1-934/1

1-934/1

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

27 MAART 1998


Wetsvoorstel tot opslorping van de structurele werkloosheid en herintegratie van langdurige werklozen

(Ingediend door de heer Olivier c.s.)


TOELICHTING


Sinds de oliecrisis halverwege de jaren zeventig wordt West-Europa geteisterd door een zeer omvangrijke werkloosheid. In bijna alle West-Europese landen zijn de werkloosheidsrecords uit de jaren dertig benaderd, soms zelfs overtroffen.

Deze werkloosheid is bovendien ongelijk verdeeld over de diverse bevolkingsgroepen. Vrouwen worden het hardst getroffen; laaggeschoolden vormen een risicogroep; eenmaal werkloos raken vooral ouderen nog moeilijk op de arbeidsmarkt.

Tevens blijkt dat er een belangrijke « harde kern » is ontstaan in het werklozenbestand : mensen die al ruim een jaar werkloos zijn en waarvan de kansen op een baan ook in de toekomst somber moeten worden ingeschat.

Juist deze zwakke categorieën behoeven specifieke aandacht via maatregelen die tot doel hebben de (her)intrede van de werkloze in het arbeidsproces te vergemakkelijken en te bespoedigen en de negatieve sociale en psychische gevolgen van werkloosheid tegen te gaan.

1. Omvang van de structurele werkloosheid

In Europa is België samen met Ierland en Italië koploper op het vlak van langdurige werkloosheid, en dit reeds sedert geruime tijd. Onderstaande tabel maakt duidelijk dat in België, in 1995 (de recentste cijfers), meer dan 62 % van de werkzoekenden langer dan één jaar werkloos was.

TABEL 1

Langdurige werkloosheid in procent van het totaal

Verdeling volgens nationaliteit in de Europese Unie (Toestand 1995)

Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
België. ­ Belgique 61,5 63,5 62,4
Denemarken. ­ Danemark 31,8 24,8 27,7
Duitsland. ­ Allemagne 45,9 51,3 48,7
Griekenland. ­ Grèce 42,2 58,1 51,8
Spanje. ­ Espagne 49,0 60,0 54,6
Frankrijk. ­ France 39,2 41,1 40,2
Ierland. ­ Irlande 66,7 52,4 61,3
Italië. ­ Italie 62,7 64,4 63,6
Luxemburg. ­ Luxembourg 50,0 33,3 40,0
Nederland. ­ Pays-Bas 52,4 41,1 46,7
Oostenrijk. ­ Autriche 25,0 31,3 28,0
Portugal 48,1 53,5 50,8
Finland. ­ Finlande 42,3 31,6 37,2
Zweden. ­ Suède 23,4 15,9 20,2
Groot-Brittannië. ­ Grande-Bretagne 49,6 32,3 43,5

Eurostat-gegevens.

De ontleding van de Belgische werklozenpopulatie volgens inactiviteitsduur geeft in november 1997 volgende cijfers :

TABEL 2

Procentuele verdeling van de ingeschreven uitkeringsgerechtigde volledig werklozen volgens inactiviteitsduur (Toestand : november 1997)

Inactiviteitsduur
­
Durée d'inactivité
Vlaams Gewest
­
Région flamande
Waals Gewest
­
Région wallonne
Brussels Gewest
­
Région bruxelloise
Totaal Land
­
Total pays
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
- 3 maanden. ­ - 3 mois 18,8 13,7 15,7 11,5 9,1 10,2 12,1 10,4 11,2 14,3 11,3 12,6
3 - 6 maanden. ­ 3 - 6 mois 9,7 8,3 8,8 7,4 7,3 7,4 6,9 6,7 6,8 8,2 7,7 7,9
6 - 12 maanden. ­ 6 - 12 mois 15,9 13,6 14,5 13,2 10,5 11,8 13,9 12,5 13,2 14,3 12,1 13,1
1 - 2 jaar. ­ 1 - 2 ans 19,2 18,3 18,7 19,3 19,7 19,5 19,8 19,5 19,7 19,4 19,1 19,2
2 - 5 jaar. ­ 2 - 5 ans 23,2 28,4 26,3 25,9 28,2 27,2 30,3 31,1 30,7 25,6 28,6 27,3
5 - 10 jaar. ­ 5 - 10 ans 10,0 13,2 12,0 14,6 17,4 16,2 13,1 15,7 14,4 12,7 15,4 14,2
10 jaar en meer. ­ 10 ans et + 3,2 4,5 4,0 8,0 7,7 7,8 3,8 4,1 4,0 5,6 5,9 5,8
100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0
2 jaar en meer. ­ 2 ans et + 36,4 46,1 42,3 48,4 53,3 51,2 47,3 50,9 49,1 43,8 49,9 47,3

Bron : RVA.

Het aandeel « structurele werklozen » (mannen en vrouwen), dat wil zeggen van wie de werkloosheidsduur gelijk is aan of hoger dan twee jaar bedraagt volgens de RVA-statistieken van 30 november 1997 47,3 %.

2. Karakteristieken van de structureel werklozen

De groep structureel werklozen in de RVA-analyses is als volgt verdeeld (30 november 1997) :

­ 27,3 % heeft een inactiviteitsduur van twee tot minder dan vijf jaar;

­ 14,2 % heeft een inactiviteitsduur van vijf tot minder dan tien jaar;

­ 5,8 % heeft een inactiviteitsduur gelijk aan of hoger dan tien jaar.

