1-84 | 1-84 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCES DU JEUDI 9 JANVIER 1997 |
VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 9 JANUARI 1997 |
De voorzitter. Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Loones aan de eerste minister over « de gemeentelijke kiesrechten voor burgers van de Europese Unie ».
Het woord is aan de heer Loones.
De heer Loones (VU). Mijnheer de voorzitter, het is reeds de tweede maal dat de vice-eerste minister de gelegenheid krijgt om te antwoorden op vragen over deze problematiek. Er zijn immers diverse interpellaties over dit onderwerp gehouden. Mijn vraag sluit aan bij de interpellatie van de heer Van Vaerenbergh in het Vlaams Parlement en die van de heer Olaerts in de Kamer. De vice-eerste minister heeft in de Kamer reeds een antwoord gegeven. Daarom wilde ik vandaag in de Senaat de premier om uitleg vragen over zijn houding in deze materie.
In 1974 beslisten de regeringsleiders en staatshoofden op de Europese Top te Parijs tot de instemming van « bijzondere rechten » inzake de gemeentelijke kiesrechten in te stellen. Twintig jaar later werd er een begin gemaakt met de besluitvorming terzake. Eerst werden de burgerschapsbepalingen in de Europese verdragen ingevoegd en daarna werd een richtlijn inzake de gemeentelijke kiesrechten voor burgers van de Europese Unie aangenomen.
De heer Moens, ondervoorzitter, treedt als voorzitter op
Deze materie werd toen zeer intens besproken, met als resultaat dat er een aantal afwijkingsregelingen werden bedongen. Voor Vlaanderen zijn die belangrijk, gelet op de hele problematiek van Brussel en de Vlaamse randgemeenten.
Eind vorig jaar had de omzetting van de richtlijn in de eigen wetgeving klaar moeten zijn. Maar tot op vandaag is er nog grote onduidelijkheid, niet alleen over de wetgevende initiatieven zelf, maar ook over de eigenlijke bedoelingen van de federale regering. De Europese Commissie heeft ons land reeds aangemaand deze materie te regelen. Met een dreigend rechtsgeding voor het Europees Hof van Justitie voor ogen, werd in het Vlaams Parlement en in de Kamer geïnterpelleerd. Deze interpellaties hebben geen antwoorden opgeleverd.
De vice-eerste minister heeft in de Kamer gesteld dat de interpellatie voorbarig was, waarbij hij verwees naar de hangende grondwetsherziening in de Senaat. Ik heb daarstraks de gelegenheid gehad om met de vice-eerste minister te praten en ik heb begrepen dat het zijn bedoeling is om de koppeling van het kiesrecht aan de nationaliteit te deconstitutionaliseren.
De vice-eerste minister heeft verder toegegeven dat er een fout is gebeurd bij de goedkeuring van het Verdrag van Maastricht. Eerst had men de Grondwet moeten wijzigen. Deze opmerking werd toen reeds gemaakt, maar de regering beweerde dat de herziening ook achteraf kon plaatsvinden. Hiermee ging zij voorbij aan een spoedadvies van de Raad van State.
De materie is opnieuw actueel geworden door een aantal moties die in verschillenbde gemeenten onder impuls van het Overlegcentrum voor de Vlaamse Verenigingen en van de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant werden aangenomen en waarin een uitgebreid eisenprogramma is opgenomen, waarvan de vice-eerste minister ongetwijfeld reeds kennis heeft genomen. Vandaar een aantal vragen.
Ten eerste, hoever staat de regering met de omzetting van de richtlijn, die spoedig moet gebeuren ? Zal hierbij rekening worden gehouden met de diverse moties die werden goedgekeurd door een aantal gemeenten in de provincie Vlaams-Brabant en door het Vlaams Parlement ? Ik denk in dit verband aan de mogelijkheid van een verblijfsvereiste, die intussen reeds in de wetgeving van verschillende deelstaten van Duitsland is ingevoerd en waardoor het kiesrecht wordt gekoppeld aan de duur van het verblijf.
Ten tweede, hoever staat het met de plannen van de federale regering met betrekking tot de regionalisering van de organieke gemeentewetgeving, zoals overeengekomen in het Sint-Michielsakkoord.
