1-4 | 1-4 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCE DU MERCREDI 12 JUILLET 1995 |
VERGADERING VAN WOENSDAG 8 JULI 1995 |
Bespreking en stemming over de conclusie
van de commissie voor de Justitie
Examen et vote des conclusions
de la commission de la Justice
De Voorzitter. Dames en heren, aan de orde is de bespreking van de vraag tot vervolging van een lid van de Senaat.
L'ordre du jour appelle l'examen de la demande de poursuites à charge d'un membre du Sénat.
Het woord is aan de heer Vandenberghe, die namens de commissie voor de Justitie mondeling verslag zal uitbrengen.
De heer Vandenberghe (CVP), rapporteur. Mijnheer de Voorzitter, op 1 juni 1995 heeft de procureur-generaal bij het Hof van beroep te Antwerpen aan de Voorzitter van de Senaat een dossier toegezonden waarbij hij, met verwijzing naar artikel 59, laatste lid, van de Grondwet berichtte dat er lastens een op 21 mei 1995 rechtstreeks verkozen senator een strafrechtelijke vervolging lopende is wegens misbruik van vertrouwen, gepleegd in het kader van zijn functie van bestuurder van de NV Kempense Steenkolenmijnen.
De betrokken senator was, tot de laatste ontbinding, lid van de toenmalige Kamer van volksvertegenwoordigers en de Vlaamse Raad.
Ingevolge de beslissingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Vlaamse Raad genomen op respectievelijk 2 februari 1995 en 22 februari 1995, werd in die aangelegenheid eerder al besloten zijn parlementaire onschendbaarheid niet op te heffen.
De onderzoeksrechter te Hasselt heeft na de ontbinding van de voormelde parlementaire instellingen de betrokken senator op 20 april 1995 in verdenking gesteld wegens het hogere aangehaalde misdrijf, wat een daad van vervolging lastens die persoon is.
Andere leden van de raad van bestuur van de NV Kempense Steenkolenmijnen waren, wegens die feiten, voordien reeds in verdenking gesteld door deze onderzoeksrechter.
Teneinde de Senaat in staat te stellen te gelegenertijd met kennis van zaken een eventuele vordering tot schorsing van de sedert 20 april 1995 lopende vervolging lastens de bovengenoemde senator te nemen, werd op 1 juni 1995 een kopie van de relevante stukken uit het desbetreffende strafdossier overgezonden.
De feiten behelzen een zogenaamde studiereis die de betrokkene samen met andere leden van de raad van bestuur van de NV Kempense Steenkolenmijnen in het gezelschap van hun echtgenotes ondernam naar de Verenigde Staten en Canada in de loop van de maanden september en oktober 1991. Het doel van de reis was zich een beeld te vormen van de haalbaarheid van het ERC-project in Limburg.
Er wordt hem meer in het bijzonder verweten dat hij zijn echtgenote deze reis heeft laten maken en dat hij ermee heeft ingestemd dat ook de echtgenotes van bepaalde andere bestuurders aan deze reis deelnamen, dit alles op kosten en ten nadele van de vennootschap.
Bovendien zou hij tijdens die reis een niet nader te bepalen bedrag aan persoonlijke uitgaven hebben bestemd voor rekening en ten nadele van dezelfde vennootschap, en zou hij er ook mee hebben ingestemd dat andere leden van de raad van bestuur gelijkaardige uitgaven deden, ervan op de hoogte zijnde dat de vennootschap gelden van de Gemeenschap ontving met het oog op de reconversie van Limburg en van Vlaanderen.
Deze feiten worden aanzien als een bedrieglijke verspilling van hem toevertrouwde gelden, wat strafbaar wordt gesteld door artikel 491 van het Strafwetboek.
In het bundel bevinden zich een verklaring op datum van 8 juli 1994 afgelegd ten behoeve van de voorzitter van de Kamer, alsook een proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter, waarin de betrokken senator uitleg verschaft over de betwiste studiereis en over de redenen die volgens hem de aanwezigheid van de echtgenotes bij die reis verantwoorden.
Ten eerste waren er op dat ogenblik in de raad van bestuur grote spanningen en kon een studiereis samen met de echtgenotes ertoe bijdragen een eventuele breuk in de raad van bestuur te vermijden.
Bovendien was het zinvol om naast de visie van de leden van de raad van bestuur ook het oordeel van onbevooroordeelden te kennen inzake dergelijke projecten, vooral omdat de « decision makers » om pretparken te bezoeken de kinderen en de moeders zijn en pas in laatste instantie de vaders.