2.1 Opdeling naar geslacht

Mannen en vrouwen kennen een verschillende verdeling volgens inactiviteitsduur (cijfers van 30 november 1997) :

­ voor een inactiviteitsduur van drie tot zes maanden bedraagt het percentage van de mannelijke werklozen 44,5 % van het totale aantal werklozen, tegenover 55,5 % vrouwelijke werklozen;

­ voor een inactiviteitsduur van zes maanden tot één jaar bedraagt dit respectievelijk 47,1 % en 52,9 %;

­ voor een inactiviteitsduur van een tot twee jaar geldt 43,3 % tegenover 56,7 %;

­ voor een inactiviteitsduur van twee tot vijf jaar en van vijf tot tien jaar is het onderscheid spectaculair zoals blijkt uit tabel 3.

TABEL 3

Procentuele verdeling naar geslacht en inactiviteitsduur van het aantal uitkeringsgerechtigde volledige werklozen (Toestand : november 1997)

Inactiviteitsduur
­
Durée d'inactivité
Totaal land
­
Total pays
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
- 3 maanden. ­ - de 3 mois 48,9 51,1 100,0
Van 3 tot 6 maanden. ­ De 3 à 6 mois 44,5 55,5 100,0
Van 6 tot 12 maanden. ­ De 6 à 12 mois 47,1 52,9 100,0
Van 1 tot 2 jaar. ­ De 1 à 2 ans 43,3 56,7 100,0
Van 2 tot 5 jaar. ­ De 2 à 5 ans 40,2 59,8 100,0
Van 5 tot 10 jaar. ­ De 5 à 10 ans 38,3 61,7 100,0

Bron : RVA.

Wat we kunnen besluiten uit bovenstaande analyses is :

1. dat veel meer vrouwen langdurig werkloos zijn dan mannen;

2. dat vrouwen langer werkloos blijven, wat uiteraard hun groter aandeel in de structurele werkloosheid verklaart;

3. dat in de groep vrouwelijke werklozen de langdurigen proportioneel de grootste subgroep vormen, meer uitgesproken dan dit bij de mannen het geval is.

2.2. Opdeling naar leeftijd

Wie vooral getroffen is, zijn de oudere werklozen (40-50 jaar) en ook reeds, vooral bij vrouwen, de werklozen vanaf 35 jaar.

In bepaalde leeftijdscategorieën (45-50 jaar) zijn bijvoorbeeld gemiddeld 67,6 % van de werkloze vrouwen al gedurende meer dan twee jaar werkloos.

TABEL 4

Het procentueel aandeel langdurig werklozen, per geslacht en per leeftijdscategorie (Toestand : november 1997)

Leeftijdscategorie
­
Groupe d'âge
Inactiviteitsduur
­
Durée d'inactivité
1-2 jaar werkloos
­
1 à 2 ans de chômage
+ 2 jaar werkloos
­
+ de 2 ans de chômage
Alle werklozen per leeftijdscategorie
­
Ensemble des chômeurs par groupe d'âge
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
- 20 jaar/ans 53,6 61,5 57,8 4,6 5,4 5,0 100,0 100,0 100,0
20-25 jaar/ans 29,0 29,1 29,1 29,6 33,1 31,6 100,0 100,0 100,0
25-30 jaar/ans 20,0 19,9 19,9 36,4 41,8 39,6 100,0 100,0 100,0
30-35 jaar/ans 17,3 16,9 17,0 44,4 51,0 48,5 100,0 100,0 100,0
35-40 jaar/ans 15,9 15,3 15,6 50,6 57,7 54,8 100,0 100,0 100,0
40-45 jaar/ans 15,1 14,2 14,6 55,8 62,7 59,7 100,0 100,0 100,0
45-50 jaar/ans 14,4 13,6 14,0 61,1 67,6 64,6 100,0 100,0 100,0
50-55 jaar/ans 17,1 17,5 17,3 33,2 40,5 36,5 100,0 100,0 100,0
55-60 jaar/ans 18,3 17,1 17,8 32,0 42,3 36,0 100,0 100,0 100,0
60-65 jaar/ans 13,8 17,0 14,1 57,3 54,8 57,1 100,0 100,0 100,0

Bron : RVA.

2.3. Opdeling naar studieniveau

De duur van de werkloosheid is ook afhankelijk van het studieniveau : naarmate dit niveau stijgt, daalt het percentage structureel werklozen.

TABEL 5

Procentueel aandeel van structureel werklozen binnen de onderscheiden werklozencategorieën volgens studieniveau (Toestand : november 1997)

Studieniveau
­
Niveau d'études
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
Lager onderwijs. ­ Enseignement primaire 53,2 60,5 56,9
Lager secundair onderwijs. ­ Enseignement secondaire inférieur 43,5 55,5 50,5
Hoger secundair onderwijs. ­ Enseignement secondaire supérieur 32,1 41,9 38,7
Hoger onderwijs (+ univ.). ­ Enseignement supérieur (+ univ.) 29,2 27,9 28,4
Leerlingschap. ­ Apprentissage 34,4 47,6 40,9
Andere studies. ­ Autres études 47,9 50,0 48,7

Bron : RVA, 1997.