Ten derde, zal er werk worden gemaakt van de aangekondigde grondwetsherziening inzake de koppeling van de kiesrechten aan de nationaliteit ? Wat is de mening van de vice-eerste minister over een « open » grondwetsherziening, waardoor vreemdelingen van buiten de Europese Unie stemrecht zouden kunnen krijgen op basis van een gewone wet of van een decreet ?
Ten vierde, wat is het standpunt van de vice-eerste minister over de verruiming van de Vlaamse afwijkingsregeling ? Zal hij contact opnemen met de Vlaamse, respectievelijk Franstalige Gemeenschap met betrekking tot de begeleidende maatregelen ? Welke waarborgen zullen worden ingebouwd inzake de politieke vertegenwoordiging van de Brusselse Vlamingen in raden en colleges in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ?
Ten vijfde, zullen in de wetgeving bepalingen worden opgenomen om uitvoerende functies, zoals het mandaat van schepen, het voorzitterschap of zelfs het lidmaatschap van een OCMW, voor te behouden aan de eigen onderdanen ?
Ten zesde, is het mogelijk de belastingplicht te verbinden aan het kiesrecht ?
Ten zevende, wat is het standpunt van de vice-eerste minister over de discriminatie die voorvloeit uit de opkomstplicht voor de eigen onderdanen en de feitelijke opkomstvrijheid voor de burgers uit andere staten ? Bestaat de mogelijkheid een taalvoorwaarde op te leggen en deze te verbinden aan het kiesrecht ? Wat zal er in dat geval gebeuren met het onweerlegbaar vermoeden van taalkennis dat in onze zo geroemde pacificatiewetgeving voor bepaalde gemeenten is ingevoerd ?
Mijnheer de voorzitter, dit is een veelheid aan vragen, maar men kan niet beweren dat men nog niet de tijd heeft gehad hierover na te denken. Ik hoop dan ook vandaag antwoord te krijgen. Het is wellicht een voordeel dat de vice-eerste minister en niet de eerste minister zal antwoorden, want uit zijn mond zullen wij eerder vernemen hoe de eerste minister erover denkt dan indien deze laatste zelf zou antwoorden.
De voorzitter. Het woord is aan de heer Boutmans.
De heer Boutmans (Agalev). Mijnheer de voorzitter, de vragen die de heer Loones heeft gesteld, houden verband met de noodzakelijke herziening van artikel 8 van de Grondwet. Nu wij verplicht zijn een beslissing te nemen, worden wij opnieuw geconfronteerd met de noodzaak om voor een grote groep burgers die in ons land, vooral in de grotere steden woont, een minimum aan politieke rechten in te schrijven of alleszins mogelijk te maken, te weten het recht om op gemeentelijk niveau deel te nemen aan de verkiezingen.
Het probleem is nog geaccentueerd doordat wij in elk geval verplicht zijn aan Europese staatsburgers gemeentelijk stemrecht toe te kennen, terwijl zij zeer vaak wegens hun status geen belastingen betalen in ons land. Andere burgers van vreemde origine die soms al twintig of vijfentwintig jaar in hun gemeente wonen en normaal belastingen betalen, hebben dan weer geen gemeentelijk stemrecht. Dit is onaanvaardbaar.
Bovendien zal er, zoals daarstraks ook reeds werd aangehaald, zeker in Brussel, maar ongetwijfeld ook in andere steden, virulent campagne worden gevoerd tegen bepaalde minderheidsgroepen, die in sommige gemeenten zeer groot zijn. Nu al zien wij een campagne aankomen in het teken van de vreemdelingenhaat, terwijl een belangrijk deel van de bevolking tegen wie deze campagne is gericht, zich niet kan verdedigen en geen enkel politiek weerwerk kan bieden. Ook om die reden staan wij voor de politieke noodzaak om over dit probleem ernstig na te denken.
Daarom zijn wij voorstander van een wijziging van artikel 8, zodat de wetgever de mogelijkheid krijgt om, op het ogenblik dat stemrecht moet worden verleend aan onderdanen van de Lid-Staten van de Europese Unie, al dan niet onder bepaalde modaliteiten, stemrecht te verlenen aan onderdanen van landen buiten de Europese Unie die aan bepaalde verblijfsvoorwaarden voldoen. Dat is de enige mogelijkheid om het debat open te houden. Indien wij het nu niet doen, gaan wij opnieuw een periode van vier jaar in waarin artikel 8 niet kan worden gewijzigd. Dan zitten wij al een heel eind in de 21e eeuw alvorens het probleem opnieuw kan worden besproken, terwijl het nochtans zeer dringend aan de orde is.
