1-77 | 1-77 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCE DU JEUDI 5 DÉCEMBRE 1996 |
VERGADERING VAN DONDERDAG 5 DECEMBER 1996 |
De Voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer D'Hooghe aan de minister van Financiën en Buitenlandse Handel over « de maatstaf voor de BTW-heffing inzake de verkoop van goederen met kortingbonnen ».
De minister van Landsverdediging zal antwoorden namens de Vice-Eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel.
Het woord is aan de heer D'Hooghe.
De heer D'Hooghe (CVP). Mijnheer de Voorzitter, het Europees Hof van Justitie heeft op 24 oktober 1996 in de zaak-Elida Gibbs LTD een arrest geveld met betrekking tot de maatstaf voor de BTW-heffing inzake de verkoop van goederen waarbij door de fabrikant kortingbonnen of geld-terugbonnen worden uitgegeven. Dit arrest bepaalt dat, teneinde het principe van de BTW-neutraliteit te vrijwaren, de maatstaf voor heffing voor de verkoop van de goederen door de fabrikant aan de groot- of detailhandelaar, mag worden verminderd met de waarde op de kortingbon die wordt terugbetaald aan de groot- of detailhandelaar.
De uitspraak van dit arrest staat haaks op het standpunt dat de Belgische BTW-administratie hieromtrent huldigt. Deze is van oordeel dat de fabrikant die kortingbonnen uitreikt, voor de waarde van de bonnen een deel van de prijs heeft betaald voor de consument. De fabrikant wordt in dit systeem beschouwd als eindverbruiker. Dat impliceert, nog volgens de Belgische BTW-administratie, dat de fabrikant de BTW die begrepen was in de waarde van de terugbetaalde bons, niet kan recupereren. Volgens het arrest van 24 oktober 1996 zou dit echter wel het geval moeten zijn. De fabrikant heeft dus recht op teruggave van de BTW die begrepen is in de waarde van die bons.
Graag had ik vernomen of België zijn standpunt op dat vlak zal aanpassen en of de BTW-heffing inzake de verkoop van goederen met kortingbonnen voordeliger zal worden ? Welke richtlijnen worden door het departement aan de BTW-diensten verstrekt ?
De Voorzitter. Het woord is aan minister Poncelet.
De heer Poncelet, minister van Landsverdediging. Mijnheer de Voorzitter, het spreekt vanzelf dat de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen het arrest van het Europees Hof van Justitie van 24 oktober 1996 in de zaak-Elida Gibbs zal uitvoeren.
Heden heeft voornoemde administratie de praktische uitvoering van dit arrest besproken met de vertegenwoordigers van de fabrikanten en kleinhandelaars.
De betrokkenen zijn tot een eensgezind standpunt gekomen, dat overigens spoedig zal worden uiteengezet in een aanschrijving die door de administratie zal worden gepubliceerd.
De Voorzitter. Het woord is aan de heer D'Hooghe voor een repliek.
De heer D'Hooghe (CVP). Mijnheer de Voorzitter, ik heb geen bijkomende opmerkingen. Het verheugt mij dat er rekening wordt gehouden met het arrest van het Europees Hof van Justitie. Hierdoor wordt het concurrentiële nadeel weggewerkt, dat tot nu toe op dit vlak in België bestond.
De Voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.