1-120 | 1-120 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCES DU MERCREDI 25 JUIN 1997 |
VERGADERINGEN VAN WOENSDAG 25 JUNI 1997 |
De voorzitter. Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Hostekint aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.
Het woord is aan de heer Hostekint.
De heer Hostekint (SP). Mijnheer de voorzitter, de tragische dood van het Marokkaanse meisje Loubna Benaissa en haar begrafenis op 9 maart 1997 toonden de noodzaak aan van aparte begraafplaatsen voor islamieten in België. Het werd de bevolking duidelijk dat de meeste in België wonende moslims na hun dood nog steeds worden gerepatrieerd naar hun land van oorsprong om daar volgens de riten van hun geloof begraven te worden. De repatriëring van overleden moslims is bovendien, zo blijkt, voor een aantal banken, verzekeringsmaatschappijen en gespecialiseerde begrafenisondernemers een flinke bron van inkomsten.
De vraag of het in België mogelijk is voor islamieten of voor andere geloofsgemeenschappen aparte begraafplaatsen in te richten, werd ook op het beleidsniveau gesteld, zowel op federaal vlak als op het vlak van de gemeenschappen. Diverse federale en regionale ministers achtten zichzelf bevoegd. Op Vlaams vlak leidde dit onder meer tot een gezamenlijke omzendbrief van de Vlaamse ministers Wivina Demeester en Leo Peeters aan de provinciegouverneurs en colleges van burgemeester en schepenen.
Deze summiere omzendbrief bepaalt onder meer dat het mogelijk is « overeenkomstig het beginsel van de gemeentelijke autonomie, binnen de bestaande begraafplaatsen schikkingen te treffen ten einde rekening te houden met alle in België erkende godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuigingen ». Tegelijk staat in dit gezamenlijk rondschrijven dat de aanwezigheid van symbolen en de uitvoering van rituelen moet worden beperkt tot de individuele graven. Concreet houdt dit in dat volledig aparte begraafplaatsen eigenlijk niet kunnen.
Op die manier is de omzendbrief een compromis tussen de twee principiële visies op deze materie. De moslimgemeenschap, bij monde van de moslim-executieve van België, beroept zich op het respect voor elkaars doden als middel tot integratie en als hoeksteen van een democratische, verdraagzame samenleving. Deze visie sluit bovendien aan bij de godsdienstvrijheid die door de Grondwet wordt gewaarborgd en die ook het recht omvat om doden volgens de riten van de eigen godsdienst te begraven. Voor moslims betekent dit dat zij op hun eigen begraafplaatsen met een aparte ingang moeten liggen. De overledenen moeten in de richting van Mekka worden begraven en grafmonumenten en ornamenten zijn verboden. Een fundamenteel punt is ook de eeuwige rust van de overledenen. Het graf moet dus voor eeuwig eigendom van de begravene zijn en kan dus niet aan tijdelijke concessies worden onderworpen.
Tegenover deze visie staat het idee, zoals geformuleerd in de Grondwet, dat iedereen gelijk is voor de wet en dat begraafplaatsen bijgevolg publieke plaatsen zijn, die voor iedereen, ongeacht godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, toegankelijk dienen te zijn. De wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging is in die geest opgesteld. De wet gaat uit van de bekommernis om voor alle erkende erediensten en levensbeschouwingen, zonder discriminatie, de eerbied voor de overledenen maximaal te doen respecteren.
De grondwettelijke gelijkheid van alle burgers voor de wet lijkt hier dus te botsen met een ander grondwettelijk recht, dat van de godsdienstvrijheid.
Een duidelijke houding van de minister en van andere beleidsverantwoordelijken is dringend gewenst. De noodzaak aan eigen begraafplaatsen voor moslims of andere geloofsgroepen zal in de toekomst nog groter worden. Migranten van de tweede en derde generatie zullen immers alleen hier willen worden begraven, aangezien zij enkel België als vaderland hebben gekend.
Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding stelt een soepele interpretatie voor van artikel 16 van de wet van 20 juli 1971. Dit artikel bepaalt dat in uitzonderlijke gevallen privé-begraafplaatsen voor specifieke groepen kunnen worden ingericht. Nu vallen enkel de gesloten kloostergemeenschappen en de koninklijke familie onder deze uitzonderingsbepaling, maar die zou bijvoorbeeld kunnen worden uitgebreid tot de moslimgemeenschap in ons land.
Het centrum gaf tevens aan grondwetspecialist, professor Delpérée, de opdracht een advies te formuleren over het begrip « neutraliteit ». Die kwam tot het besluit dat « neutraliteit » onder meer inhoudt dat alle mensen het recht hebben begraven te worden in omstandigheden die de vrijheid van eredienst voor henzelf en voor hun familie vrijwaren. Een aparte begraafplaats voor moslims kan dus niet op grondwettelijke bezwaren stuiten.
De regering is van oordeel dat het federale Parlement zich dient uit te spreken over de concrete toepassing van het begrip « neutraliteit » op de problematiek van de begraafplaatsen. De reeds vermelde omzendbrief van de Vlaamse ministers Demeester en Peeters schept geen duidelijkheid. Daarnaast is er ook nog het principe van de gemeentelijke autonomie waarop elke gemeente zich zou kunnen beroepen om eigen initiatieven uit te werken.
Dit alles lijkt een duidelijke en eenvormige oplossing niet bepaald in de hand te werken. Ondertussen blijft de islamitische gemeenschap in ons land, vooral na het tragische lot van Loubna Benaissa, met de fundamentele vraag zitten of zij hun doden ooit in België zullen kunnen begraven volgens hun eigen geloofsovertuiging, en zo ja, waar en in welke omstandigheden.
Graag had ik in dat verband de vice-eerste minister een aantal vragen willen stellen.
De regering besliste het vraagstuk van de moslimbegraafplaatsen over te laten aan het Parlement. Vereist dit een nieuw wetgevend initiatief of volstaat het de bestaande wetgeving soepeler te interpreteren ? Hoever reikt de eigen bevoegdheid van de gemeenten inzake de inrichting van begraafplaatsen ? Een initiatief van de gemeente Schaarbeek om een apart perceel voor moslims in te richten op de gemeentelijke begraafplaats werd vorig jaar immers door de hogere overheden niet aanvaard. In welke mate kunnen de gemeenten hun eigen interpretatie geven aan de wet van 20 juli 1971 ?
Een van de knelpunten inzake moslimbegraafplaatsen is het verbod op eeuwigdurende concessies. In de islamitische traditie moet de dode eeuwige rust kunnen genieten. Hier zijn twee oplossingen mogelijk : ofwel zien de islamtheologen af van de regel dat graven eeuwig moeten zijn, ofwel wordt de eeuwige concessie afgeschaft door de wet van 21 juli 1971 weer ingevoerd. Welke houding neemt de regering hieromtrent aan ?
Ten slotte, hoe zijn de bevoegdheden inzake begraafplaatsen precies verdeeld tussen het federaal en het regionaal niveau ?
De voorzitter . Het woord is aan vice-eerste minister Vande Lanotte.
De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. Mijnheer de voorzitter, in de eerste plaats wil ik een onderscheid maken tussen wat enerzijds naar mijn oordeel grondwettelijk kan, en wat anderzijds volgens de gewone wet mogelijk is en opportuun.
Het advies van professor Delpérée zegt volgens mij wat anders dan wat de heer Hostekint en anderen erin zien. De professor zegt, mijns inziens terecht, dat, wanneer men op een begraafplaats een plek reserveert voor een specifieke categorie, in casu moslims, iedereen die daar toegang toe wenst die ook moet krijgen. Ook moeten volgens hem de wettelijke bepalingen inzake hygiëne en volksgezondheid door iedereen op eenzelfde manier worden gerespecteerd. Bijgevolg, als een gemeente een begraafplaats reserveert voor moslims en de graven naar Mekka laat richten, dan mag die plaats enigszins, maar ook weer niet te veel worden afgesloten.