Indien ik collega Loones goed heb begrepen, dan heeft de minister hem privé gezegd dat hij een open grondwetswijziging van artikel 8 overweegt. Ik hoop dan ook dat de vice-minister publiek zal bevestigen dat dit het regeringsstandpunt is. (Applaus.)
De voorzitter. Het woord is aan de heer Anciaux.
De heer Anciaux (VU). Mijnheer de voorzitter, vanzelfsprekend sluit ik mij aan bij wat mijn fractievoorzitter reeds heeft uiteengezet. Ik wil echter een bijkomende vraag stellen. Tot op heden is het standpunt van de Volksunie en er is geen reden om dit te veranderen dat stemrecht gekoppeld moest blijven aan nationaliteit en dat tegelijk het verwerven van de Belgische nationaliteit vlotter en eenvoudiger zou moeten verlopen, weliswaar gekoppeld aan een aantal voorwaarden, zoals collega Loones reeds heeft gezegd.
Vandaag worden wij geconfronteerd met het feit dat door de verplichting gemeentelijk stemrecht te verlenen aan onderdanen van de Europese Unie de band tussen stemrecht en nationaliteit verbroken is. Dit leidt tot echt oneerlijke toestanden. Het komt immers vaak voor dat goed geïntegreerde vreemdelingen geen stemrecht zullen hebben, terwijl andere vreemdelingen die helemaal niet de wens of de wil hebben om zich te integreren of in te zetten in onze samenleving, wel stemrecht krijgen. Dit is een menselijk probleem dat ik even wilde benadrukken en aan de minister wilde voorleggen.
De voorzitter. Het woord is aan de heer Verreycken.
De heer Verreycken (Vl. Bl.). Mijnheer de voorzitter, wat ik ga zeggen, sluit niet meteen aan bij de uiteenzetting van de interpellant, maar zeker wel bij de spreker die na hem is gekomen. Het is een rare situatie dat degenen die artikel 8 van de Grondwet verdedigen, ervan worden beschuldigd zich te richten tegen een bepaalde groep. Dat is vreemd, want wij zeggen alleen maar dat kiesrecht of kiesplicht moet voorbehouden blijven aan wie de Belgische nationaliteit heeft. Zo staat het in de Grondwet en wij verdedigen die. Indien zij moet worden gewijzigd, zal ik hier in de Senaat daarover opmerkingen maken, samen met mijn fractiegenoten, die daartoe democratisch zijn gelegitimeerd. Ik begrijp dan ook niet goed waarom wij op een of andere manier, en onderhuids, met de vinger moeten worden gewezen omdat er bepaalde campagnes worden gevoerd of omdat wij de toepassing van bepaalde wetten eisen.
Zowel daarstraks tijdens de mondelinge vragen, als daarnet werd verwezen naar of gealludeerd op een campagne in Brussel die zeer xenofobe trekken zou hebben. Ik vermoed dat hiermee de Nolscampagne van enkele jaren geleden wordt bedoeld, die volgens nogal wat mensen zeer xenofobe trekken had. Recente xenofobe campagnes in Brussel zijn mij hoegenaamd niet bekend. Ik ken wel een pamflet dat uitgaat van mijn partij en dat erop wijst dat er de jongste maanden in Brussel inderdaad veiligheidsproblemen zijn. Het pamflet tracht de vinger te leggen op de plaats waar die moet worden gelegd. Ik zie niet in wat dat met xenofobie te maken heeft. Het veiligheidsprobleem lijkt mij overal nogal groot te zijn.
Er werd ook soms verwezen naar de toestand in Antwerpen. Ook daar wijzen wij systematisch op problemen van veiligheid en onveiligheid en beroepen wij ons op het bestaande artikel 8 van de Grondwet wanneer het gaat om stemrecht. Indien in de Senaat voorstellen tot wijziging van dit artikel 8 worden ingediend, dan zullen wij aan de discussie daarover deelnemen niet met sneren naar andere partijen, maar wel met gefundeerde argumenten.
M. le président. La parole est à M. Jonckheer.
M. Jonckheer (Écolo). Monsieur le président, je tiens à rappeler que des propositions de révision de l'article 8 de la Constitution ont été déposées au cours de la précédente législature.