Van de werklozen die alleen lager onderwijs volgden is 57 % sinds minstens twee jaar werkloos. Bij de werklozen die hoger onderwijs (universitair en niet universitair) beëindigd hebben, is deze verhouding slechts 28,4 % .

Dit laatste percentage steeg de afgelopen jaren echter voortdurend.

De gegevens met betrekking tot de uitschrijvingen uit het werklozenbestand in Vlaanderen tonen aan dat de grootste categorieën (de laagstgeschoolden) relatief minst uitgeschreven raken en bevestigen dus bovenstaande tendensen.

TABEL 6

Procentueel aandeel van de bewegingen uit het werklozenbestand in het totaal van het beginbestand, per studieniveau in Vlaanderen (Toestand : oktober 1997-november 1997)

Studieniveau
­
Niveau d'études
Procentueel aandeel van elke klasse in het bestand
­
Pourcentage de chaque catégorie par rapport
au nombre de chômeurs
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
Lager onderwijs.­ Enseignement primaire 11,7 8,7 10,0 33,6 29,7 31,3
Lager secundair onderwijs. ­ Enseignement secondaire inférieur 16,1 10,8 12,9 26,3 25,4 25,7
Hoger secundair onderwijs. ­ Enseignement secondaire supérieur 20,7 14,6 16,4 20,0 30,9 26,7
Hoger onderwijs (niet univ.). ­ Enseignement supérieur (non univ.) 21,8 22,5 22,2 6,0 7,2 6,7
Universitair. ­ Enseignement universitaire 20,3 21,3 20,8 2,1 1,4 1,7
Andere (+ leerlingschap). ­ Autres (+ apprentissage) 13,3 11,6 12,6 12,1 5,3 8,0
Totaal. ­ Total 15,7 12,4 13,7 100,0 100,0 100,0

Bron : RVA, 1997. Dynamische statistieken.

Het ligt voor de hand dat wanneer een werkloze meerdere ongunstige karakteristieken vertoont, dit zijn of haar bemiddelingswaarde op de arbeidsmarkt sterk doet dalen. Op die manier ontstaan kansarme groepen : laaggeschoolde vrouwen en laaggeschoolde oudere werknemers, om twee voorbeelden te noemen.

2.4 Jongeren en structurele werkloosheid

Daarnaast kan men ook de vaststelling doen dat steeds meer jonge mensen in de structurele werkloosheid terechtkomen.

TABEL 7

Procentuele verdeling van jonge werklozen (- 25 jaar) volgens inactiviteitsduur (Toestand : november 1997)

INACTIVITEITSDUUR
­
DUREÉ D'INACTIVITÉ
Mannen
­
Hommes
Vrouwen
­
Femmes
Totaal
­
Total
- 20 jaar
­
- 20 ans
20-25 jaar
­
20-25 ans
- 20 jaar
­
- 20 ans
20-25 jaar
­
20-25 ans
- 20 jaar
­
- 20 ans
20-25 jaar
­
20-25 ans
3 maanden. ­ 3 mois 15,3 17,8 9,5 15,3 12,2 16,4
3 maanden tot 6 maanden. ­ 3 mois à 6 mois 7,3 9,1 5,7 9,4 6,5 9,3
6 maanden tot 1 jaar. ­ 6 mois à un an 19,1 14,5 17,9 13,1 18,5 13,7
1 jaar tot 2 jaar. ­ 1 an à 2 ans 53,6 29,0 61,5 29,1 57,8 29,1
2 jaar tot 5 jaar. ­ 2 ans à 5 ans 4,6 27,8 5,4 29,6 5,0 28,8
5 jaar tot 10 jaar. ­ 5 ans à 10 ans 0,0 1,7 0,0 3,5 0,0 2,7
Totaal. ­ Total 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

Bron : RVA, 1988.

Bijna 58 % van de min-twintigers en bijna 30 % van de jongeren tussen 20 en 25 jaar is gedurende één à twee jaar werkloos. Voor de jongeren jonger dan 20 jaar verandert de situatie na twee jaar werkloosheid in goede zin, niet zo voor hun iets oudere collega's. Weerom stellen we vast dat de inactiviteitsduur bij vrouwen groter is dan bij mannen. Ook de samenhang met het studieniveau zal hier nogmaals bevestigd worden.

TABEL 8

Procentuele verdeling van de uitkeringsgerechtigde werklozen van minder dan 25 jaar volgens het onderwijs en de werkloosheidsduur (Toestand : november 1997

Studieniveau
­
Niveau d'études
- 1 jaar
­
- 1 an
1 tot 2 jaar
­
1 à 2 ans
2 jaar en meer
­
Plus de 2 ans
Totaal
­
Total
Lager onderwijs. ­ Enseignement primaire 16,1 15,3 22,3 17,7
Lager secundair. ­ Secondaire inférieur 29,1 29,4 40,2 32,5
­ waarvan technisch onderwijs. ­ dont technique 4,0 3,2 3,6 3,6
­ waarvan beroepsonderwijs. ­ dont professionnel 19,1 21,2 30,8 23,2
Hoger secundair. ­ Secondaire supérieur 39,4 42,7 31,6 38,1
Hoger onderwijs buiten universiteit. ­ Supérieur non universitaire 7,9 7,3 1,8 5,9
Universitair. ­ Universitaire 0,9 1,1 0,1 0,7
Andere. ­ Autres 6,6 4,2 4,0 5,1
Totaal. ­ Total 100,0 100,0 100,0 100,0

Bron : RVA.