De senator voert ook dat gelet op het reisschema en de agenda men bezwaarlijk kan beweren dat het hiet om een snoepreisje ging.
Hij verklaart bovendien dat de beslissing om over te gaan tot een studiereis samen met de echtgenotes, unaniem werd genomen in de raad van bestuur van de KS. Deze beslissing werd als zodanig in volle openheid door de raad van bestuur besproken en zoals gebruikelijk nadien ook schriftelijk genotuleerd.
Wat de reiskosten betreft, bevestigt de senator dat het verblijf door de KS werd betaald. Hij betwist evenwel de berekening van het in de inverdenkingstelling genoemde bedrag van 705 176 frank, dat bekomen wordt door de totale kostprijs te delen door het aantal deelnemers, en te vermenigvuldigen met het aantal echtgenotes dat deelnam aan de reis. Persoonlijke uitgaven heeft hij de KS niet aangerekend.
Tevens onderstreept hij dat de KS een privaatrechtelijke vennootschap was. Pas sinds enkele jaren, zeker na de reis naar de Verenigde Staten en na de werkzaamheden van de parlementaire onderzoekscommissie, is men de KS gaan beschouwen als een publiekrechtelijke rechtspersoon, hoewel de statuten niet zijn aangepast.
Verder vermeldt de betrokken senator dat de overheid middels de commissaris van de Executieve en de gemachtigde van Financiën geen redenen heeft gezien om dit werkbezoek van de leden van de raad van bestuur met hun respectieve echtgenotes te beschouwen als een inbreuk op rechtmatige belangen van de overheid.
Op geen enkel ogenblik en op geen enkele wijze hebben de commissaris en de gemachtigde gebruik gemaakt van hun schorsingsbevoegdheid.
De aandeelhouder van KS heeft het evenmin nodig geacht twijfels te uiten over dit werkbezoek.
Ter zake werden door het Rekenhof ook nooit opmerkingen geformuleerd.
Het dossier bevat ook de ondervragingen van de diverse bestuurders van de KS die al dan niet de reis hebben meegemaakt, en wier verklaringen over het algemeen overeenstemmen met deze van de betrokken senator.
De commissie heeft besloten het dossier betreffende de eventuele schorsing van de vervolging met gesloten deuren te behandelen, met dien verstande dat alleen de effectieve leden van de commissie tot de vergaderzaal werden toegelaten. Plaatsvervangende leden werden enkel toegelaten in zoverre zij op dat ogenblik een effectief lid vervingen.
Nadat de rapporteur over de inhoud van het dossier toelichting had verstrekt, heeft de commissie de betrokken senator gehoord.
De commissie heeft bij haar bespreking rekening gehouden met de criteria die door de rechtsleer in aanmerking worden genomen en met de praktijk van de federale Kamers bij de beoordeling van een verzoek tot opheffing van de parlementaire onschendbaarheid en, mutatis mutandis, bij de beoordeling van een eventuele schorsing van de vervolging ingesteld tegen een parlementslid.
Het verzoek tot opheffing van de parlementaire onschenbaarheid moet ernstig en eerlijk zijn. De Kamers onderzoeken of er geen redenen zijn die de schorsing van de vervolging of de weigering om de parlementaire onschendbaarheid op te heffen, kunnen wettigen. Deze schorsing of deze weigering kunnen immers gewettigd zijn wanneer de strafbare feiten een politieke achtergrond hebben en met een politiek doel werden begaan.
Volgens de rechtsleer kan het verzoek niet als ernstig worden beschouwd « si elle se heurte manifestement à un obstacle de droit ou si elle n'est pas appuyée par les indices suffisants de l'existence des faits imputés ».
Maatregelen van onderzoek of vervolgingen zijn alleen dan gerechtvaardigd indien genoegzaam bewezen is dat de in het verzoek aangevoerde feiten werkelijk hebben plaatsgevonden. Volgens de jurisprudentie van de federale Kamers moet het verzoek afgewezen worden wanneer de beschuldiging kennelijk ongegrond is. De toestemming zal worden geweigerd indien, prima facie, de feiten geen strafbaar karakter hebben of indien de strafvordering kennelijk onontvankelijk is dan wel vervallen.
Te vermelden is dat de Kamer van volksvertegenwoordigers, bij wie een vraag tot opheffing van de parlementaire onschendbaarheid van de betrokkene aanhangig was, zich in haar vergadering van 2 februari 1995 aangesloten heeft bij de conclusies van de Commissie voor de vervolgingen en beslist heeft geen verlof te verlenen tot het instellen van vervolgingen en dientengevolge zijn parlementaire onschendbaarheid niet heeft opgeheven. Eenzelfde beslissing werd genomen door de Vlaamse Raad op 23 februari 1995.
