1-69

1-69

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCE DU JEUDI 17 OCTOBRE 1996

VERGADERING VAN DONDERDAG 17 OKTOBER 1996

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER ANCIAUX AAN DE STAATSSECRETARIS VOOR VEILIGHEID EN STAATSSECRETARIS VOOR MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE EN LEEFMILIEU OVER « DE RECENTE BESLISSING VAN DE MINISTERRAAD IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN DE BEGROTING 1997 »

QUESTION ORALE DE M. ANCIAUX AU SECRÉTAIRE D'ÉTAT À LA SÉCURITÉ ET SECRÉTAIRE D'ÉTAT À L'INTÉGRATION SOCIALE ET À l'ENVIRONNEMENT SUR « LA DÉCISION RÉCENTE DU CONSEIL DES MINISTRES CONCERNANT L'EXÉCUTION DU BUDGET 1997 »

De Voorzitter. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Anciaux aan de staatssecretaris voor Veiligheid en staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu over « de recente beslissing van de Ministerraad in verband met de uitvoering van de begroting 1997 ».

Het woord is aan de heer Anciaux.

De heer Anciaux (VU). ­ Mijnheer de Voorzitter, het is vandaag de werelddag van het verzet tegen extreme armoede. Hierbij aansluitend, wens ik de staatssecretaris enkele vragen te stellen.

In uitvoering van de begroting 1997 besprak de Ministerraad een reeks ontwerpen van koninklijk besluit voor de toepassing van twee kaderwetten van 26 juli 1996.

Bij de uitwerking van de wet tot modernisering van de algemene beginselen van de sociale zekerheid werd een ontwerp van koninklijk besluit ingediend waarbij wijzigingen worden aangebracht aan de wet op het bestaansminimum.

Opnieuw wordt het aandeel van het Rijk in de kosten van het bestaansminimum ingeperkt. Via de volmachtenwetten gaat de Regering knabbelen aan de staatstoelagen voor OCMW's met minder dan gemiddeld 35 gerechtigden tijdens het voorlaatste jaar. Ik vrees dat een dergelijke maatregel heel wat gevolgen kan hebben.

Schuilt hierin geen gevaar dat rijkere gemeenten door een lagere subsidiëring uitkeringsgerechtigden gaan afstoten ? Het klinkt toch een stuk prestigieuzer indien men in een gemeente kan verklaren dat de armoede opnieuw afgenomen is, dat met een gemeente is waar bijna geen armoede is ?

Heeft de staatssecretaris eraan gedacht dat hierdoor opnieuw een verschuiving kan ontstaan en dat rechthebbenden voortaan bij de relatief armere gemeenten zullen moeten gaan aankloppen, waarvoor de federale Staat wel bereid is een groter deel van de uitkeringen op zich te nemen ? Heeft de staatssecretaris voldoende tegenargumenten om dit vermoeden te ontkrachten ?

Is deze maatregel niet opnieuw een bewijs dat de federale Regering haar verantwoordelijkheid voor de armoedeproblematiek niet opneemt en de gemeenten laat opdraven voor het bereiken van de heilige Maastrichtnorm ?

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de minister van Buitenlandse Zaken die antwoordt namens de staatssecretaris voor Veiligheid, Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu.

De heer Derycke, minister van Buitenlandse Zaken. ­ Mijnheer de Voorzitter, de staatssecretaris voor Veiligheid en staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu heeft mij gevraagd het volgende antwoord te verstrekken op de vragen van de heer Anciaux.

In het kader van de aan België opgelegde besparingen om de normen te bereiken nodig voor deelname aan de Economische en Monetaire Unie, werd ook aan het departement een besparing van 220 miljoen frank opgelegd. Het was de grootste bezorgdheid te verhinderen dat aan het bestaansminimum voor de armsten werd geraakt. Het voorstel dat op 11 oktober 1996 in de Ministerraad, in eerste lezing, werd besproken houdt in dat de staatstoelage voor het bestaansminimum verminderd wordt van 50 naar 25 pct. in gemeenten die het meest welvarend zijn, de minste sociale problemen kennen en het geringst aantal armen hebben. Het gaat immers alleen om de OCMW's die in 1995 gemiddeld minder dan 35 bestaansminimumgerechtigden hadden. Met deze maatregel wordt het aandeel van de Staat in de toelage aan de OCMW's verder gedifferentieerd.

Enkele jaren geleden werd in het kader van het urgentieplan, een verhoogde staatstoelage toegekend van 60 pct., respectievelijk 65 pct., aan OCMW's van gemeenten met een groot aantal bestaansminimumgerechtigden, respectievelijk 500 of 1 000 bestaansminimumgerechtigden.

Een verhoogde toelage is er ook voor OCMW's die met jonge bestaansminimumgerechtigden een zogenaamd integratiecontract sluiten. Een integratiecontract is een contract waarbij de jongere zich engageert een bepaalde opleiding te volgen of deeltijds te werken. Met een dergelijk contract bedraagt de staatstoelage 70 pct. Voor daklozen is de staatstoelage zelfs 100 pct. gedurende één jaar.

Voor de OCMW's met 35 en meer gerechtigden blijven de bestaande subsidiëringsregels van 50 pct. van kracht. Ook aan de verhoogde subsidiëring van 60 en 65 pct. voor de OCMW's met de grootste concentratie bestaansminimumgerechtigden wordt in geen geval geraakt.

