1-290/3 | 1-290/3 |
17 FEBRUARI 1998
De Commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden heeft op 15 mei, 5 juni en 6 november 1996 en op 11 en 17 februari 1998 vergaderd om dit wetsvoorstel te bespreken.
De indiener van het wetsvoorstel verwijst naar de toelichting die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat (Stuk Senaat, nr. 1-290/1).
Een commissielid meent dat het probleem van de huizen die door buitenlanders gekocht worden, niet beperkt blijft tot Luxemburg of de Ardennen. Het bestaat eveneens langs de grens met Nederland.
Hij vraagt de indiener of hij er zeker van is dat zijn voorstel een wettig karakter heeft, omdat het voorstel bijvoorbeeld een discriminatie kan invoeren ten aanzien van burgers van de andere EU-landen die wegens hun statuut van Europees ambtenaar of zelfs van diplomaat niet in het register van de burgerlijke stand ingeschreven zijn. Dat was ook het geval met het inschrijvingsgeld voor studenten dat de Belgische Staat heeft moeten terugbetalen.
De vertegenwoordigster van de minister antwoordt dat de administratie van Financiën meer tijd vraagt om een aantal technische aspecten van dit voorstel te onderzoeken maar dat ze niet a priori ertegen gekant is. De administratie is zich bewust van dit probleem omdat haar grensoverschrijdende gevallen zijn gemeld, met name in de streek van Eupen-Malmedy. Waar het hier om gaat, is misschien het probleem dat er voor heel België één kadastraal inkomen van 30 000 frank bestaat. In sommige gemeenten zijn er bijna geen woningen met een kadastraal inkomen van minder dan 30 000 frank.
Het tweede probleem dat door de indiener van het voorstel aangehaald wordt, is de voorwaarde van de bewoning. Vóór 1 januari 1990 gold de voorwaarde dat het huis gedurende minstens drie jaar bewoond moest worden. Die voorwaarde deed echter problemen rijzen voor de administratie, die moest gaan kijken of de mensen er werkelijk woonden. Ook deden er zich gewetensproblemen voor. Quid met een persoon die absoluut moet verhuizen voor zijn werk ? Quid met een persoon die het huis van zijn ouders erft en die in dezelfde straat verhuist ? Er bestonden dus redenen om de bewoningsvoorwaarde af te schaffen omdat ze moeilijk te controleren was. Het tegenvoorstel zal voor de Administratie van de BTW en de Registratie veel gemakkelijker toe te passen zijn wanneer deze een rechtstreekse toegang tot het Rijksregister zal krijgen.
Een lid begrijpt de bedoeling van het wetsvoorstel doch twijfelt eraan of de voorgestelde oplossing zijn doel wel zal bereiken. Volgens het lid gaat men uiteindelijk ook discriminaties tussen gemeenten invoeren. Iemand die in de gemeente naast die waar hij woont een stuk grond wil kopen, kan de vermindering niet genieten omdat hij niet is ingeschreven in het register van de burgerlijke stand van de gemeente waar de grond ligt. Het wetsvoorstel dient nog eens grondig op al zijn aspecten te worden beoordeeld.
De indiener van het voorstel merkt op dat iemand die in België reeds eigenaar is en een ander stuk grond zou kopen, in elk geval geen recht heeft op deze vermindering.
Het lid van zijn kant merkt dan weer op dat men in de bevolkingsregisters kan zijn ingeschreven zonder eigenaar te zijn.
Een commissielid verklaart dat het voorstel de bedoeling heeft de oude voorwaarde van persoonlijke bewoning te vervangen. Benadert de tekst van het voorstel in dit opzicht die oude voorwaarde het best ?
Volgens een lid brengt dit voorstel, dat weliswaar een duidelijke ratio legis heeft, ook erg delicate problemen mee op het vlak van de toepassing. Om dergelijke voorstellen te behandelen, moet de commissie er wat tijd over laten gaan en mag ze niet overhaast tewerkgaan, zolang ze niet het gevoel heeft dat ze de goede richting uitgaat. Het is dus logisch dergelijke voorstellen in de Senaat te behandelen in het kader van zijn specifieke rol als bezinningskamer.