De commissie van de Kamer was het erover eens dat in casu de feiten niet het onvoorziene gevolg zijn van een politieke actie en dat evenmin sprake is van een misdrijf met duidelijk politieke drijfveren.
Verschillende commissieleden waren echter de mening toegedaan dat geen toestemming moest worden verleend om de betrokkene te vervolgen, onder meer omdat uit het onderzoek van het dossier en uit de door hem afgelegde verklaringen blijkt dat, mede gelet op de rechtspraak en de rechtsleer ter zake, de aangeklaagde feiten die overigens niet werden betwist prima facie onbeduidend zijn.
Met eenparigheid van de negen stemmen stelt de commissie voor om de vervolging lastens de betrokken senator op te schorten. Met eenparigheid wordt eveneens ingestemd met een mondeling verslag. Een schriftelijk verslag zal later worden rondgedeeld.
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Loones.
De heer Loones (VU). Mijnheer de Voorzitter, dit soort van dossiers is altijd delicaat. Voor ons is de situatie op het ogenblik echter bijzonder moeilijk. Het zou natuurlijk gemakkelijker zijn, indien men de stelregel volgde dat het parlementslid zelf, zoals wel eens is afgesproken in een akkoord, de opheffing van zijn onschendbaarheid aanvaardt om mee te werken aan het onderzoek. Dan zou men het ons niet zo moeilijk maken.
Vandaag behandelen wij een dossier dat onze fractie niet heeft kunnen inzien. Wij hebben de besprekingen in de commissie niet kunnen bijwonen. Bovendien kregen wij vandaag pas een mondeling verslag. Wij hebben dus in onze fractie niet kunnen overleggen over de houding die wij zullen aannemen.
Hiervoor moet een oplossing worden gevonden. In de Senaat wordt er geen bijzondere commissie opgericht voor de behandeling van dergelijke dossiers. De commissie voor de Justitie behandelt hier deze dossiers. Elke senator zou dus kunnen aanwezig zijn bij de behandeling ervan in de commissie. De commissie heeft echter op grond van punt 5 van artikel 23 van het Reglement van de Senaat het recht andere senatoren niet toe te laten tot haar werkzaamheden. Dit is hier blijkbaar het geval geweest. Enkele collega's werd immers, zij het vriendelijk, verzocht de verrichtingen van de commissie niet bij te wonen.
Ik vraag dat het Bureau van de Senaat voor de toekomst een andere werkwijze vastlegt, zodat de niet-erkende fracties tot de besprekingen in de commissie worden toegelaten. Anders zullen er incidenten ontstaan en dat is niet wenselijk in deze materie. Dit strookt bovendien ook niet met de traditie in de Senaat.
Dit is dus een principiële vraag, mijnheer de Voorzitter. Ik hoop dat wij in de toekomst niet te veel door dit soort van dossiers geteisterd worden, maar de politieke situatie laat anders vermoeden.
De Volksunie vraagt uitdrukkelijk aan dit soort van commissiebesprekingen te kunnen deelnemen. Het Reglement van de Senaat staat dit toe.
Wij zullen ons onthouden bij de stemming over dit dossier. Wij hebben er geen kennis van kunnen nemen en kunnen er dus ook niet met de nodige kennis van zaken over oordelen.
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Boutmans.
De Boutmans (Agalev). Mijnheer de Voorzitter, daar de heer Loones reeds in grote lijnen heeft gezegd wat ik naar voren wens te brengen, sluit ik mij aan bij zijn opmerkingen. Ik heb mijn mening reeds aan de commissie voor de Justitie en haar voorzitter, die ik ten zeerste respecteer, bekendgemaakt. Er werd mij geantwoord dat er in de Senaat een bepaalde traditie bestaat. Ik heb mij daar voorlopig bij neergelegd.
Ik heb echter mijn twijfels over de juistheid van de manier van werken. Het lijkt in de beraadslagende organen geen algemeen aanvaard principe te zijn. Ik vernam namelijk van de heer Daras dat de leden van de Waalse Gewestraad die inzage wensen in het dossier, ook inzage krijgen, ook in de Kamer is dat het geval. Dat zou in de Senaat een nuttige, vernieuwende traditie kunnen worden.
Ik ben 25 jaar advocaat en heb de ervaring dat men over een gerechtelijk dossier geen zinvol standpunt kan innemen wanneer men het niet heeft kunnen doornemen. In de Senaat komt er voor de leden van de kleine fracties dan nog bij dat zij in de commissie niet vertegenwoordigd zijn zodat zij ook langs die weg niet over de vereiste informatie kunnen beschikken.