Comme M. Boutmans vient de le mentionner, les Écologistes avaient formulé une proposition qui suggérait une double démarche, à savoir modifier l'article de la Constitution en tant que tel tout en laissant au législateur le soin d'indiquer, par voie de loi ordinaire, d'éventuelles conditions restrictives à l'octroi du droit de vote.
Les Écologistes continuent de s'inscrire dans la ligne qu'ils ont tracée lors de la précédente législature. Pour un ensemble de raisons qui seront, je pense, rediscutées en commission de révision de la Constitution, nous ne souhaitons pas imposer un critère de nationalité pour l'octroi du droit de vote.
Je rappelle par ailleurs que ce débat a déjà fait l'objet de larges consultations à l'initiative du Centre pour l'égalité des chances notamment.
Des propositions émanant tant des partis de la majorité que de l'opposition contenaient, en outre, des approches convergentes sur un certain nombre de sujets. J'estime donc que l'initiative parlementaire devrait être poursuivie à cet égard. Le gouvernement n'ayant toutefois pas encore fait part de sa position, la situation est actuellement bloquée.
Les propositions déposées au cours de la législature précédente seront donc présentées à nouveau.
De voorzitter. Het woord is aan vice-eerste minister Vande Lanotte.
De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. Mijnheer de voorzitter, het probleem van de gemeentelijke kiesrechten voor burgers van de Europese Unie is inderdaad een reëel probleem, waar wij niet omheen kunnen. Wij zullen niet, zoals de heer Boutmans beweerde, de 21e eeuw ingaan zonder dat er iets verandert.
De heer Boutmans (Agalev). Dat sloeg op het stemrecht voor niet-Belgen die ook geen Europese onderdanen zijn.
De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. Dat heb ik dan verkeerd begrepen.
Het gaat hier om een precies omschreven richtlijn, die aan Europeanen het recht geeft om te kiezen. Op Europees, maar ook op nationaal vlak, is er reeds heel wat rechtspraak die zegt dat richtlijnen met een duidelijke bepaling directe werking hebben. Dat betekent dat zij toepasbaar zijn op de burgers en afdwingbaar zijn bij de rechter.
De Kamer en de Senaat moeten dus de Grondwet op dit punt herzien. Wij moeten er immers rekening mee houden dat bij de gemeenteraadsverkiezingen in het jaar 2000, met of zonder grondwetswijziging, de rechter kan beslissen dat de onderdanen van de Europese Unie hier gemeentelijk stemrecht hebben.
Of het Verdrag van Maastricht op een grondwettige wijze is tot stand gekomen ? Dat is de eeuwige discussie van het prevaleren van de Grondwet op het internationaal recht. Het pleziert mij trouwens telkens de studenten van de tweede kandidatuur rechten over deze vraag gedurende drie lessen te onderhouden om tot de vaststelling te komen dat daarop geen duidelijk antwoord is.
De regering heeft inzake de grondwetswijziging geen standpunt en zal wellicht geen standpunt innemen. Voor een grondwetswijziging is immers een tweederde meerderheid nodig en die is er niet. De regering zal hierover dus een open debat moeten aangaan met Kamer en Senaat. Een voorstel dat te nemen of te laten is aan het Parlement voorleggen is natuurlijk de beste manier om niet tot een hervorming te komen. De regering moet een aantal discussie-elementen aanreiken. Ik heb mijn persoonlijke mening hierover aan de eerste minister kenbaar gemaakt, maar er is daarover geen definitief regeringsstandpunt.
Ik meen dat het beter is in artikel 8 de kiesvereisten te « deconstitutionaliseren ». Daarmee spelen wij in op hetgeen professor Rigaux altijd heeft verdedigd. Volgens hem sloegen de kiesvoorwaarden van artikel 8 van de Grondwet oorspronkelijk niet op de gemeenteraadsverkiezingen, maar men heeft dit later zo geïnterpreteerd. De kiesvoorwaarden voor de gemeenteraadsverkiezingen worden mijns inziens beter door de wetgever bepaald. Voor de parlementsverkiezingen werden de kiesvoorwaarden, onder meer inzake leeftijd, inkomen en woonplaats altijd exhaustief bepaald in de Grondwet, maar voor de gemeenteraadsverkiezingen was dat behoudens de nationaliteitsvoorwaarde, niet het geval. Waarom moet die éne voorwaarde dan in de Grondwet blijven staan ? In het Sint-Michielsakkoord werd geen overeenkomst opgenomen over de regionalisering van de kieswetgeving op gemeentelijk vlak. Ik beweer niet dat, als men de gemeentewet, zoals afgesproken in het Sint-Michielsakkoord, regionaliseert, men dan de kieswet buiten beschouwing moet laten. Daarover is niet gesproken, ook niet over de provinciewet. In deze discussie is dus nog geen beslissing gevallen. Er zijn elementen voor en tegen. De regionalisering zou bijvoorbeeld vreemde gevolgen inzake extra-territorialiteit hebben. De regionalisering van de provincie- of gemeentewetgeving kan een aanleiding zijn om ook de kieswet te regionaliseren.