Bovendien mag geen enkele instantie controle uitoefenen op de echtheid van de religieuze overtuiging van de personen die toegang willen hebben tot deze begraafplaats. De kerkelijke overheid heeft dus geen controlerecht. Dat is een zeer belangrijk element, omdat het idee van een aparte moslimbegraafplaats daardoor in feite wordt ondergraven. Moslims willen immers zuivere grond, die niet onrein gemaakt wordt door andersgelovigen. Er is dus zeker een probleem wanneer iedereen die zegt moslim te zijn zich daar kan laten begraven. Dat is volgens mij de correcte weergave van het advies van professor Delpérée.
Dan is er nog het probleem van de eeuwigdurende concessie en dat van de bekisting. De eeuwigdurende concessie wordt ofwel aan iedereen ofwel aan niemand toegekend. In moslimlanden wordt de dode in een wit gewaad gewikkeld en zonder kist begraven. In België is een kist voorgeschreven. Samengevat zegt professor Delpérée dat een begraafplaats zo kan worden ingericht dat de leden van de verschillende religieuze gemeenschappen er begraven kunnen worden, dat er geen controle kan zijn van een kerkelijke overheid en dat op de plaats die aan de moslims wordt voorbehouden het hoofd naar Mekka wordt gericht. Een afwijking van de wettelijke bepalingen inzake hygiëne en volksgezondheid sluit hij echter uit.
Ik heb het advies van professor Delpérée in het weekend heel gedetailleerd onderzocht en moet daaruit besluiten dat hij de stellingen van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding niet onderschrijft, ook al denkt het centrum daar anders over.
Wat de eeuwigdurende concessie betreft en de vraag of die opnieuw moet worden ingevoerd en voor iedereen moet gelden, meen ik dat het beter is, rekening houdend met overwegingen inzake ruimtelijke ordening en volksgezondheid de eeuwigdurende concessie niet opnieuw in te voeren.
Wat de vereiste van het kisten betreft, meen ik dat wij die moeten behouden, maar op dat vlak rijzen er minder problemen.
Op de vraag waarover de gemeenten kunnen beslissen, moet ik antwoorden dat ze enkel beslissingen kunnen nemen binnen het wettelijk kader en dus geen afwijking kunnen toestaan op de regeling inzake de eeuwigdurende concessie of inzake het kisten. Zij kunnen wel hun begraafplaatsen zo inrichten dat de graven naar Mekka zijn gericht. Als zij een afzonderlijk perceel voor bepaalde geloofsgroepen voorbehouden, kunnen ze geen zuiverheidsgaranties bieden, omdat zo'n maatregel een religieus karakter heeft.
Het federale niveau is bevoegd voor de regelgeving inzake begraafplaatsen, het gewestelijke niveau is belast met het toezicht op de gemeenten. Er bestaat een uitzondering voor privé-begraafplaatsen. Deze uitzondering is echter alleen bedoeld voor kloosters. Sommigen hebben verkeerdelijk gedacht dat men via deze uitzondering voor de moslimgemeenschap aparte begraafplaatsen kon inrichten.
Tot daar de neutrale en objectieve verklaring van wet en grondwet. Laten we het probleem nu maatschappelijk bekijken. Ook daar duiken er twee tendenzen op. Sommigen menen dat met de creatie van aparte begraafplaatsen de moslims hier zullen worden begraven waardoor de moslimgemeenschap zich beter zal integreren. Deze factor speelt ongetwijfeld een rol.
Ik wil echter waarschuwen voor het deseculariseren van een materie die pas na eindeloze discussies werd geseculariseerd. Begraafplaatsen waren eeuwenlang een godsdienstige aangelegenheid. Pas op het einde van de negentiende eeuw vond men dat begraafplaatsen uit de religieuze sfeer moesten worden gehaald. Men ging er vanuit dat eenmaal iemand gestorven was, er geen oordeel meer mocht worden geveld over het feit of de overledene een goed lid was geweest van een religieuze gemeenschap. Begraafplaatsen werden aldus geseculariseerd. Met de creatie van aparte moslimbegraafplaatsen zou dit nog niet zo lang verworven principe worden ondergraven.