De jonge werklozen die enkel lager of secundair onderwijs hebben genoten blijken relatief oververtegenwoordigd in de statistieken van langdurige werkloosheid.

3. Psycho-sociale gevolgen van langdurige werkloosheid

Alhoewel de cijfers op zich spreken en voldoende grond bieden om naar oplossingen te zoeken, dwingt het sociaal en psychisch aspect nog meer tot aandacht voor het probleem.

Uit onderzoek blijkt duidelijk dat werkloosheid een negatieve ervaring is voor elke categorie getroffenen. Dit geldt wel in erge mate voor hen die langdurig werkloos moeten blijven. Ze vormen een groeiende groep sociaal en psychisch gedeprimeerden die door hun werkloosheid verdrongen worden naar de marge van de samenleving.

Voor de jongeren, die zich gefrustreerd voelen in hun wens om hun mogelijkheden te benutten, kan dit op lange termijn nefaste gevolgen hebben op het vlak van hun persoonsontwikkeling.

Maatschappelijk gezien blijkt uit onderzoek dat bij een minderheid onder hen de werkloosheidservaring bestaand radicaal of delinquent gedrag versterkt. De meeste werkloze jongeren reageren echter anders : ze radicaliseren niet maar vervreemden van de samenleving en haar politiek systeem. De politieke verantwoordelijken kunnen dit dan ook niet achteloos aan zich laten voorbijgaan.

Ongetwijfeld betekent het langdurig werkloos-zijn voor de oudere leeftijdscategorieën evenzeer, zoniet meer, een sterk negatieve ervaring. Financieel economisch zien zij hun inkomen zeer sterk dalen. Deze verminderde koopkracht weegt des te zwaarder voor oudere werklozen die een gezinslast te dragen hebben.

In een samenleving waarin arbeid nog steeds centraal staat als zingever op verschillende terreinen van iemands leven zien zij zich vroegtijdig afgeschreven. Met de negatieve weerslag van de gevoelens van frustratie en vervreemding die de langdurige werkloosheid teweegbrengt voor de betrokkene zelf en onrechtstreeks voor onze samenleving in haar geheel, is tot op heden echter onvoldoende rekening gehouden.

4. Falen van huidige oplossingsstrategieën

Het probleem van de structurele werkloosheid zal zichzelf niet oplossen. Deze categorie werklozen zijn niet of moeilijk onmiddellijk in te schakelen in het bedrijfsleven omwille van hun laag scholingsniveau, beperkte of verouderde arbeidservaring, slecht gekozen studierichting, of niet beschikken van de vereiste kwalificaties.

Een klassiek instrument, althans op Europees vlak, om daaraan te verhelpen is wat genoemd wordt de loonkostensubsidie. Hoofddoel van deze rechtstreekse of onrechtstreekse subsidies is het versterken van de arbeidsmarktpositie van voor werkgevers minder aantrekkelijke groepen werklozen door hun loonlasten te verlagen.

De maatregelen op federaal niveau die beogen aanwervingen in de hand te werken of de tewerkstelling te behouden door de verlaging van de sociale lasten zijn het plus-één, plus-twee en plus-drie-plan, het voordeelbanenplan, de Maribel-operatie en de verlaging van de sociale lasten voor de lage lonen en voor de indienstneming van huisbedienden. Zie voor een beschrijving « Het Federaal werkgelegenheidsbeleid. Evaluatierapport 1997 », vanaf blz. 106 en de brochure Wegwijs in ... De steun bij indienstnemingen : verminderingen van de arbeidskost , uitgegeven door het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.

1. Het plus-één, plus-twee, plus-drie-plan

Een zelfstandige of een vennootschap die een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze of een werkzoekende die sedert ten minste zes maanden het bestaansminimum ontvangt in dienst neemt, geniet van een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid. Voor de eerste werknemer bedraagt de vermindering 100 % gedurende het eerste jaar, 75 % gedurende het tweede jaar en 50 % gedurende het derde jaar. Voor de tweede werknemer bedraagt ze respectievelijk 75 %, 50 % en 25 %. Voor de derde werknemer bedraagt de vermindering 50 % gedurende het eerste jaar en 25 % gedurende het tweede jaar.

2. Het voordeelbanenplan

Ook dit plan kent een vermindering toe van de werkgeversbijdragen voor werkgevers (particuliere of overheidssector) die een langdurige werkzoekende in dienst nemen. Het percentage van de vermindering is degressief in de tijd. De duur en de hoogte ervan verschilt naargelang de situatie van de werkzoekende.

3. Vermindering van de werkgeversbijdragen voor lage lonen

Er wordt een vermindering toegestaan op de werkgeversbijdrage voor werknemers waarvan het brutoloon schommelt tussen 33 710 en 60 800 frank. De vermindering schommelt tussen 10 % en 50 %.

