een interessante innovatie die een positieve bijdrage zal leveren tot de algemene werking van het hof, voornamelijk dan op het vlak van de voorbereiding, het onderzoek en de studie van de zaken.
Ik moet evenwel herinneren aan de toezegging van de minister in de senaatscommissie voor de Justitie om het aantal referendarissen aanvankelijk tot vijf te beperken en pas na een grondige evaluatie van de resultaten op het vlak van de wegwerking van de achterstand, een verdere uitbreiding van het aantal referendarissen te overwegen.
Hiermee wordt voor een stuk tegemoetgekomen aan een bekommernis van de VLD om het probleem van de gerechtelijke achterstand niet te reduceren tot een loutere kwestie van het opvoeren van middelen, het uitbreiden van personeelskaders enzovoort. De VLD heeft altijd aangedrongen op een nauwgezette en objectieve behoeftenanalyse, een audit die ook aandacht schenkt aan de manier waarop de beschikbare middelen worden besteed. Die audit moet bijgevolg ook oog hebben voor de permanente verbetering van het gerechtelijk functioneren via de introductie van moderne managements- en organisatietechnieken, de uitbreiding en de optimalisering van de informatica, enzovoort.
In dit opzicht zijn het jaarlijks activiteitenverslag en het vierjarenplan voor de wegwerking van de achterstand, die de algemene vergadering van het Hof van Cassatie moet opstellen, belangwekkende controle-instrumenten, ook voor het Parlement. Toch blijft de omschrijving van de modaliteiten voor de mededeling van deze documenten, zoals omschreven in artikel 4 van het ontwerp, mijns inziens voor verduidelijking vatbaar.
Ten slotte wil ik een korte kanttekening maken bij het nieuwe artikel 23 dat voortvloeit uit een amendement dat is aangenomen in de kamercommissie. Als gevolg hiervan is de burgerlijke partij in strafzaken niet langer verplicht om een beroep te doen op een advocaat bij het Hof van Cassatie. Het lijkt er sterk op dat men hiermee voor een deel tegemoet komt aan de voorstanders van de afschaffing van de balie bij het Hof van Cassatie. Wordt het voortbestaan van de balie echter niet verantwoord door de specificiteit van de cassatieprocedure ?
Bovendien lijkt het op zijn minst waarschijnlijk dat het wegvallen van deze zogenaamde filter negatieve gevolgen zal hebben voor de werking van het hof. Een bepaalde vorm van juridische preselectie is noodzakelijk om het verder aanzwellen van de stroom aan voorzieningen tegen te gaan. Een ondoordacht afzwakken of zelfs afschaffen van de techniek van de niet-ontvankelijkheid, houdt belangrijke risico's in voor de snelheid en de kwaliteit van ons hoogste rechtscollege. Enige terughoudendheid is dus wel aangewezen, zelfs in het licht van een komende Europese richtlijn in dit verband. Alleen al om louter wetgevingstechnische redenen is het positief dat dit ontwerp niet werd aangegrepen om in deze aangelegenheid fundamentele wijzigingen aan te brengen. De zaak verdient zeker een grondigere studie.
Het ontwerp bevat meerdere aanzetten voor een modernisering van ons hoogste rechtscollege. Het werd ongewijzigd en eenparig aangenomen door de commissie voor de Justitie. Wij kijken met belangstelling uit naar de resultaten van de evaluatie van de nieuwe maatregelen die tevens experimenten zijn. Ik hoop dat zij de verwachtingen ten volle zullen inlossen. (Applaus.)
De voorzitter. Het woord is aan de heer Loones.
De heer Loones (VU). Mijnheer de voorzitter, ik wil graag enkele principiële opmerkingen maken over een van de wijzigingen die in de nieuwe tekst zijn opgenomen. Ik heb het met name over de wijziging van het aantal raadsheren. Met deze zeer kleine aanpassing had men in de oorspronkelijke tekst voorrang gegeven aan efficiëntie boven de eeuwige communautaire perikelen. In het oorspronkelijke ontwerp werd een verhoging van het aantal raadsheren van 24 naar 29 voorgesteld. Hiermee werd het principe van de taalpariteit doorbroken; een goedkeuring betekent immers dat artikel 43quater van de wet van 15 juli 1935 op het taalgebruik in rechtszaken in principe wordt gewijzigd.
Uiteraard heeft de Volksunie bij de bespreking in de Kamer hevig geprotesteerd tegen het feit dat men terugkwam op deze wijziging. Er werden amendementen ingediend om het aantal raadsheren op te trekken tot 30 en het aantal advocaten-generaal tot 14, zoals was gevraagd door het Hof van Cassatie. Ook werd voorgesteld de verhouding principieel vast te leggen op 60 % Nederlandstalige raadsheren en leden van het parket en 40 % Franstalige raadsheren en leden van het parket.
