1-284/6

1-284/6

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

12 DECEMBER 1997


Wetsontwerp tot wijziging van artikel 18 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en van artikel 19 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEREN HAZETTE EN HATRY

Art. 2

De tweede zin van de voorgestelde § 9 aanvullen met de woorden « of indien die beslissing genomen is wegens moeilijkheden of betwistingen met betrekking tot de vaststelling van de verblijfplaats van de persoon en de minister van Binnenlandse Zaken, in weerwil van artikel 15, eerste lid, van de wet van 2 april 1965, het geschil niet beslecht heeft binnen de termijn waarover het OCMW beschikt om uitspraak te doen ».

Verantwoording

Krachtens artikel 15, eerste lid, van de wet van 2 april 1965 moet de minister van Binnenlandse Zaken uitspraak doen in betwistingen met betrekking tot de vaststelling van de verblijfplaats van de persoon. Hij is niet gebonden aan een termijn om uitspraak te doen. Het OCMW heeft 30 dagen om zich over zijn bevoegdheid uit te spreken. Het zou niet normaal zijn dat de minister die bevoegd is voor de maatschappelijke integratie en dienstverlening, het OCMW kan bestraffen als een federale minister verzuimt op te treden.

Nr. 2 VAN DE HEREN HAZETTE EN HATRY

Art. 3

De tweede zin van de voorgestelde § 3 aanvullen met de woorden « of indien die beslissing genomen is wegens moeilijkheden of betwistingen met betrekking tot de vaststelling van de verblijfplaats van de persoon en de minister van Binnenlandse Zaken, in weerwil van artikel 15, eerste lid, van de wet van 2 april 1965, het geschil niet beslecht heeft binnen de termijn waarover het OCMW beschikt om uitspraak te doen ».

Verantwoording

Krachtens artikel 15, eerste lid, van de wet van 2 april 1965 moet de minister van Binnenlandse Zaken uitspraak doen in betwistingen met betrekking tot de vaststelling van de verblijfplaats van de persoon. Hij is niet gebonden aan een termijn om uitspraak te doen. Het OCMW heeft 30 dagen om zich over zijn bevoegdheid uit te spreken. Het zou niet normaal zijn dat de minister die bevoegd is voor de maatschappelijke integratie en dienstverlening, het OCMW kan bestraffen als een federale minister verzuimt op te treden.

Pierre HAZETTE.
Paul HATRY.

Nr. 3 VAN DE HEER D'HOOGHE

Art. 2

A. In de voorgestelde § 9 de woorden « die in kracht van gewijsde is gegaan herhaaldelijk veroordeeld wordt tot de toekenning van het bestaansminimum, kan de minister, tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, bij een met redenen omklede beslissing » vervangen door de woorden « die in kracht van gewijsde is gegaan veroordeeld wordt tot de toekenning van het bestaansminimum, kan de minister, tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, op basis van deze rechterlijke beslissing en het verslag van zijn inspectiedienst waaruit de stelselmatigheid van optreden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in deze problematiek blijkt, bij een met redenen omklede beslissing ».

Verantwoording

Hierbij wordt ingegaan op de bekommernis van de Kamer van volksvertegenwoordigers om geen OCMW's te treffen die door een interpretatiefout het risico zouden lopen gesanctioneerd te worden. Zoals reeds bleek uit het document nr. 284/1 is het niet de bedoeling het OCMW te bestraffen dat ter goeder trouw in een bepaald geval een verkeerde interpretatie van de wet maakt, maar wel het OCMW dat de territoriale bevoegdheidsregels miskent. De Kamer van volksvertegenwoordigers had om deze gedachte in de praktijk te vrijwaren het woord « herhaaldelijk » in de tekst ingevoegd, wat impliceert dat een OCMW herhaaldelijk veroordeeld moet zijn vooraleer de minister kan optreden. Wetende dat bestaansminimumtrekkers en daklozen niet zo vlug naar de rechtbank stappen om hun rechten op te eisen, zou dit in wezen een uithollen betekenen van de voorgestelde maatregel.

De idee toch trouw blijvende dat niet een toevallige fout tot sanctionering mag leiden, kan hetzelfde resultaat bekomen worden door de verplichting op te leggen dat de minister zich onder meer bij zijn motivatie moet steunen op het inspectieverslag waaruit blijkt dat het OCMW er een zekere stelselmatigheid op nahoudt inzake de behandeling van daklozen, steuntrekkers, bestaansminimumtrekkers, ...

B. In de voorgestelde § 9 de zin « Die sanctie kan niet worden opgelegd indien de beslissing van het OCMW was gegrond op de beslissingen van een toezichthoudende overheid » doen vervallen.

Verantwoording

Zonder afbreuk te willen doen aan de systemen die in Walloniė zijn opgezet om de OCMW's behulpzaam te zijn bij de problematiek van de bevoegdheidsbepaling, kan het door de Kamer van volksvertegenwoordigers gestemde amendement niet om principiėle redenen. Voogdij betekent precies dat de toeziende overheid « post factum » de beslissing van de lokale besturen beoordeelt, behoudens de uitzonderingssituatie van dwangtoezicht. Een grondbeginsel van de voogdijregeling is eveneens dat de toezichthoudende overheid zich niet in de plaats kan stellen van het lokaal bestuur. Vanuit het respect voor het beginsel van de lokale autonomie, kan derhalve geen clausule worden opgenomen waarbij lokale besturen hun verantwoordelijkheid afwentelen op een hogere instantie via een zogenaamde officieuze adviesprocedure. Bovendien lost de schrapping van bedoelde zin ook de problemen op, geformuleerd door de heren Hazette en Hatry.

Nr. 4 VAN DE HEER D'HOOGHE

Art. 3

A. In de voorgestelde § 3 de woorden « die in kracht van gewijsde is gegaan herhaaldelijk veroordeeld wordt tot steunverlening, kan de minister, tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, in de gevallen waarin de kosten overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van deze wet ten laste zijn van de Staat, bij een met redenen omklede beslissing » vervangen door de woorden « die in kracht van gewijsde is gegaan veroordeeld wordt tot steunverlening, kan de minister, tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort, op basis van deze rechterlijke beslissing en het verslag van zijn inspectiedienst waaruit de stelselmatigheid van optreden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in deze problematiek blijkt, bij een met redenen omklede beslissing ».

Verantwoording

De motivering is dezelfde als deze bij amendement nr. 3, A.

B. In de voorgestelde § 3 wordt de zin « Die sanctie kan niet worden opgelegd indien de beslissing van het OCMW was gegrond op de beslissingen van een toezichthoudende overheid » doen vervallen.

Verantwoording

De motivering is dezelfde als deze bij amendement nr. 3, B.

Nr. 5 VAN DE HEER D'HOOGHE

Art. 2

In de voorgestelde § 9 de woorden « was gegrond op de beslissingen » vervangen door de woorden « in overeenstemming is met de beslissing ».

Nr. 6 VAN DE HEER D'HOOGHE

Art. 3

In de voorgestelde § 3 de woorden « was gegrond op de beslissingen » vervangen door de woorden « in overeenstemming is met de beslissing ».

Jacques D'HOOGHE.