4. Maribel-operatie

Deze structurele maatregel werd in het leven geroepen om de concurrentiepositie te verbeteren van ondernemingen die handarbeiders tewerkstellen. De bijdragevermindering varieert in functie van de verhouding van het aantal handarbeiders ten opzichte van het totale personeelsbestand.

5. Indienstneming van huisbedienden

De maatregel is bedoeld om werklozen aan een baan te helpen als huisbediende en op die manier het zwartwerk tegen te gaan. De natuurlijke personen die een huisbediende in dienst nemen, worden gedurende de hele looptijd van de overeenkomst vrijgesteld van het betalen van werkgeversbijdragen, met uitzondering van bijdragen voor het jaarlijks vakantiegeld en voor het betaald educatief verlof.

Naast deze maatregelen op federaal niveau bestaan nog talrijke steunmaatregelen op gewestniveau.

Ondanks alle inspanningen blijken de huidige oplossingsstrategieën onvoldoende effect te ressorteren en dienen ze aangevuld met maatregelen waarin intensieve bemiddeling en aangepaste (her)scholing meer centraal staan.

5. Rol van de overheid

Tegenover de inspanningen die gevraagd worden van de privé-bedrijven staat een licht dalende tewerkstelling in de overheidssector.

Op dit ogenblik is de tewerkstellingssituatie in de overheidssector als volgt (zie tabel) :

Personeelssterkte in de overheidssector

I. Federale ministeriële departementen
­
I. Départements ministériels fédéraux
Personeelssterkte
1 januari 1997
­
Effectifs
au 1er janvier 1997
Personeelssterkte
1 januari 1996
­
Effectifs
au 1er janvier 1996
Verschil
1997-1996
­
Différence
1997-1996
%
58 461 59 037 - 576 - 1,0
II. Federale wetenschappelijke inrichtingen
­
II. Établissements scientifiques fédéraux
Personeelssterkte
1 januari 1997
­
Effectifs
au 1er janvier 1997
Personeelssterkte
1 januari 1996
­
Effectifs
au 1er janvier 1996
Verschil
1997-1996
­
Différence
1997-1996
%
3 024 3 048 - 24 - 0,8
III. Federale instellingen van openbaar nut
­
III. Organismes d'intérêt public fédéraux
Personeelssterkte
1 januari 1997
­
Effectifs
au 1er janvier 1997
Personeelssterkte
1 januari 1996
­
Effectifs
au 1er janvier 1996
Verschil
1997-1996
­
Différence
1997-1996
%
Categorie A. ­ Catégorie A 3 640 3 726 - 86 - 2,3
Categorie B. ­ Catégorie B 2 125 2 061 + 64 + 3,1
Categorie C. ­ Catégorie C 772 807 - 35 - 4,3
Categorie D. ­ Catégorie D 14 467 14 481 - 14 - 0,1
Andere instellingen. ­ Autres organismes 206 197 + 9 + 4,6
Subtotaal. ­ Sous-total 21 210 21 272 - 62 - 0,3
Autonome overheidsbedrijven. ­ Entreprises publiques autonomes 114 163 116 152 - 1 989 - 1,7
Openbare kredietinstellingen (1 ). ­ Institutions publiques de crédit (1 ) 11 381 11 281 + 100 + 0,9
Totaal instellingen van openbaar nut. ­ Total organismes d'intérêt public 146 754 148 705 - 1 951 - 1,3

(1 ) Zonder het Gemeentekrediet.