Concreet betekent dit dat de zes bijkomende raadsheren tot de Nederlandse taalrol zouden moeten behoren, wat de logica zelf is, gelet op de bevolkingsverhouding in dit rijk. Ook het aantal ingeleide zaken bij het Hof van Cassatie weerspiegelt deze verhouding. Op de rol staan ongeveer 60 % Nederlandstalige tegenover 40 % Franstalige dossiers. Dezelfde redenering geldt voor de gerechtelijke achterstand bij het Hof van Cassatie. De achterstand is het grootst in de zaken waar het Nederlands de taal van rechtspleging is. Einde 1996 was de achterstand in penale zaken opgelopen tot 772 Nederlandstalige en 144 Franstalige dossiers en wachtten er 877 Nederlandstalige en 330 Franstalige niet-penale dossiers nog op behandeling.
Het is niet omdat het Hof van Cassatie een federale instelling is, dat het paritair moet worden samengesteld. Federale loyauteit houdt in dat voor 60 % Nederlandstalige rechtzoekenden op een efficiënte en vlugge manier recht wordt gesproken door rechters van wie het Nederlands de moedertaal is. Wij stellen eens te meer vast dat de meerderheid is bezweken voor Franstalige chantage in de vorm van een PSC-amendement. Het oorspronkelijke aantal raadsheren wordt verminderd van 29 tot 28, louter ter bevestiging van de taalpariteit. Wij vragen dat de normale verhouding wordt gerespecteerd en herhalen bij deze de eis die reeds jaren wordt geformuleerd door de Vlaamse juristenvereniging.
Ik dien derhalve de amendementen in die ook in de Kamer werden ingediend. Aldus kan elke senator bij de stemming zijn verantwoordelijkheid op zich nemen.
M. le président. Plus personne ne demandant la parole, la discussion générale est close et nous passons à l'examen des articles.
Daar niemand meer het woord vraagt, is de algemene bespreking gesloten en vatten wij de artikelsgewijze bespreking aan.
L'article premier est ainsi rédigé :
Article premier. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Adopté.
Aangenomen.
Art. 2. L'article 128, alinéa 4, du Code judiciaire est remplacé par l'alinéa suivant :
Les arrêts sont rendus par cinq conseillers, y compris le président. Ils sont toutefois rendus par trois conseillers dans les cas prévus par la loi. »
Art. 2. Artikel 128, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen als volgt :
De arresten worden gewezen door vijf raadsheren, daaronder begrepen de voorzitter. Zij worden echter gewezen door drie raadsheren in de door de wet bepaalde gevallen. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 3. Dans la deuxième partie, livre Ier , titre Ier , chapitre V, du même Code, il est inséré une section IIbis rédigée comme suit :
« Section IIbis . Des référendaires
Art. 135bis . La Cour de cassation est assistée par des référendaires dont le nombre est au minimum de cinq et au maximum de trente, et est déterminé par le ministre de la Justice.
Le premier président et le procureur général déterminent, de commun accord, le nombre de référendaires placés sous leur autorité respective.
Les référendaires préparent le travail des conseillers et des membres du parquet; ils participent aux tâches de documentation ainsi qu'à celles de traduction et de publication des arrêts et à la mise en concordance des textes français et néerlandais. »
Art. 3. In deel II, boek I, titel I, hoofdstuk V, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling IIbis ingevoegd, luidende :
« Afdeling IIbis . De referendarissen
Art. 135bis . Het Hof van Cassatie wordt bijgestaan door ten minste vijf en ten hoogste dertig referendarissen. Hun aantal wordt door de minister van Justitie bepaald.
De eerste voorzitter en de procureur-generaal stellen in onderlinge overeenstemming het aantal referendarissen vast dat onder hun respectief gezag komt te staan.
De referendarissen bereiden het werk van de raadsheren en de leden van het parket voor; zij dragen bij aan de werkzaamheden in verband met de documentatie en werken mee aan de vertaling en de publicatie van de arresten alsook aan het in overeenstemming brengen van de Franse en Nederlandse tekst. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 4. Dans la deuxième partie, livre Ier , titre Ier , chapitre V, du même Code, il est inséré une section IV rédigée comme suit :
« Section IV. De la gestion
Art. 136bis . L'assemblée générale de la Cour de cassation établit et publie annuellement un rapport d'activité.
Ce rapport expose notamment l'état d'avancement des affaires pendantes.
Art. 136ter . L'assemblée générale de la Cour de cassation formule dans un plan quadriennal les mesures qui, sans affecter l'exercice de sa fonction juridictionnelle, peuvent contribuer à résorber l'arriéré judiciaire de la Cour de cassation.