Het debat moet er dus komen. Als men intellectueel eerlijk is, moet men toegeven dat de Grondwet moet bepalen dat de kiesvoorwaarden voor de gemeenteraadsverkiezingen bij wet of decreet worden vastgesteld. Wij moeten echter ook de mogelijkheid openlaten dat een bijzondere wet bij een eventuele hervorming van onze instellingen de kieswet kan regionaliseren. Dat is mijn mening als minister van Binnenlandse Zaken.
Laat ik nu meer in detail op de wetgeving ingaan. Eerst moet dus de Grondwet worden herzien. Ik hoop dat de Senaat na de bespreking van de voorstellen aangaande de artikelen 51 en 103 van de Grondwet in commissie de herziening van artikel 8 zal bespreken. Ik dien geen wetsontwerp in zolang ik niet weet waar wij staan op het vlak van de Grondwet. Als minister van Binnenlandse Zaken moet ik op de hoogte zijn van al wat licht werpt op de discussie. Ik wil wel ingaan op mogelijke problemen en opmerkingen.
Sommigen wensen de uitvoerende mandaten voor te behouden aan personen met de Belgische nationaliteit. Mijn eerste bedenking hieromtrent is dat in elk geval de taalwetgeving moet worden gerespecteerd. Het feit dat mensen van Europese of zelfs niet-Europese afkomst kunnen worden verkozen en een functie mogen uitoefenen, kan en mag geen afbreuk doen aan de taalwetgeving. Een Italiaan, een Spanjaard of een Nederlander die verkozen is, moet, volgens de taalwetgeving, de taal spreken van de plaats waar hij verkozen is bij het uitvoeren van zijn mandaat. Een gemeenteraadslid moet eigenlijk geen Nederlands kennen in Vlaanderen of geen Frans in Wallonië, maar een gemeenteraadslid, een schepen of een burgemeester moet deze talen wel gebruiken wanneer de taalwetgeving het hem oplegt. De taalwetgeving kan op dit punt alleszins niet worden gewijzigd.
Op het ogenblik kunnen wij niet verbieden dat onderdanen van een andere Lid-Staat burgemeester worden. De paradoxale toestand nu is immers dat de Europese richtlijn zegt dat er enkel voor mandaten die bij verkiezingen worden verkregen uitzonderingen kunnen worden gemaakt. Tot nader order wordt een burgemeester bij ons echter benoemd. Volgens de letter van de Europese richtlijn kunnen onderdanen van andere Lid-Staten worden uitgesloten van de functie van schepen, maar niet van die van burgemeester. Ik wou toch even de aandacht vestigen op deze uiterst merkwaardige situatie. Overigens lijkt het mij niet zinnig te verdedigen dat een niet-Belg nooit schepen, maar wel burgemeester kan worden. Het toepassen van zo'n uitzondering roept bij mij nogal wat vragen op. Hoe kunnen wij nu verbieden dat een niet-Belg die de meeste stemmen behaalt, schepen of burgemeester wordt ? De kiezer zou alleszins niet accepteren dat wij iemand met de helft minder stemmen zouden benoemen. Dat zou strijdig zijn met onze democratische beginselen.