De behandeling wordt voortgezet tijdens een volgende vergadering. Een lid wijst erop dat het voorstel die voorwaarde van bewoning opnieuw wil invoeren ofschoon men die voorwaarde vaak terzijde heeft gelaten omdat ze toch niet te controleren viel. Onder meer in het Brusselse Gewest heeft men lange tijd een niet onaanzienlijke financiële tegemoetkoming verleend aan gezinnen die een onroerend goed kopen, doch op voorwaarde dat de kopers dat goed gedurende vijf of tien jaar bewonen. Met die voorwaarde wilde men de leegloop van de stad tegengaan. In Brussel is niet meer dan één derde van de inwoners eigenaar van zijn woning, terwijl die verhouding in de rest van het land twee derde bedraagt. Door het financieel debacle van het Brusselse Gewest is die voorwaarde verdwenen. Toen die maatregel nog van toepassing was, is gebleken hoe moeilijk het is na te gaan of de kopers het goed werkelijk bewonen.
De minister herinnert eraan dat reeds werd medegedeeld dat de Administratie a priori niet gekant is tegen een wijziging van artikel 60, maar dat deze zaak grondiger bestudeerd moet worden door de bevoegde diensten van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen. Men moet er zeker van zijn dat er geen andere problemen opduiken die thans nog niet te onderkennen zijn.
De minister wijst er voorts op dat het voorstel ongetwijfeld rekening houdt met een aantal moeilijkheden die de belastingontvangers hebben vastgesteld.
De Administratie, die een termijnverlenging heeft gevraagd om het voorstel te onderzoeken, is reeds tot de eerste conclusie gekomen dat indien men artikel 60 wijzigt, men eveneens andere artikelen moet wijzigen, onder meer artikel 55, eerste lid, 2º, b) , en artikel 61, 1. De Administratie wijst er ook op dat het tarief van de boetevermindering aangepast dient te worden, wat mogelijk is met een koninklijk besluit.
Volgens de minister kan die extra termijn waarom de Administratie vraagt, nog duren tot aan het begin van het nieuwe parlementaire jaar.
Een lid heeft twee bedenkingen bij het wetsvoorstel.
Vooreerst spreekt de voorgestelde tekst over inschrijving in het register van de burgerlijke stand. Volgens spreker worden daarin enkel geboortes, overlijdens en huwelijken genoteerd. Men bedoelt waarschijnlijk het bevolkingsregister. Het wetsvoorstel zou dus in die zin moeten worden aangepast.
Meer fundamenteel vraagt het lid zich af of men wettelijk gezien een dergelijk voorrecht voor de lokale bevolking (register ... van de gemeente waar het onroerend goed is gelegen) wel in een wettekst kan opnemen. Iemand uit een naburige gemeente die in de gemeente ernaast een onroerend goed koopt, kan de vermindering niet genieten, terwijl iemand die in de laatste gemeente is ingeschreven, dit voordeel wel kan genieten.
Volgens de minister is dat een van de punten die de Administratie wil onderzoeken.
Een ander lid meent zich te herinneren dat sommige gemeenten hun personeel verplicht hebben de gemeente te bewonen en dat de Raad van State deze beslissing onwettig heeft verklaard. Het hier aan de orde gestelde probleem vertoont dezelfde kenmerken.
De minister merkt op dat dit een van de punten is waarop de Administratie in haar nota heeft gewezen.
De voorzitter deelt mee dat het onderzoek van het voorstel wordt uitgesteld tot aan het begin van het nieuwe parlementaire jaar.
De commissie hervat de bespreking van het voorstel en de voorzitter herinnert eraan dat de belastingadministratie voldoende tijd had gevraagd om het voorstel te bestuderen (tot het begin van het nieuwe parlementaire jaar).
De vertegenwoordigster van de minister deelt het antwoord van de Administratie mee op de drie vragen die tijdens de vergadering van 5 juni zijn gesteld.
Vraag nr. 1 : wettigheid van het voorstel getoetst aan de Europese richtlijnen betreffende de niet-discriminatie van de onderdanen van de verschillende Lid-Staten van de Europese Unie.
Artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en bijgevoegde akten, gesloten te Rome op 25 maart 1957 en goedgekeurd door de wet van 2 december 1957, bepaalt het volgende : « Binnen de werkingssfeer van dit verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden. »
Het bovenvermelde wetsvoorstel voert een dergelijke discriminatie niet in aangezien de inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente waar het onroerend goed gelegen is als voorwaarde wordt opgelegd aan elke koper die het verminderd tarief wil verkrijgen, ongeacht of hij Belg is of een andere nationaliteit heeft. Het voorstel is dus niet in strijd met artikel 6, eerste lid, van het bovenvermelde verdrag.
Het wetsvoorstel is al evenmin in strijd met de artikelen 52 en 53 van het bovenvermelde verdrag die handelen over de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat.