Elle examine chaque année, dans le courant du mois de septembre, l'état d'avancement des affaires pendantes et fait rapport au ministre de la Justice et au parlement au plus tard le 15 octobre. »
Art. 4. In deel II, boek I, titel I, hoofdstuk V, van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling IV ingevoegd, luidende :
« Afdeling IV. Beheer
Art. 136bis . Jaarlijks wordt door de algemene vergadering van het Hof van Cassatie een activiteitenverslag opgemaakt en bekendgemaakt.
Dit verslag bevat onder meer een stand van de zaken die hangende zijn.
Art. 136ter. De algemene vergadering van het Hof van Cassatie formuleert in een vierjarenplan de maatregelen die, zonder dat zij afbreuk doen aan het vervullen van zijn rechtsprekende taak, kunnen bijdragen tot het wegwerken van de gerechtelijke achterstand van het Hof van Cassatie.
Zij onderzoekt elk jaar in de loop van de maand september de stand van de zaken die hangende zijn en brengt hierover uiterlijk op 15 oktober verslag uit aan de minister van Justitie en aan het Parlement. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 5. Aux articles 187, § 2, 2º, 188, 189, § 3, 1º et 2º, 191, § 2, 2º, 192 et 194, § 2, 2º, du même Code, les mots « de référendaire près la Cour de cassation » sont à chaque fois insérés entre les mots « d'auditeur adjoint » et les mots « de référendaire ».
Art. 5. In de artikelen 187, § 2, 2º, 188, 189, § 3, 1º en 2º, 191, § 2, 2º, 192 en 194, § 2, 2º, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden « referendaris bij het Hof van Cassatie » telkens ingevoegd tussen de woorden « adjunct-auditeur » en het woord « referendaris ».
Adopté.
Aangenomen.
Art. 6. Dans la deuxième partie, livre Ier , titre VI, du même Code, il est inséré un chapitre Vter , rédigé comme suit :
« Chapitre Vter . Des référendaires près la Cour de cassation
Art. 259quinquies . Pour pouvoir être nommé référendaire près la Cour de cassation, le candidat doit être agé de vingt-cinq ans accomplis et être docteur ou licencié en droit.
Les candidats sont classés, en vue de leur nomination, lors de concours.
La Cour détermine la matière des concours selon les nécessités du service. Elle fixe les conditions des concours et constitue les jurys.
Chaque jury est composé, en respectant l'équilibre linguistique, de deux membres de la Cour désignés par le premier président de la Cour de cassation, de deux membres du parquet désignés par le procureur général près cette Cour et de quatre personnes extérieures à l'institution désignées par le Roi sur deux listes comprenant quatre candidats chacune, respectant chacune l'équilibre linguistique et proposées respectivement par le premier président et par le procureur général.
La durée de validité d'un concours est de trois ans.
Les concours sont, quant à leurs effets, assimilés aux concours donnant accès dans l'administration de l'État et dans les organismes d'intérêt public, aux fonctions de secrétaires d'administration-juriste.
Art. 259sexies . Les référendaires sont nommés par le Roi pour un stage de trois ans selon le classement prévu à l'article 259quinquies .
Au terme de ces trois ans, la nomination devient définitive sauf décision contraire prise par le Roi, exclusivement sur la proposition, selon le cas, du premier président ou du procureur général, au plus tard durant le troisième trimestre de la troisième année de stage.
Le premier président de la Cour de cassation et le procureur général près cette Cour désignent de commun accord les référendaires stagiaires et les référendaires nommés à titre définitif qui sont placés sous l'autorité de l'un et ceux qui sont placés sous l'autorité de l'autre.
Art. 259septies . Les années accomplies en tant que référendaire près la Cour de cassation entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté dans une fonction administrative ou judiciaire ou dans une fonction à la Cour d'arbitrage ou au Conseil d'État que les référendaires pourraient exercer par la suite. »
Art. 6. In deel II, boek I, titel VI, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk Vter ingevoegd, luidende :
« Hoofdstuk Vter. Referendarissen bij het Hof van Cassatie
Art. 259quinquies . Om tot referendaris bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men volle vijfentwintig jaar oud zijn en doctor of licentiaat in de rechten zijn.
De kandidaten worden met het oog op hun benoeming gerangschikt op grond van een vergelijkend examen.
Het hof stelt de examenstof vast rekening houdend met de behoeften van de dienst. Het bepaalt de voorwaarden van het vergelijkend examen en stelt de examencommissies aan.
Met inachtneming van het taalevenwicht bestaat elke examencommissie uit twee leden van het hof aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, twee leden van het parket aangewezen door de procureur-generaal bij het hof en vier buiten de instelling staande personen die door de Koning worden aangewezen uit twee lijsten van vier kandidaten, elk met inachtneming van het taalevenwicht en die respectievelijk door de eerste voorzitter en de procureur-generaal voorgedragen worden.