Een vraag die voortdurend opnieuw wordt gesteld is of bepaalde gemeenten buiten de toepassing van de richtlijn zullen vallen. België mag de in de Europese richtlijn vastgelegde norm van 20 % ruim interpreteren. Het gaat hier om een erg fundamentele kwestie, die vooral in de Vlaamse beweging nogal wat discussie loswerkt. Sommigen vinden dat wij deze verruiming niet mogen accepteren, omdat dit de Vlaamse rand rond Brussel en Vlaams-Brabant zou verfransen. Anderen in de Vlaamse beweging vinden dat zij zich niet anti-Europees mogen opstellen en dat de Vlaamse beweging de uitdaging moet aandurven. Voor alle duidelijkheid wil ik hier wel zeggen dat ook ik het een terechte bekommernis vind van de taalgemeenschappen ervoor te zorgen dat hun territorialiteit niet wordt aangetast. De vraag is vooral hoe men dat in de praktijk moet realiseren. Vooral de Vlaamse beweging staat hier voor de keuze tussen een defensieve opstelling van het op zichzelf terugplooien en een offensieve houding waarbij men de Europeanen die zich hier nu eenmaal hebben gevestigd uitnodigt zich in de Vlaamse gemeenschap te integreren. Ook voor mij is vooralsnog niet helemaal duidelijk wat de beste strategie is, maar ik hoop daar een serene discussie over te kunnen voeren zonder daarbij uit te gaan van welke evidentie dan ook.
Een derde element is de belastingplicht. Er wordt gesteld dat om aan verkiezingen te kunnen deelnemen, men minstens belastingen zou moeten betalen. Een aantal burgers zijn wel « imposables », onderworpen aan de personenbelasting, maar betalen toch geen belastingen. Aan de andere kant zijn er ook mensen, vooral Europese ambtenaren, die niet aan de personenbelasting onderworpen zijn. Ik heb een advocatenkantoor opdracht gegeven na te gaan of wij in de kieswet als criterium moeten opnemen dat men onderworpen moet zijn aan de personenbelasting. Een dergelijke maatregel zou enkel betrekking kunnen hebben op buitenlanders. Een bepaling in het Europees recht verbiedt echter elke maatregel die een discriminatie inhoudt tussen Belgen en niet-Belgische Europese onderdanen. Dit criterium in de kieswet introduceren, zou door Europa waarschijnlijk zeer snel worden veroordeeld als zijnde een verkapte vorm van discriminatie die strijdig is met het Verdrag van de Europese Unie. Ik zie dat de heer Coene het daarmee niet eens is. Ik hoop dat hij gelijk heeft, want dan kan ik mijn principiële houding volgen. Jammer genoeg vertellen zowat alle deskundigen mij het tegenovergestelde. Het zijn inderdaad alleen de niet-Belgische Europese onderdanen die onder deze maatregel kunnen vallen aangezien alle Belgen onderworpen zijn aan de personenbelasting.
De heer Coene (VLD). De Europese ambtenaren die Belg zijn, zijn niet onderworpen aan de personenbelasting !
De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. Toch wel. U vergist zich, mijnheer Coene. Zij zijn niet onderworpen aan de personenbelasting voor de inkomsten die zij ontvangen van de Europese Unie, maar voor elke frank die zij daarbuiten ontvangen, zijn zij principieel onderworpen aan de personenbelasting. Volledige uitsluiting geldt enkel voor niet-Belgische Europese ambtenaren. Ik ga daarover nu niet uitweiden. Ik zal met veel plezier het document terzake voorleggen.
Onderworpenheid aan de personenbelastingen als voorwaarde opleggen om aan de verkiezingen te kunnen deelnemen wat mijn voorkeur geniet zou grote problemen scheppen. Het kan immers worden geïnterpreteerd als een maatregel gericht tegen niet-Belgische Europese onderdanen.
De heer Loones beweert dat dit ook geldt voor Belgische Europese ambtenaren. Die zal ik uitdrukkelijk moeten uitsluiten van de toepassing van de maatregel, want de wet laat mij niet toe Belgen uit te sluiten van het recht om deel te nemen aan gemeenteraadsverkiezingen. Ik moet dan in de kieswet stipuleren dat, behalve de Belgen, alle kiesgerechtigden onderworpen moeten zijn aan de personenbelastingen. Doe ik dat niet, dan handel ik in strijd met de Grondwet.
Staatkundig is het perfect mogelijk stemrecht te geven aan al degenen die deel uitmaken van één grote politieke unie, zonder daarbij rekening te houden met de nationaliteit. Het zou echter aanleiding geven tot zware discussie. Het is immers niet evident wel stemrecht te geven aan Europeanen, ook aan degenen die hier geen belastingen betalen, maar niet aan niet-Europeanen die hier reeds jaren verblijven en wel belastingen betalen.
Is dit echter nog aanvaardbaar in een moderne visie van het gelijkheidsbeginsel ? Ik wil deze discussie niet voeren aan de hand van slogans. Toch rijzen hier op sociaal vlak en op het vlak van de politieke billijkheid, problemen die wij ernstig moeten nemen.