Mijnheer de Voorzitter, ik dring erop aan dat voor dit probleem naar een oplossing wordt gezocht. Ik heb ook doen opmerken dat daarover in het Reglement niets uitdrukkelijk wordt gezegd. Op die opmerking werd geantwoord dat er een bepaalde ongeschreven traditie bestaat en ik heb mij voorlopig ook daarbij neergelegd.
De Agalev-fractie en de Ecolo-fractie zullen zich bij de stemming onthouden. Het gaat hier niet om bepaalde personen of om een bepaalde zaak, maar in de toekomst moet er in verband met de werkwijze omtrent een vraag tot vervolging van een lid van de Senaat een oplossing worden gevonden.
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Verreycken.
De heer Verreycken (Vl. Bl.). Mijnheer de Voorzitter, het is niet aangewezen enig onderzoek met een handicap te laten starten omwille van iets dat door de publieke opinie als een reflex van zelfbescherming kan worden beschouwd.
Het Parlement moet zich inderdaad niet uitspreken over de al dan niet onbeduidendheid van een dossier want daarvoor dient het onderzoek zelf. Het Parlement moet zich uitspreken over de al dan niet politieke bijbedoelingen van de onderzoekers. Indien die bijbedoelingen duidelijk zijn dan moet de onschendbaarheid niet worden opgeheven. In het andere geval is het beter dat de betrokkene zelf erop aandringt dat een onderzoek kan plaatsvinden.
Daar wij net een mondeling verslag hebben gehoord, is het onmogelijk om met onze fractie te overleggen welke houding wij zullen aannemen. Omdat wij niet plomp willen tegenstemmen noch voorstemmen, zullen wij ons onthouden en ons tijdens onze eerstvolgende fractievergadering beraden. Dit lijkt mij de meest eerlijke wijze van werken.
M. le Président. La parole est à M. Lallemand, président de la commission de la Justice.
M. Lallemand (PS). Monsieur le Président, le Sénat a en effet, une tradition bien établie en la matière.
Il a pensé que le huis clos qui est prévu dans le Règlement, comme M. Loones l'a rappelé à juste titre, assure une solution élégante aux problèmes que posent les demandes de levée d'immunité.
Les autorités judiciaires et les intéressés ont toujours souhaité que les informations relatives à des dossiers qui concernent des personnes et souvent d'autres personnes que les parlementaires eux-mêmes circulent de manière contrôlée et limitée notamment au sein d'une commission spécialisée, en l'occurrence la commission de la Justice. Par une sorte d'engagement commun, les membres de cette commission observent une discrétion qui, je me plais à le souligner, a généralement été respectée.
Des observations, ayant plus particulièrement trait à la non-intervention, des membres des groupes politiques non reconnus, ont été formulées. Ces observations soulèvent une question spécifique à laquelle une solution pourrait peut-être être trouvée à condition que l'intervention de ces groupes politiques soit, bien entendu, réglée par le Bureau et par le Sénat.
Personnellement, je ne suis pas opposé à une telle solution. Mais je ne crois pas souhaitable que tous les membres du Sénat puissent consulter un dossier alors même qu'ils ne sont pas membres de la commission de la Justice. Une telle pratique n'est pas saine ni de bonne politique.
Je suis néanmoins disposé à envisager une solution permettant à certains membres des groupes politiques qui ne sont pas représentés d'avoir l'occasion d'être informés des problèmes soumis à la discussion du Sénat et qui, le cas échéant, peuvent être d'ordre politique.
Je m'accorde donc avec l'objection formulée pour dire que la situation actuelle peut susciter une interrogation légitime. Je m'efforcerai de formuler une proposition. Je ne puis toutefois engager le Sénat. Ces opinions que je viens d'émettre sont personnelles.
M. le Président. Quelqu'un demande-t-il encore la parole dans la discussion ?
Vraagt nog iemand het woord in de beraadslaging ?
Plus personne ne demandant la parole, je mets aux voix les conclusions du rapport.
Daar niemand meer het woord vraagt, breng ik de conclusie van het rapport in stemming.
Les conclusions du rapport, mises aux voix par assis et levé, sont adoptées.
De conclusie van het rapport, bij zitten en opstaan in stemming gebracht, wordt aangenomen.
M. le Président. J'ai noté que trois fractions se sont abstenues.
Ik heb genoteerd dat drie fracties zich hebben onthouden.
Je porterai la décision du Sénat à la connaissance du procureur général concerné.
Ik zal de beslissing van de Senaat ter kennis brengen van de betrokken procureur generaal.