De examenuitslag blijft drie jaar geldig.
De vergelijkende examens worden, wat de gevolgen ervan treft, gelijkgesteld met de vergelijkende examens die in de rijksbesturen en de instellingen van openbaar nut toegang verlenen tot het ambt van bestuurssecretaris-jurist.
Art. 259sexies . De referendarissen worden door de Koning benoemd voor een stage van drie jaar volgens de rangschikking bedoeld in artikel 259quinquies .
Na die drie jaar wordt de benoeming definitief tenzij de Koning, uitsluitend op voorstel van al naar het geval de eerste voorzitter of de procureur-generaal, anders beslist, ten laatste tijdens het derde kwartaal van het derde stagejaar.
De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij dit hof wijzen in onderlinge overeenstemming de referendarissen-stagiair en de definitief benoemde referendarissen aan die onder het gezag van de ene en die welke onder het gezag van de andere komen te staan.
Art. 259septies . De jaren als referendaris bij het Hof van Cassatie doorgebracht, komen in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in elke administratieve of gerechtelijke functie of in een functie bij het Arbitragehof of bij de Raad van State, die de referendarissen nadien zouden bekleden. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 7. Dans la deuxième partie, livre II, titre Ier , du même Code, l'intitulé du chapitre Ier est remplacé par l'intitulé suivant :
« Chapitre Ier . De la réception des magistrats, des référendaires près la Cour de cassation et des greffiers et de leur prestation de serment. »
Art. 7. In deel II, boek II, titel I, van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van hoofdstuk I vervangen als volgt :
« Hoofdstuk I. Installatie van de magistraten, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de griffiers en hun eedaflegging. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 8. L'article 288 du même Code est complété par l'alinéa suivant :
« La réception des référendaires près la Cour de cassation se fait devant une chambre de la Cour, présidée par le premier président, le président ou le président de section ou le conseiller qui le remplace. »
Art. 8. Artikel 288 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« De installatie van de referendarissen bij het Hof van Cassatie geschiedt voor een kamer van het hof, voorgezeten door de eerste voorzitter, de voorzitter of de afdelingsvoorzitter dan wel door de raadsheer die hem vervangt. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 9. L'article 291 du même Code est complété par l'alinéa suivant :
« Dans le cas visé à l'alinéa 1er , les référendaires près la Cour de cassation prêtent serment entre les mains du premier président de la Cour. »
Art. 9. Artikel 291 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« In het in het eerste lid bedoelde geval leggen de referendarissen bij het Hof van Cassatie de eed af in handen van de eerste voorzitter van het hof. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 10. Un article 299bis , rédigé comme suit, est inséré dans le même Code :
« Art. 299bis . Les articles 293 à 299 sont applicables aux référendaires près la Cour de cassation. »
Art. 10. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 299bis ingevoegd, luidende :
« Art. 299bis . De artikelen 293 tot 299 zijn mede van toepassing op de referendarissen bij het Hof van Cassatie. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 11. L'article 301 du même Code est complété par l'alinéa suivant :
« La même interdiction vaut pour les référendaires près la Cour de cassation. »
Art. 11. Artikel 301 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« Dat verbod geldt ook voor de referendarissen bij het Hof van Cassatie. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 12. L'article 302 du même Code est complété par ce qui suit :
« ou y accomplir les tâches de référendaire près la Cour de cassation. »
Art. 12. Artikel 302 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :
« of er de taken van referendaris bij het Hof van Cassatie vervullen. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 13. À l'article 304 du même Code, les mots « le référendaire près la Cour de cassation » sont insérés entre les mots « ministère public » et les mots « ou le juge social ».
Art. 13. In artikel 304 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « de referendaris bij het Hof van Cassatie » ingevoegd tussen de woorden « openbaar ministerie » en de woorden « of de rechter in sociale zaken ».
Adopté.
Aangenomen.
Art. 14. À l'article 305, alinéa 2, du même Code, les mots « les référendaires près la Cour de cassation » sont insérés entre les mots « tribunaux de commerce » et les mots « et les membres du greffe ».
Art. 14. In artikel 305, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « de referendarissen bij het Hof van Cassatie » ingevoegd tussen de woorden « rechtbanken van koophandel » en de woorden « en de leden van de griffie ».
Adopté.
Aangenomen.
Art. 15. À l'article 306, alinéa 2, du même Code, les mots « sur avis du premier président de la Cour de cassation, aux membres et greffiers de cette Cour » sont remplacés par les mots « sur avis du premier président de la Cour de cassation, aux membres, référendaires et greffiers de la Cour ».
Art. 15. In artikel 306, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « op advies van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, aan de leden en griffiers van dat hof » vervangen door de woorden « op advies van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, aan de leden, referendarissen en griffiers van het hof ».