IV. Gemeenschappen en gewesten
­
IV. Communautés et régions
Personeelssterkte
1 januari 1997
­
Effectifs
au 1er janvier 1997
Personeelssterkte
1 januari 1996
­
Effectifs
au 1er janvier 1996
Verschil
1997-1996
­
Différence
1997-1996
%
1. Ministeries ­ Ministères
Brussels Hoofstedelijk Gewest. ­ Région de Bruxelles-Capitale 1 271 1 278 - 7 - 0,6
Vlaamse Gemeenschap/Vlaams Gewest. 10 756 10 967 - 211 - 2,0
Communauté française 4 061 4 113 - 52 - 1,3
Région wallonne 9 149 9 016 + 133 + 1,5
Deutschsprachige Gemeinschaft 127 128 - 1 - 0,8
Totaal ministeries. ­ Total ministères 25 364 25 502 - 138 - 0,5
2. Wetenschappelijke instellingen. ­ Établissements scientifiques
Vlaamse Gemeenschap/Vlaams Gewest. 180 176 + 4 + 2,3
Communauté française 47 48 - 1 - 2,1
Totaal wetenschappelijke instellingen. ­ Total établissements scientifiques 227 224 + 3 + 1,3
3. Instellingen van openbaar nut ­ Établissements d'intérêt public
Brussels Hoofstedelijk Gewest. ­ Région de Bruxelles-Capitale 9 137 9 159 - 22 - 0,2
Vlaamse Gemeenschap/Vlaams Gewest. 23 550 23 159 + 391 + 1,7
Communauté française 6 391 6 562 - 171 - 2,6
Région wallonne 10 132 9 935 + 197 + 2,0
Deutschsprachige Gemeinschaft. 87 85 + 2 + 2,4
Totaal instellingen van openbaar nut. ­ Total établissements d'intérêt public 49 297 48 900 + 397 + 0,8
4. Onderwijs. ­ Enseignement
Vlaamse Gemeenschap. 144 480 144 647 - 167 - 0,1
Communauté française 123 595 127 078 - 3 483 - 2,7
Deutschsprachige Gemeinschaft 2 129 2 200 - 71 - 3,2
Totaal onderwijs. ­ Total enseignement 270 204 273 925 - 3 721 - 1,4
5. Gemeenschapscommissies. ­ Commissions communautaires 1 546 1 405 + 141 + 10,0
Totaal gemeenschappen en gewesten. ­ Total communautés et régions 346 638 349 956 - 3 318 - 0,9
V. Bijzondere korpsen
­
V. Corps spéciaux
Personeelssterke
1 januari 1997
­
Effectifs
au 1er janvier 1997
Personeelssterkte
1 januari 1996
­
Effectifs
au 1er janvier 1996
Verschil
1997-1996
­
Différence
1997-1996
%
1. Rechterlijke Orde. ­ Ordre judiciaire
a. Burgerlijke rechtbanken. ­ Tribunaux civils
Magistraten. ­ Magistrats 1 918 1 973 - 55 - 2,8
Griffiers. ­ Greffiers 1 725 1 779 - 54 - 3,0
Administratief personeel rechtbanken. ­ Personnel administratif des tribunaux 2 373 2 221 + 152 + 6,8
Administratief personeel parketten. ­ Personnel administratif des parquets 2 668 2 544 + 124 + 4,9
b. Militaire rechtbanken. ­ Tribunaux militaires
Magistraten. ­ Magistrats 22 22 0 ­
Griffiers. ­ Greffiers 20 26 - 6 - 23,1
Administratief personeel rechtbanken. ­ Personnel administratif des tribunaux 24 20 + 4 + 20
Administratief personeel parketten. ­ Personnel administratif des parquets 20 20 0 ­
c. Gerechtelijke stagiairs. ­ Stagiaires judiciaires 91 60 + 31 + 51,7
d. Meesters-, vak- en dienstpersoneel. ­ Personnel de maîtrise, de métier et de service 307 288 + 19 + 6,6
e. Gerechtelijke politie. ­ Police judiciaire 1 477 1 474 + 3 + 0,2
Totaal Rechterlijke Orde. ­ Total Ordre judiciaire 10 645 10 427 + 218 + 2,1
2. Raad van State. ­ Conseil d'État 355 336 + 19 + 5,7
3. Provinciegouverneurs + vice-gouverneur. ­ Gouverneurs de province + vice-gouverneur 13 13 0 ­
Arrondissementscommissarissen. ­ Commissaires d'arrondissement 24 27 - 3 - 11,1
Gewestelijke ontvangers. ­ Receveurs régionaux 218 237 - 19 - 8,0
4. Militair personeel. ­ Personnel militaire
a. Landmacht. ­ Force terrestre 29 549 30 426 - 877 - 2,9
b. Luchtmacht. ­ Force aérienne 12 256 12 513 - 257 - 2,1
c. Zeemacht. ­ Force navale 2 754 2 758 - 4 - 0,1
d. Medische dienst. ­ Service médical 2 263 2 365 - 102 - 4,3
Totaal militair personeel. ­ Total personnel militaire 46 822 48 062 - 1 240 2,6
5. Rijkswacht. ­ Gendarmerie
a. Rijkswachters. ­ Gendarmes 15 974 15 894 + 80 + 0,5
b. Hulppersoneel. ­ Personnel auxiliaire 1 801 1 787 + 14 + 0,8
Totaal rijkswacht. ­ Total gendarmerie 17 775 17 681 + 94 0,5
Totaal bijzondere korpsen. ­ Total corps spéciaux 75 852 76 783 - 931 - 1,2
VI. Plaatselijke en provinciale besturen (1)
­
VI. Administrations provinciales et locales (1)
Personeelssterke
1 januari 1997 (2)
­
Effectifs au
1er janvier 1997 (2)
Personeelssterkte
1 januari 1996 (2)
­
Effectifs au
1er janvier 1996 (2)
Verschil
1997-1996
­
Différence
1997-1996
%
Gemeenten. ­ Communes 144 963 143 336 + 1 627 + 1,1
Openbare centra voor maatschappelijk welzijn. ­ Centres publics d'aide sociale 80 942 84 681 - 3 739 - 4,4
Intercommunales. ­ Intercommunales 34 212 28 226 + 5 986 + 21,1
Provincies. ­ Provinces 15 930 15 699 + 231 + 1,5
Totaal plaatselijke en provinciale besturen. ­ Total administrations provinciales et locales 276 047 271 942 + 4 105 + 1,5

(1) Het onderwijzend personeel werd opgenomen onder punt IV (Gemeenschappen).

(2) Bron : RSZPPO.