In de gemeenten met minder dan 35 bestaansminimumtrekkers, dus de gemeenten die door de maatregel worden getroffen, wonen slechts 7 pct. van het totale aantal bestaansminimumgerechtigden in ons land. De overige 93 pct. komt voor rekening van de OCMW's waarvoor de subsidiëringsregels niet veranderen. Voor de grootste groep verandert er dus niets en blijft de staatstoelage ongewijzigd.

Voor de OCMW's voor wie de nieuwe maatregel geldt, is de budgettaire last dan ook beperkt. De gemiddelde overheidstoelage per bestaansminimumgerechtigde bedraagt 8 127 frank per maand. De besparingsmaatregel vermindert die toelage voor OCMW's met minder dan 35 bestaansminimumgerechtigden tot 4 064 frank per maand. De maatregel kost de betrokken OCMW's dus 50 000 tot maximaal 1,7 miljoen frank, afhankelijk van het aantal bestaansminimumgerechtigden.

Als deze OCMW's meer doen dan alleen maar een bestaansminimum uitkeren en, bijvoorbeeld, ernstig werk maken van de in het kader van artikel 60, paragraaf 7, van de organieke OCMW-wet en aan het sluiten van integratiecontracten met jonge bestaansminimumgerechtigden, behouden zij bovendien de hogere subsidiëring van respectievelijk 100 pct. en 70 pct., zoals eerder uitgelegd.

Volgens een onderzoek van het Gemeentekrediet spendeerden de gemeenten in 1995 gemiddeld slechts 7,6 pct. van hun begroting aan de OCMW's met al hun diensten.

In tegenstelling tot wat de heer Anciaux denkt, zou een rijk OCMW eerder de armen van zijn gemeente moeten steunen, aangezien het over de nodige financiële middelen beschikt. Het prestige voor het OCMW ligt dan ook in de inspanning die het heeft geleverd om de armoede te bestrijden en niet in een negatieve houding, die de verwijdering van armen van zijn grondgebied wil uitlokken.

Voor de OCMW's die in het voorlaatste jaar gemiddeld 500 tot 1 000 begunstigden een bestaansminimum toekenden, blijft het recht op de verhoogde toelage van 60 pct. en 65 pct. behouden.

De aantrekkingskracht van de steden is duidelijk voelbaar bij personen die in een bestaansonzekere toestand verkeren. Dit feit is niet nieuw. Het heeft te maken met verschillende factoren, zoals de anonimiteit in de stad, de betere openbare en privé-institutionele structuren en de voorzieningen in steden.

Ten slotte voegt de minister eraan toe dat, hij even verheugd zal zijn als de OCMW's van de betrokken gemeenten indien deze besparing niet dient te worden uitgevoerd.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Anciaux voor een repliek.

De heer Anciaux (VU). ­ Mijnheer de Voorzitter, de verklaring van de minister is zeer interessant, maar doet geenszins afbreuk aan ons uitgangspunt dat in de sector van de bestaansminimumuitkeringen een besparing van 220 miljoen werd opgelegd, daar waar de Eerste minister bij de voorstelling van het algemeen verslag over de armoede verklaarde dat de armoedebestrijding een prioriteit zou vormen voor de Regering. Tevens verneem ik in het verslag van de interministeriële conferentie dat de werkgroep voor de sociale tewerkstelling, die wordt voorgezeten door de Eerste minister, in al die jaren slechts één keer vergaderd heeft. Is dit de aandacht die men aan essentiële opdrachten besteedt ?

De beslissing van de Ministerraad en de besparing van 220 miljoen zijn een kaakslag voor de OCMW's, want eigenlijk rooft de federale overheid wat onder meer door de Vlaamse Regering in het sociaal impulsfonds als bijkomende middelen aan de OCMW's ter beschikking werd gesteld. Met deze besparing worden ook de armsten in ons land meegesleurd in de strijd om de heilige norm van Maastricht te halen. Er wordt dus niemand ontzien. Dat het slechts gaat om een aandeel van 7,6 pct., is op zich verheugend, maar het blijft strijdig met onze filosofie dat de federale overheid 100 pct. van het bestaansminimum voor haar rekening moet nemen. Dan pas kan men spreken van een echte solidariteit tussen rijke en arme gemeenten.

Voorts wil ik erop wijzen dat de mensen zonder domicilie, die het nu reeds moeilijk hebben om een bestaansminimum te bekomen ­ hoewel de wet dit aan de gemeenten oplegt ­ nu, meer nog dan vroeger, een oprotpremie zullen krijgen om zich in een andere gemeente te vestigen. De staatssecretaris en iedereen die zich bezighoudt met deze problematiek is zich ervan bewust dat dit fenomeen bestaat, dat er zwarte kassen zijn die worden gebruikt om mensen een verhuispremie te geven opdat zij zich in een andere gemeente zouden laten inschrijven. Met deze maatregel wordt dit fenomeen in de hand gewerkt. Dit is bijzonder spijtig omdat men van de Regering toch een positief signaal had verwacht op de werelddag van het verzet tegen extreme armoede. De nieuwe functie van prinses Astrid kan toch moeilijk worden beschouwd als een positief signaal vanwege de Regering en kan zeker niet worden geïnterpreteerd als een initiatief ter bestrijding van de armoede.

De Voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.