Adopté.
Aangenomen.
Art. 16. À l'article 331 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
1º À l'alinéa 1er , les mots « ni référendaire » sont insérés entre le mot « magistrat » et les mots « ni membre du greffe ».
2º À l'alinéa 2, les mots « les référendaires près la Cour de cassation, sans autorisation du premier président ou du procureur général suivant qu'ils prêtent leur assistance à la Cour ou au parquet » sont insérés entre les mots « sans autorisation du procureur général » et les mots « les membres des cours d'appel ».
Art. 16. In artikel 331 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º In het eerste lid worden de woorden « een referendaris » ingevoegd tussen de woorden « een magistraat » en de woorden « of een lid van de griffie ».
2º In het tweede lid worden de woorden « de referendarissen bij het Hof van Cassatie, zonder vergunning van de eerste voorzitter of de procureur-generaal naargelang zij het hof dan wel het parket bijstaan » ingevoegd tussen de woorden « zonder vergunning van de procureur-generaal » en de woorden « de leden van het hof van beroep ».
Adopté.
Aangenomen.
Art. 17. Dans la deuxième partie, livre II, titre II, du même Code, il est inséré un chapitre VIIbis , rédigé comme suit :
« Chapitre VIIbis . Dispositions relatives aux référendaires près la Cour de cassation
Art. 353ter . Le Roi détermine les congés, les vacances et les absences pour cause d'incapacité de travail des référendaires près la Cour de cassation. Il peut déterminer une position de disponibilité et fixer le traitement d'attente qui y est attaché. »
Art. 17. In deel II, boek II, titel II, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk VIIbis ingevoegd, luidende :
« Hoofdstuk VIIbis . Bepalingen betreffende de referendarissen bij het Hof van Cassatie
Art. 353ter . De Koning bepaalt de verloven, de vakanties en de afwezigheden wegens arbeidsongeschiktheid van de referendarissen bij het Hof van Cassatie. Hij kan een regeling voor non-activiteit treffen en het daarbij uitgekeerde wachtgeld bepalen. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 18. Dans la deuxième partie, livre II, titre III, du même Code, il est inséré un chapitre Ier bis , rédigé comme suit :
« Chapitre Ier bis . Des traitements des référendaires près la Cour de cassation
Art. 365bis . Les traitements des référendaires près la Cour de cassation sont fixés comme suit :
pendant la période de stage de trois ans visée à l'article 259ter , le traitement du référendaire est identique au traitement d'un substitut du procureur du Roi conformément à l'article 355;
pendant les dix années suivantes le traitement du référendaire est identique au traitement d'un substitut du procureur général et d'un substitut général près la cour d'appel conformément à l'article 355;
à l'expiration de la treizième année, son traitement est identique au traitement d'un avocat général près la cour d'appel ou près la cour du travail.
Les articles 360, 361, 362, 363, 365 et 377 du présent Code sont applicables aux référendaires. »
Art. 18. In deel II, boek II, titel III, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk Ibis ingevoegd, luidende :
« Hoofdstuk Ibis . Wedden van de referendarissen bij het Hof van Cassatie
Art. 365bis . De wedden van de referendarissen bij het Hof van Cassatie worden bepaald als volgt :
gedurende de stage van drie jaar bedoeld in artikel 259ter is de wedde van de referendaris dezelfde als die van een substituut-procureur des Konings overeenkomstig artikel 355;
gedurende de tien daaropvolgende jaren is de wedde van de referendaris dezelfde als de wedde van een substituut-procureur-generaal en een substituut-generaal bij het hof van beroep overeenkomstig artikel 355;
na het dertiende jaar is de wedde van de referendaris dezelfde als die van een advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof.
De artikelen 360, 361, 362, 363, 365 en 377 van dit Wetboek zijn mede van toepassing op de referendarissen. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 19. Dans la deuxième partie, livre II, titre III, du même Code, l'intitulé du chapitre III est remplacé par l'intitulé suivant :
« Chapitre III. Dispositions communes aux chapitres Ier , Ier bis et II. »
Art. 19. In deel II, boek II, titel III, van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van hoofdstuk III vervangen als volgt :
« Hoofdstuk III. Gemeenschappelijke bepalingen voor de hoofdstukken I, Ibis en II. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 20. Dans la deuxième partie, livre II, titre IV, du même Code, il est inséré un chapitre IIbis , rédigé comme suit :
« Chapitre IIbis . De la mise à la retraite et de la pension des référendaires près la Cour de cassation
Art. 397bis . Les référendaires cessent d'exercer leurs fonctions et sont admis à la retraite lorsqu'ils ont atteint l'âge de soixante-cinq ans ou lorsqu'une infirmité grave et permanente ne leur permet plus de remplir convenablement leurs fonctions.