Het voorstel stelt immers geen perken aan het recht van de onderdanen van andere Lid-Staten om een goed in België te verwerven en er te verblijven. Zij kunnen immers altijd een onroerend goed verwerven tegen het gewone tarief. Dit voorstel heeft voornamelijk tot doel te zorgen voor een correcte toepassing van een gunstige fiscale maatregel, die op zijn beurt tot doel heeft mensen met een bescheiden inkomen in staat te stellen een eerste woning in België te verwerven (in dit verband zij opgemerkt dat het niet mogelijk is rekening te houden met die gegevens wanneer ze zich in het buitenland bevinden).
Vraag nr. 2 : discriminatie onder Belgische burgers.
Zoals het thans is opgesteld, voert het wetsvoorstel geen discriminatie onder Belgen in aangezien de inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente waar het onroerend goed is gelegen, een voorwaarde is die aan eenieder op dezelfde manier wordt opgelegd.
De voorgestelde maatregel dreigt evenwel door sommige Belgen als onrechtvaardig te worden ervaren omdat mensen die zich om een of andere reden niet kunnen inschrijven in het bevolkingsregister van de gemeente waar het onroerend goed gelegen is, verhinderd worden zich een bescheiden woning aan te schaffen : concierges, personen die verplicht zijn zich te vestigen waar zij werken en soms verplicht zijn zich daar in te schrijven terwijl zij niet de middelen hebben om een bescheiden woning op die plaats te verwerven (bij voorbeeld te Brussel, waar het aantal bescheiden woningen zeer beperkt is en waar de prijzen nog hoger zijn dan de prijzen die door mensen die in het buitenland wonen, betaald worden voor goederen die in Wallonië, Vlaanderen of in de Oostkantons gelegen zijn).
Opgemerkt zij evenwel dat het hier gaat om zeldzame gevallen en dat elke gunstige fiscale regeling gepaard gaat met dergelijke discriminaties omdat er altijd belastingplichtigen zijn op wie die maatregel om persoonlijke redenen niet van toepassing kan zijn.
Vraag nr. 3 : weerslag op de begroting.
Het is niet mogelijk na te gaan welke weerslag de voorgestelde maatregel zal hebben op de begroting, want de invloed op de Belgische en vooral de in het buitenland gevestigde kopers is onmogelijk te bepalen. Indien de maatregel het koopgedrag van deze laatsten zou afremmen, zou er wel een verlies aan inkomsten uit kunnen volgen want (door de dalende concurrentie) kunnen de verkoopprijzen dalen. Het registratierecht van 6 % wordt immers op de verkoopprijs berekend. Indien de in het buitenland gevestigde kopers echter in België blijven kopen en dus het recht van 12,5 % betalen, kan deze maatregel een stijging van de inkomsten teweegbrengen.
De Administratie is uiteindelijk niet tegen de voorgestelde maatregel op voorwaarde echter dat vermeld wordt dat het om de inschrijving in de bevolkingsregisters of in het vreemdelingenregister gaat, als bepaald bij het koninklijk besluit van 16 juli 1962, en dat een aantal technische aanpassingen worden aangebracht met het oog op de samenhang van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Toch is de Administratie van oordeel dat de in het vooruitzicht gestelde maatregel niet zal beantwoorden aan de doelstelling die de indieners van het voorstel werkelijk voor ogen hebben, namelijk een daling teweegbrengen van de verkoopsprijzen in een aantal grensgebieden.
De vertegenwoordiger van de minister verklaart dat ze nog altijd wacht op de technische aanpassingen die de Administratie wenst aan te brengen.
Een commissielid verwijst naar de eurocraten die zich niet hoeven in te schrijven in het bevolkingsregister. Indien het wetsvoorstel de voorwaarde van inschrijving in het bevolkingsregister behoudt en burgers die niet aan die verplichting onderworpen zijn, daartoe verplicht, dan is er een probleem. Welk antwoord geeft de admistratie hierop ?
De minister dient de volgende amendementen in.
Opschrift
Amendement nr. 1
In het opschrift van dit voorstel de woorden « artikel 60 » vervangen door de woorden « de artikelen 55, 60, 611 en 612 ».
Artikel 2
Amendement nr. 2
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 2. Aan artikel 55, eerste lid, 2º, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, vervangen bij artikel 147 van de wet van 22 december 1989, wordt een d) toegevoegd, luidende :
« d) in geval van toepassing van artikel 53, 2º, dat de verkrijger of zijn echtgenoot zijn inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed zal bekomen ».