Overigens denk ik niet dat aparte begraafplaatsen de integratie vooruithelpt. Integratie wordt volgens mij niet gerealiseerd door toe te geven inzake de hoofdprincipes van onze seculiere maatschappij. Volgens deze principes heeft iedereen recht op godsdienstvrijheid, maar moet het overheidsoptreden voor iedereen, ongeacht het geloof, hetzelfde zijn.
Dat is natuurlijk in strijd met de kern van het moslimgedachtengoed dat wil dat de overheid aan de moslims een eigen statuut geeft dat verschillend is van dat van de niet-moslims. Zo een aparte regeling raakt aan de essentie van onze staatsinrichting. Ik wil de maatschappelijke discussie hierover zo sereen mogelijk voeren, maar ik twijfel eraan, in tegenstelling tot het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, dat aparte begraafplaatsen een stap zijn in de richting van verdere integratie. Ik zie daarin eerder een mogelijkheid tot segregatie en een terugkeer naar een niet-seculiere maatschappij, wat niet aan mijn maatschappij-ideaal beantwoordt.
De voorzitter. Het woord is aan de heer Hostekint.
De heer Hostekint (SP). Mijnheer de voorzitter, de vice-eerste minister maakt het onderscheid tussen enerzijds de interpretatie van de wet en de Grondwet en anderzijds het maatschappelijk debat. Als ik de vice-eerste minister goed heb begrepen, kunnen de gemeenten aparte begraafplaatsen inrichten voor geloofsgemeenschappen die daarom verzoeken, op voorwaarde dat ze voor iedereen toegankelijk zijn, dat er geen controle is door de religieuze overheid en dat de wettelijke reglementering wordt gerespecteerd. De vraag is natuurlijk hoe de islamitische gemeenschap hierop zal reageren.
De wetgeving inzake het kisten en de eeuwigdurende concessie kan eventueel worden aangepast, maar de vice-eerste minister laat verstaan dat hij daartoe niet geneigd is. De volgende generaties migranten zullen met dit probleem van begraafplaatsen steeds meer worden geconfronteerd. In tegenstelling tot de algemeen gangbare opvatting, die is ingegeven door bepaalde toestanden vooral in de grote steden, hebben heel wat migranten zich perfect geïntegreerd in onze samenleving. Ze hebben voor een groot stuk onze gewoonten overgenomen, enkel hun geloofsovertuiging hebben ze meestal behouden, maar dat is een grondwettelijk recht.
De vice-eerste minister heeft het regeringsstandpunt geformuleerd. Hoe kan dit verzoend worden met de standpunten van de religieuze overheid van de moslims ? Zijn er besprekingen met de islamitische overheid gepland ?
De voorzitter. Het woord is aan de vice-eerste minister Vande Lanotte.
De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. Mijnheer de voorzitter, er zijn inderdaad besprekingen gepland, wat logisch is naar aanleiding van een wetsontwerp. De vraag is natuurlijk in welke mate het wetsontwerp zal worden aangepast rekening houdend met het feit dat het om een grondwetmaterie gaat. Ik denk dat de executieve van de moslimgemeenschap zich ervan bewust is dat ons standpunt over de eeuwige concessie en de bekisting niet zal wijzigen. Het grote probleem is dat wij een aparte begraafplaats slechts mogelijk achten indien iedereen zonder controle van een religieuze overheid wordt toegelaten. Hier komt immers het grondwettelijke beginsel van de scheiding van kerk en Staat ter sprake. De enige oplossing is dan ook dat de moslimgemeenschap dit aanvaardt. Het is geen kwestie waarover men een compromis kan sluiten, het gaat om een basisbeginsel dat men moet aanvaarden. Wij moeten duidelijk maken dat het niet om een offensieve actie gaat, maar wij moeten vooral uitleggen waarom wij ons standpunt aanhangen en wat de geschiedkundige oorsprong ervan is. Wij kunnen echter weinig toegevingen doen omdat het om een basisbeginsel gaat. Natuurlijk heeft een afgescheiden begraafplaats minder zin wanneer iedereen er toegang tot heeft.
De voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.