La loi générale sur les pensions civiles est applicable aux référendaires mis à la retraite. »
Art. 20. In deel II, boek II, titel IV, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk IIbis ingevoegd, luidende :
« Hoofdstuk IIbis . Pensionering en pensioen van de referendarissen bij het Hof van Cassatie
Art. 397bis . De referendarissen houden op hun ambt uit te oefenen en worden gepensioneerd wanneer zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt of wanneer zij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen.
De algemene wet op de burgerlijke pensioenen is mede van toepassing op de gepensioneerde referendarissen. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 21. Un article 402bis , rédigé comme suit, est inséré dans le même Code :
« Art. 402bis . Le premier président de la Cour de cassation et le procureur général près cette Cour exercent, chacun en ce qui le concerne, la surveillance des référendaires. »
Art. 21. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 402bis ingevoegd, luidende :
« Art. 402bis . De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij dat hof oefenen, ieder wat hem betreft, toezicht uit op de referendarissen. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 22. Dans l'article 407 du même Code, les mots « ainsi que les référendaires près la Cour de cassation » sont insérés entre les mots « ministère public » et les mots « qui s'absentent ».
Art. 22. In artikel 407 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « en de referendarissen bij het Hof van Cassatie » ingevoegd tussen de woorden « openbaar ministerie » en de woorden « die zonder verlof afwezig zijn ».
Adopté.
Aangenomen.
Art. 23. L'article 478, alinéa 1er , du même Code est remplacé par la disposition suivante :
« Art. 478. Le droit de postuler et de conclure devant la Cour de cassation appartient exclusivement, en matière civile, à des avocats qui portent le titre d'avocats à la Cour de cassation. La disposition qui précède ne s'applique pas à la partie civile en matière pénale. Le nombre des avocats, après avis de la Cour de cassation, est fixé par le Roi qui les nomme sur une liste de trois candidats, arrêtée par la Cour en assemblée générale pour chacune des places à pourvoir; l'expédition de la délibération est adressée par la Cour au ministre de la Justice. »
Art. 23. Artikel 478, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Art. 478. Voor het Hof van Cassatie kunnen in burgerlijke zaken alleen advocaten optreden en conclusies nemen, die de titel van advocaat bij het Hof van Cassatie voeren. De voorgaande bepaling geldt niet voor de burgerlijke partij in strafzaken. Het aantal advocaten wordt, na advies van het Hof van Cassatie, bepaald door de Koning, die hen benoemt uit een lijst van drie kandidaten, door het hof in algemene vergadering vastgesteld voor ieder van de te begeven plaatsen; de uitgifte van de beslissing wordt door het hof aan de minister van Justitie gezonden. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 24. Dans la deuxième partie, livre II, titre V, chapitre III, du même Code, il est inséré une section IIbis rédigée comme suit :
« Section IIbis . Dispositions concernant les référendaires près la Cour de cassation
Art. 414bis . § 1er . Les référendaires près la Cour de cassation peuvent être suspendus ou révoqués pour motifs disciplinaires par la Cour soit d'office, soit sur réquisition du procureur général près la Cour.
Le premier président et le procureur général peuvent, chacun en ce qui le concerne, leur appliquer les peines de l'avertissement, de la censure simple et de la censure avec réprimande.
§ 2. Aucune sanction n'est infligée sans que la personne concernée ait été entendue ou dûment appelée.
§ 3. Lorsqu'ils sont poursuivis pour un crime ou un délit ou dans le cas de poursuite disciplinaire, les référendaires peuvent, lorsque l'intérêt du service le requiert, être suspendus de leur fonction par mesure d'ordre par la Cour de cassation, pendant la durée des poursuites et jusqu'à la décision finale.
La suspension par mesure d'ordre est prononcée pour un mois et peut être prorogée de mois en mois jusqu'à la décision définitive. La Cour de cassation peut décider que cette mesure comportera, pendant tout ou partie de sa durée, retenue provisoire, totale ou partielle du traitement. »
Art. 24. In deel II, boek II, titel V, hoofdstuk III, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling IIbis ingevoegd, luidende :
« Afdeling IIbis . Bepalingen betreffende de referendarissen bij het Hof van Cassatie
Art. 414bis . § 1. De referendarissen bij het Hof van Cassatie kunnen door het hof om tuchtredenen worden geschorst of afgezet, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de procureur-generaal bij het hof.
De eerste voorzitter en de procureur-generaal kunnen, ieder wat hem betreft, de referendarissen als straf opleggen waarschuwing, enkele censuur en censuur met berisping.
§ 2. Geen deze straffen mag worden toegepast zonder dat de betrokkene eerst gehoord of behoorlijk opgeroepen is.