VII. Wetgevende machten (1)
­
VII. Pouvoirs législatifs (1)
Personeelssterke
1 januari 1997
­
Effectifs
au 1 er janvier 1997
Personeelssterkte
1 januari 1996
­
Effectifs
au 1er janvier 1996
Verschil
1997-1996
­
Différence
1997-1996
%
Senaat. ­ Sénat 344 348 - 4 - 1,1
Kamer van volksvertegenwoordigers. ­ Chambre des représentants 964 917 + 47 + 5,1
Rekenhof. ­ Cour des comptes 621 609 + 12 + 2,0
Arbitragehof. ­ Cour d'arbitrage 64 65 - 1 - 1,5
Brusselse Hoofdstedelijke Raad. ­ Conseil de la Région de Bruxelles-Capitale 67 66 + 1 + 1,5
Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie 5 5 0 ­
Assemblée de la Commission communautaire française 15 13 + 2 + 15,4
Vlaams Parlement 375 336 + 39 + 11,6
Conseil/Parlement de la Communauté française 110 69 + 41 + 59,4
Parlement wallon 67 63 + 4 + 6,3
Rat der deutschsprachigen Gemeinschaft 30 34 - 4 - 11,8
Totaal wetgevende machten. ­ Total pouvoirs législatifs 2 662 2 525 + 137 + 5,4

(1) Wat de diverse parlementaire vergaderingen betreft worden hier ook de aan de parlementsleden en politieke fracties ter beschikking gestelde personeelsleden meegerekend.

Algemeen totaal
­
Total général
Personeelssterke
1 januari 1997
­
Effectifs
au 1er janvier 1997
Personeelssterkte
1 januari 1996
­
Effectifs
au 1er janvier 1996
Verschil
1997-1996
­
Différence
1997-1996
%
909 438 911 996 - 2 558 - 0,3

Bron : Ministerie van Ambtenarenzaken van de dienst Algemeen Bestuur.

6. Conclusie

Gezien de omvang van de structurele werklozenpopulatie en gezien de matige resultaten van bestaande oplossingsstrategieën zou een globaal actieplan ter herintegratie van de structureel werklozen en ter geleidelijke opslorping van dit type werkloosheid zoals dit in onderhavig voorstel voorligt, ten zeerste aangewezen zijn. Het voorliggende wetsvoorstel gaat uit van de idee dat van verschillende zijden een inspanning gedaan wordt om deze categorie werklozen weer in de arbeidsmarkt te loodsen.

Van de betrokkenen zelf wordt evenwel ook een inspanning gevraagd waardoor ze hun individuele arbeidsmarktpositie op korte en/of lange termijn verbeteren. Een gerichte bij- of omscholing zou daartoe een belangrijke en zinvolle bijdrage kunnen leveren. Het luik van de vorming vormt het onderwerp van het parallel met dit voorstel ingediende voorstel van decreet houdende invoering van een recht op opleiding voor structureel werklozen.

De twee voorstellen koppelen aldus de individuele inspanning tot bijscholing van de werkloze aan de collectieve inspanning tot tewerkstelling, rechtstreeks of via stimulerende maatregelen aan de private en gesubsidieerde sector, vanwege de overheid.

Marc OLIVIER.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Onder structureel werklozen wordt in deze wet verstaan :

a) de werkloze jonger dan 30 jaar die gedurende minimum 2 jaar ononderbroken uitkeringsgerechtigde volledig werkloze is;

b) de werkloze tussen 30 en 40 jaar die minimum gedurende 1 jaar ononderbroken uitkeringsgerechtigde volledig werkloze is;

c) de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ouder dan 40 jaar;

d) de persoon die minimum gedurende 1 jaar ononderbroken het bestaansminimum ontvangt en die zich gedurende die periode heeft ingeschreven als werkzoekende.

Onder werkgever wordt in deze wet verstaan elke natuurlijke of rechtspersoon die onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der werknemers.

Onder subregionale tewerkstellingsdienst wordt in deze wet verstaan de subregionale tewerkstellingsdiensten van de instelling van openbaar nut die belast is met de uitvoering van de bevoegdheden bepaald in de artikelen 4, 16º, en 6, § 1, IX, 1º en 2º, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988.

Onder samenwerkingsakkoord wordt in deze wet verstaan het akkoord dat overeenkomstig artikel 92bis , § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, afgesloten is tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, met het oog op het opzetten van een actieplan ter bestrijding van de structurele werkloosheid.

Art. 3

§ 1. De sociale zekerheidsbijdragen, zoals bepaald in artikel 38, § 3, 1º tot 7º, en 9º, en § 3bis , van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, zijn niet verschuldigd in hoofde van de in artikel 2 bedoelde werklozen die in dienst genomen worden met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, als die indienstneming

­ ofwel een netto aangroei van het personeelsbestand uitmaakt, zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 498 van 31 december 1986 houdende tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever, ter bevordering van de indienstneming van jonge werkzoekenden en van langdurig werklozen;

­ ofwel gebeurt ter vervanging van een werknemer die overleden is, vrijwillig ontslag heeft genomen, of met brugpensioen of rustpensioen is gegaan. Voornoemde sociale zekerheidsbijdragen worden verminderd met 75 % tijdens het tweede jaar van tewerkstelling, met 50 % tijdens het derde jaar van tewerkstelling en met 25 % tijdens het vierde jaar van tewerkstelling.

§ 2. De sociale zekerheidsbijdragen worden insgelijks verminderd, zoals bepaald in § 1, als de in artikel 2 bedoelde werklozen in dienst worden genomen met een arbeidsovereenkomst voor tijdelijke arbeid ter vervanging van een werknemer wiens arbeidsovereenkomst in haar uitvoering is geschorst.