Artikel 3
Amendement nr. 3
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 3. In artikel 60 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de artikelen 1 van de wet van 27 februari 1978, 39 van de wet van 19 juli 1979 en 149 van de wet van 22 december 1989, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
« Het voordeel van de in artikel 53, 2º bedoelde vermindering blijft alleen dan behouden zo de verkrijger of zijn echtgenoot ingeschreven is in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister op het adres van het verkregen onroerend goed. Deze inschrijving moet geschieden binnen een termijn van drie jaar te rekenen van de datum van de authentieke akte van verkrijging en tenminste drie jaar zonder onderbreking behouden blijven ».
Artikel 4 (nieuw)
Amendement nr. 4
Een artikel 4 (nieuw) toevoegen luidende :
« Art. 4. Artikel 611 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 40 van de wet van 19 juli 1979 en gewijzigd bij artikel 150 van de wet van 22 december 1989, wordt vervangen door de volgende bepaling :
« Indien de vermindering vervalt bij gebreke van exploitatie binnen de termijn en gedurende de tijd bepaald in artikel 60, eerste lid, is de verkrijger, naast het aanvullend recht, een daaraan gelijke vermeerdering verschuldigd.
Indien de vermindering vervalt bij gebreke van inschrijving binnen de termijn en gedurende de tijd bepaald in artikel 60, tweede lid, is de verkrijger, naast het aanvullend recht, een daaraan gelijke vermeerdering verschuldigd.
De minister van Financiën kan evenwel van die vermeerdering geheel of gedeeltelijk afzien. »
Artikel 5 (nieuw)
Amendement nr. 5
Een artikel 5 (nieuw) toevoegen, luidende :
« Art. 5. In artikel 612 , ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 26 juli 1952, gewijzigd bij de artikelen 47 van de wet van 25 juni 1956, 72, 1º, van de wet van 12 juli 1976 en 62, 1º van de wet van 10 januari 1978 worden de woorden « van de artikelen 60 en 61 » vervangen door de woorden « van de artikelen 60, eerste lid en 611 , eerste lid ».
Verantwoording
Amendements nrs. 1, 2, 4 en 5
Deze amendementen zijn noodzakelijk om de voorgestelde maatregel efficiënt te maken.
Het opnemen in artikel 60 van voornoemd Wetboek van een nieuwe voorwaarde tot toekenning van de vermindering noodzaakt tot aanpassing van :
artikel 55, 2º, dat de vermeldingen inhoudt die de verkrijger in zijn verklaring onderaan op de akte moet opnemen en waarbij hij zich verbindt alle opgelegde voorwaarden na te komen;
artikel 611 , teneinde de sanctie in geval van niet-naleving van de nieuwe voorwaarde te bepalen;
artikel 612 , gelet op de nieuwe leden in de artikelen 60 en 611 .
Amendement nr. 3
Gelet op het doel van de maatregel namelijk het verminderd tarief uitsluitend toekennen aan verkrijgers die van de bescheiden woning hun hoofdverblijfplaats zullen maken is het wenselijk de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand te vervangen door een inschrijving in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister. Het is immers in de laatstgenoemde registers en niet in de registers van de burgerlijke stand dat alle personen die hun hoofdverblijfplaats in de gemeente hebben, zijn ingeschreven; die registers maken het dan ook mogelijk te controleren of de verkrijger of zijn echtgenoot wel degelijk zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd op het adres van de bescheiden woning.
Aangezien er geen reden is om te voorzien in een bijzondere inwerkingtredingsbepaling, wordt de tekst van het voorgestelde artikel 3 niet overgenomen.
Indien de commissie deze wijzigingen aanvaardt, gaat de minister akkoord met de goedkeuring van dit wetsvoorstel.
De indiener van het voorstel verklaart geen bezwaren te hebben tegen de goedkeuring van de regeringsamendementen.
Opschrift
Amendement nr. 1 van de regering wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Artikel 1
Dit artikel wordt aangenomen met dezelfde eenparigheid.
Artikel 2
Amendement nr. 2 van de regering en dus het artikel worden aangenomen met dezelfde eenparigheid.
Artikel 3
Amendement nr. 3 van de regering en dus het artikel worden aangenomen met dezelfde eenparigheid.
Artikel 4 (nieuw)
Amendement nr. 4 van de regering wordt aangenomen met dezelfde eenparigheid.
Artikel 5 (nieuw)
Amendement nr. 5 wordt aangenomen met dezelfde eenparigheid.
Het aldus geamendeerde wetsvoorstel wordt in zijn geheel eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 8 aanwezige leden.
| De rapporteur,
Jacques D'HOOGHE. |
De voorzitter,
Paul HATRY. |
Zie Stuk 1-290/4