§ 3. Worden zij vervolgd wegens misdaad of wanbedrijf of op tuchtrechtelijk gebied, dan kunnen de referendarissen, wanneer het belang van de dienst zulks vergt, bij ordemaatregel door het Hof van Cassatie in hun ambt geschorst worden, zolang de vervolging duurt en totdat de eindbeslissing gevallen is.
De schorsing bij ordemaatregel wordt uitgesproken voor de tijd van één maand en kan daarna van maand tot maand verlengd worden, totdat een eindbeslissing intreedt. Het Hof van Cassatie is bevoegd te beslissen dat deze schorsing voorlopige, algehele of gedeeltelijke inhouding van wedde meebrengt, zolang de straftijd of een gedeelte van de straftijd loopt. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 25. Un article 1105bis , rédigé comme suit, est inséré dans le même Code :
« Art. 1105bis . § 1er . Lorsque la solution du pourvoi paraît s'imposer, le président de la chambre peut, sur proposition du conseiller rapporteur et après avis du ministère public, soumettre la cause à une chambre restreinte de trois conseillers.
§ 2. Cette chambre restreinte statue à l'unanimité sur le pourvoi.
À défaut d'unanimité ou si l'un des magistrats qui la composent le demande, elle doit renvoyer l'examen du pourvoi à la chambre composée de cinq conseillers. »
Art. 25. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1105bis ingevoegd, luidende :
« Art. 1105bis . § 1. Wanneer de beslissing in verband met het cassatieberoep blijkbaar voor de hand ligt, kan de voorzitter van de kamer, op voorstel van de raadsheer-verslaggever en na advies van het openbaar ministerie, de zaak voorleggen aan een beperkte kamer met drie raadsheren.
§ 2. Die beperkte kamer beslist eenparig op het beroep.
Indien er geen eenparigheid is of indien een van de magistraten van die beperkte kamer het vraagt, moet zij het onderzoek van het beroep naar de kamer samengesteld uit vijf raadsheren verwijzen. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 26. À l'article 425 du Code d'instruction criminelle, modifié par la loi du 20 juin 1953, les mots « Néanmoins, la partie civile ne pourra y déposer de mémoire sans le ministère d'un avocat à la Cour de cassation. » sont supprimés.
Art. 26. In artikel 425 van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij de wet van 20 juni 1953, worden de woorden « De burgerlijke partij kan er evenwel geen memorie indienen dan door tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie. » geschrapt.
Adopté.
Aangenomen.
Art. 27. Dans les articles 479 et 483 du même Code, modifiés par les lois des 10 octobre 1967, 3 juin 1971 et 28 juin 1983, les mots « un référendaire près la Cour de cassation » sont insérés entre les mots « ou une cour » et les mots « un membre de la Cour des comptes ».
Art. 27. In de artikelen 479 en 483 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 oktober 1967, 3 juni 1971 en 28 juni 1983, worden de woorden « een referendaris bij het Hof van Cassatie » ingevoegd tussen de woorden « of een hof » en de woorden « een lid van het Rekenhof ».
Adopté.
Aangenomen.
De voorzitter. De heer Loones stelt voor een artikel 27bis (nieuw) in te voegen, dat luidt :
« Art. 27bis. Artikel 43quater, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt vervangen door het volgende lid :
« Veertig procent van de magistraten van de zetel van het Hof van Cassatie en veertig procent van de leden van het parket bij dit Hof moet, door het diploma, bewijzen de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten in het Frans te hebben afgelegd; zestig procent van de leden van het Hof en van het parket moet, door het diploma, bewijzen de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten in het Nederlands te hebben afgelegd.»
« Art. 27bis. L'article 43quater, premier alinéa, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire est remplacé par l'alinéa suivant :
« À la Cour de cassation, quarante pour cent des magistrats du siège et quarante pour cent des membres du parquet doivent justifier par leur diplôme qu'ils ont subi les examens de docteur ou de licencié en droit en langue française; soixante pour cent des membres du siège et du parquet doivent justifier par leur diplôme qu'ils ont subi les examens de docteur ou de licencié en droit en langue néerlandaise. »
De stemming over het amendement wordt aangehouden.
Le vote sur l'amendement est réservé.
Art. 28. À l'article 43quater , alinéa 3, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, il est ajouté la phrase suivante :
« Un membre du siège et un membre du parquet doivent justifier de la connaissance de la langue allemande. »
Art. 28. Aan artikel 43quater , derde lid, van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, wordt de volgende volzin toegevoegd :
« Een lid van de zetel en een lid van het parket moeten het bewijs leveren van de kennis van de Duitse taal. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 29. Un article 43sexies , rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
« Art. 43sexies . Le nombre de référendaires près la Cour de cassation qui, par leur diplôme de docteur ou de licencié en droit, doivent justifier respectivement de la connaissance de la langue française et de la langue néerlandaise, est déterminé par la Cour suivant les besoins du service.