In ons stelsel zijn er geen taalvoorwaarden voor de verkiesbaarheid opgenomen. Er zijn wel voorwaarden inzake taalkennis en taalgebruik. Men heeft een onweerlegbaar vermoeden van taalkennis voor sommigen, maar dat betekent niet dat akten niet kunnen worden vernietigd wanneer de taal niet wordt gebruikt zoals het hoort. Dit geldt vooral voor degenen die niet rechtstreeks verkozen zijn, in casu de burgemeesters. Telkens zij zich niet houden aan de taalwetgeving, is dat vermoeden aanvechtbaar via een procedure voor de Raad van State, wat trouwens reeds eenmaal is gebeurd. De Raad van State heeft toen vastgesteld dat dit vermoeden moest worden weerlegd.
Inzake verblijfsvereisten heeft het directief ons een beetje in moeilijkheden gebracht. De gemeenteraadsverkiezingen worden altijd gehouden op de eerste zondag van de maand oktober. Men moet ten laatste op 1 augustus in de gemeente zijn ingeschreven en men mag vanaf die datum de gemeente niet meer verlaten, om aan de gemeenteraadsverkiezingen te kunnen deelnemen. Als ik de richtlijn juist interpreteer, betekent dit dat men hetzelfde kan stellen voor de gemeente waar men woont. Men kan dus kiezen in die gemeente waar men sinds 1 augustus woont. De richtlijn bepaalt tevens dat men vijf jaar in België moet verblijven. Men kan deze voorwaarden echter niet cumuleren en opleggen dat men niet alleen vijf jaar in België moet verblijven, maar ook vijf jaar in dezelfde gemeente moet wonen. Dit lijkt mij strijdig met de richtlijn die stelt dat men alleen voorwaarden die men oplegt aan Belgische onderdanen ook aan Europese onderdanen kan opleggen. De Belgische voorwaarde is dat men sinds 1 augustus in de gemeente verblijft. Europese onderdanen die vijf jaar in België wonen, kunnen volgens mij dus gaan stemmen in de gemeente waar zij sinds 1 augustus van het jaar van de verkiezingen verblijven.
Ik vind het zeer belangrijk om deze aspecten te benadrukken. Wij moeten ook in het kader van de besprekingen over een grondwetsherziening gefundeerde juridische argumenten aanbrengen. Deze discussie heeft immers het nadeel dat zij een beetje in het luchtledige wordt gevoerd, maar juridisch gezien bestaan er zeer veel beperkingen. Hierdoor blijven rond een aantal grote thema's nog altijd discussies mogelijk, terwijl er rond een groot aantal andere thema's geen discussie meer mogelijk is omdat wij Europees-rechtelijk gebonden zijn.
De voorzitter. Het woord is aan de heer Loones.
De heer Loones (VU). Mijnheer de voorzitter, ik stel vast dat het standpunt van de regering nog niet helemaal is uitgewerkt. De vice-eerste minister geeft zelf toe dat hij geen geschreven nota heeft gekregen van de eerste minister om op deze vraag te antwoorden. Niettemin dank ik de vice-eerste minister dat hij hier zijn persoonlijk standpunt heeft uiteengezet. Het zal nuttig zijn in de discussie over deze materie aangezien hij daarbij toch het meest betrokken is.
Ik stel vast dat de vice-eerste minister ten gronde alles laat afhangen van het lot van de grondwetsherziening. De Volksunie zal geen enkele wijziging van artikel 8 aanvaarden zonder er bepaalde voorwaarden aan te verbinden. De koppeling met regionalisering van de organieke wetgeving op de gemeenten is daar een deel van. Wij wensen dus niet te raken aan artikel 8 zonder daarbij ook artikel 162 te betrekken. Ik geef echter toe dat deze problematiek niet eenvoudig is. Wij zullen goed moeten nadenken vooraleer wij het gemeentelijk kiesrecht regionaliseren. In dit vermaledijde land bestaan immers twee gewesten en één « bijna-gewest ». Het lijkt mij gevaarlijk om het kiesrecht over de gemeenten volledig over te laten aan het derde gewest, Brussel.
Ik dank de vice-eerste minister voor zijn antwoorden en ik hoop dat wij binnenkort in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden deze materie grondig zullen kunnen behandelen.
De voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.