§ 3. De Koning bepaalt de nadere voorwaarden waaronder de vermindering van sociale zekerheidsbijdragen als bedoeld in dat artikel, worden toegekend.

Art. 4

De betrekkingen in de programma's voor wedertewerkstelling van de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen of de daarmee gelijkgestelde personen in de besturen en diensten van de nationale overheid of die onder het toezicht van de nationale overheid ressorteren, moeten ten minste voor een derde bekleed worden door werklozen die structureel werkloos zijn in de zin van artikel 2 van de wet van ... tot opslorping van de structurele werkloosheid en herintegratie van langdurig werklozen.

Art. 5

§ 1. Artikel 4, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces wordt vervangen door het volgende lid :

« De administratie die ten minste 30 werknemers tewerkstelt moet stagiairs tewerkstellen zoals bedoeld in artikel 1. Het totaal aantal aangeworven stagiairs moet overeenstemmen met een voltijdse aanwerving van 1 % van het personeelsbestand van de administratie. De in dienst zijnde stagiairs worden in dat personeelsbestand niet meegeteld. Bijkomend moet deze administratie ten belope van 2 % van zijn personeelsbestand structurele werklozen, in de zin van artikel 2, a) , van de wet van ... tot opslorping van de structurele werkloosheid en herintegratie van langdurige werklozen, tewerkstellen als stagiair. »

§ 2. Artikel 7, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt vervangen door het volgende lid :

« De onderneming die ten minste 50 werknemers tewerkstelt moet stagiairs tewerkstellen zoals bedoeld in artikel 1. Het totaal aantal aangeworven stagiairs moet overeenstemmen met een voltijdse aanwerving van 1 % van het personeelsbestand van de onderneming. De in dienst zijnde stagiairs worden in dat personeelsbestand niet meegeteld. Bijkomend moet de onderneming ten belope van 2 % van het personeelsbestand structureel werklozen, in de zin van artikel 2, a) , van de wet van ... tot opslorping van de structurele werkloosheid en herintegratie van langdurig werklozen, tewerkstellen als stagiair. »

Art. 6

In artikel 5 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd :

« Die voorwaarden leggen bovendien voor beide soorten opdrachten het aantal structureel werklozen in de zin van artikel 2 van de wet van ... tot opslorping van de structurele werkloosheid en herintegratie van langdurig werklozen vast, dat in dienst moet genomen worden voor de uitvoering van de aangenomen werken, leveringen en diensten. »

Art. 7

In overeenstemming met het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 2 van deze wet en met de decretale regeling tot invoering van een recht op opleiding voor structureel werklozen, verliest de uitkeringsgerechtigde werkloze die zonder wettige reden een beroepsopleiding weigert die verbonden is met een passende dienstbetrekking, zijn aanspraak op uitkeringen overeenkomstig de artikelen 80 tot 87 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsregeling.

Art. 8

In overeenstemming met het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 2 van deze wet en met de decretale regeling tot invoering van een recht op opleiding voor structureel werklozen wordt, wanneer na het verstrijken van de periode van drie maanden na het einde van de opleiding aan de werkloze geen werk is aangeboden, de periode van werkloosheid, voorzien in artikel 81, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, verlengd met een bijkomende periode van drie maanden.

Op de werkloze aan wie geen werk is aangeboden, is het artikel 81 niet van toepassing.

De meeruitgaven aan werkloosheidsuitkeringen ingevolge dit artikel zijn ten laste van de gemeenschappen volgens de door de Koning te bepalen modaliteiten.

Art. 9

§ 1. Deze wet treedt in werking de eerste van de maand volgend op de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad.

§ 2. Tijdens de eerste twee jaar wordt de inwerkingtreding beperkt tot de werklozen die aan elk van volgende voorwaarden voldoen :

­ behoren tot de categorie van gezinshoofden of alleenstaanden zoals bepaald in artikel 110, § 1 en § 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;

­ gedurende twee jaar of meer ononderbroken uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zijn, hetzij voldoen aan de bepalingen van artikel 2, d), van deze wet;

­ in overeenstemming met het samenwerkingsakkoord : diegenen die zich vrijwillig hebben aangemeld op een subregionale tewerkstellingsdienst voor het bekomen van een opleiding.

§ 3. Vanaf het derde jaar worden de bepalingen van deze wet uitgebreid tot de werklozen die meer dan twee jaar ononderbroken uitkeringsgerechtigd volledig werkloze zijn en zich vrijwillig hebben aangemeld op een subregionale tewerkstellingsdienst.

De Koning kan tijdelijk voorrang verlenen aan de werklozen met de grootste ononderbroken werkloosheidsduur.

§ 4. Vanaf het vijfde jaar worden de bepalingen van deze wet uitgebreid tot de andere structureel werklozen bedoeld in artikel 2 van deze wet. Hierbij kan door de Koning voorrang worden gegeven aan de werkzoekenden met de grootste ononderbroken werkloosheidsduur.

Marc OLIVIER.
Lydia MAXIMUS.
Leo DELCROIX.
Jacques D'HOOGHE.
Johan WEYTS.