Tous les référendaires doivent justifier de la connaissance de l'autre langue par un examen spécial. Cet examen est subi devant un jury composé de la manière prévue à l'article 43quinquies . Le Roi règle l'organisation de l'examen et en détermine la matière en tenant compte des exigences inhérentes aux tâches des référendaires.
Un référendaire doit, en outre, justifier de la connaissance de la langue allemande par un examen spécial organisé conformément à l'alinéa 2. »
Art. 29. In dezelfde wet wordt een artikel 43sexies ingevoegd, luidende :
« Art. 43sexies . Het aantal referendarissen bij het Hof van Cassatie die door een diploma van doctor of licentiaat in de rechten het bewijs moeten leveren van de kennis van respectievelijk de Nederlandse en de Franse taal, wordt door het hof vastgesteld naar gelang van de behoeften van de dienst.
Alle referendarissen moeten via een bijzonder examen het bewijs leveren van de kennis van de andere landstaal. Dit examen wordt afgelegd voor een examencommisie samengesteld op de wijze voorgeschreven door artikel 43quinquies . De Koning regelt de organisatie van het examen en stelt de examenstof vast rekening houdend met de behoeften eigen aan het werk van de referendarissen.
Eén referendaris moet bovendien het bewijs leveren van de kennis van de Duitse taal via een bijzonder examen georganiseerd overeenkomstig het tweede lid. »
Adopté.
Aangenomen.
M. le président. L'article 30 est rédigé comme suit :
Art. 30. Dans le tableau I, intitulé « Cour de cassation », modifié par les lois des 25 février 1954, 25 juin 1964, 10 novembre 1970 et 2 juillet 1974, annexé à la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire, les troisième, cinquième, huitième et neuvième colonnes sont remplacées par les colonnes suivantes :
conseillers : 28;
avocats généraux : 12;
greffiers : 6;
commis-greffiers : 4.
Art. 30. In tabel I, met als opschrift « Hof van Cassatie », gewijzigd bij de wetten van 25 februari 1954, 25 juni 1964, 10 november 1970 en 2 juli 1974, gevoegd bij de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, worden de derde, de vijfde, de achtste en de negende rubriek vervangen door de volgende rubrieken :
raadsheren : 28;
advocaten-generaal : 12;
griffiers : 6;
klerk-griffiers : 4.
De heer Loones stelt volgend amendement voor :
« In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Het getal « 28 » na het woord « raadsheren » vervangen door het getal« 30 »,
B. Het getal « 12 » na het woord « advocaten-generaal » vervangen door het getal « 14. »
« À cet article apporter les modifications suivantes :
A. Après le mot « Conseillers » remplacer le chiffre « 28 » par le chiffre « 30 »,
B. Après les mots « Avocats généraux », remplacer le chiffre « 12 » par le chiffre « 14. »
De stemming over het amendement en de stemming over artikel 30 worden aangehouden.
Le vote sur l'amendement et le vote sur l'article 30 sont réservés.
Art. 31. À l'article 70, § 2, des lois sur le Conseil d'État, coordonnées le 12 janvier 1973, un alinéa nouveau, libellé comme suit, est inséré après l'alinéa 1er :
« Pour l'application de l'alinéa précédent, les fonctions de référendaire près la Cour de cassation sont assimilées à des fonctions dont l'exercice constitue une expérience professionnelle utile de nature juridique au sens de cet alinéa. »
Art. 31. In artikel 70, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 13 januari 1973, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidende :
« Voor de toepassing van het vorige lid wordt het ambt van referendaris bij het Hof van Cassatie gelijkgesteld met de ambten waarvan de uitoefening een nuttige juridische beroepservaring oplevert in de zin van dat lid. »
Adopté.
Aangenomen.
Art. 32. À l'article 71, § 1er , des mêmes lois coordonnées, un alinéa nouveau, libellé comme suit, est inséré après l'alinéa 2 :
« Pour l'application de l'alinéa précédent, les fonctions de référendaire près la Cour de cassation sont assimilées à des fonctions dont l'exercice constitue une expérience professionnelle utile de nature juridique au sens de cet alinéa. »
Art. 32. In artikel 71, § 1, van dezelfde gecoördineerde wetten wordt na het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, luidende :
« Voor de toepassing van het vorige lid wordt het ambt van referendaris bij het Hof van Cassatie gelijkgesteld met de ambten waarvan de uitoefening een nuttige juridische beroepservaring oplevert in de zin van dat lid. »
Adopté.
Aangenomen.
De voorzitter. De aangehouden stemmingen en de stemming over het geheel van het wetsontwerp hebben later plaats.
Il sera procédé ultérieurement aux votes réservés ainsi qu'au vote sur l'ensemble du projet de loi.