1-571/3 | 1-571/3 |
18 MAART 1997
Wetsvoorstel inzake het taalgebruik op de identiteitskaarten
De minister schetst de context van het ontwerp.
Dit heeft als doel de lange discussie af te sluiten die sinds het koninklijk besluit van 29 juli 1985 aan de gang is over de meertalige opschriften van de identiteitskaarten.
Er was vooreerst het arrest-Vandezande van de Raad van State van 20 december 1991 dat de uitreiking van diens viertalige identiteitskaart vernietigde.
Het arrest vernietigde echter niet de reglementaire akte die aan de basis lag van deze onregelmatige bestuurshandeling, namelijk het koninklijk besluit zelf, omdat de Raad niet gevat was over dit probleem.
Volgens een later arrest van de Raad van State (6 november 1996) moest de uitvoering van de vernietigingsbeslissing gebeuren door de federale overheid, die dientengevolge een dwangsom kreeg opgelegd.
Uit vorige arresten hadden sommigen menen te kunnen afleiden dat zulks een materie was die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoorde, maar aan deze interpretatie kwam door het laatste arrest een einde.
Daar waar een paspoort meertalig is, is de identiteitskaart in principe eentalig.
De Raad van State leidde de federale bevoegdheid af uit artikel 129, § 2, tweede streepje, van de Grondwet.
De Vlaamse regering had inmiddels een ontwerpdecreet klaarliggen met inhoudelijk dezelfde bepalingen als die welke nu voorliggen.
De voorgedrukte vermeldingen zouden meertalig zijn, terwijl de individuele gegevens eentalig zouden zijn.
De verenigde kamers hebben hierop een advies verstrekt, waaruit bleek dat het hier om een federale bevoegdheid ging.
Het voorliggend ontwerp trekt hieruit de besluiten. Het opschrift en het land mochten dus in vier talen verschijnen, terwijl de voorgedrukte vermeldingen in het Frans of het Nederlands vermeld moesten worden, telkens voorzien van een Engelse vertaling.
De individuele gegevens dienden dan weer vermeld in de streektaal, omdat het daar duidelijk ging over bestuurshandelingen van een lokale dienst.
b) Toelichting door de heer Van Hauthem bij zijn voorstel nº 1-92/1
De indiener stelt dat het kwaad in feite is geschied door het koninklijk besluit van 29 juli 1985.
Dit koninklijk besluit ging in tegen de adviezen van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht van 10 mei 1984 en 21 maart 1985.
Op 20 december 1991 viel dan het eerste arrest van de Raad van State.
Spijtig genoeg kon enkel de bestuurshandeling worden vernietigd en niet het koninklijk besluit als zodanig.
Dit gaf aanleiding tot veel discussies in de Kamer van volksvertegenwoordigers, waarbij als oplossing door de indiener werd voorgesteld de identiteitskaarten terug te conformeren via een wet.
Het voorliggend wetsvoorstel is een nieuwe poging om dit te organiseren, maar dan wel met een overgangsmaatregel, waardoor de intrekking van alle identiteitskaarten van het land wordt vermeden : het nieuwe systeem zal enkel gelden voor de nieuwe IK's.
Deze optie werd door de regering niet aanvaard, ondanks een interpellatie tot de minister in het najaar 1996, met als gevolg dat er een tweede arrest viel op 6 november 1996, waarbij aan de federale overheid een dwangsom werd opgelegd.
Volgens de spreker verwijst de minister in zijn memorie van toelichting onder meer naar een resolutie van het Europees ministercomité nr. 77 (26) van 28 september 1977 om zijn ontwerp te steunen. Doch deze resolutie bevat geen enkele verplichting over taalgebruik. Het is enkel een aanbeveling.
Hij verwijst ook naar een Europees akkoord betreffende personenverkeer afgesloten in de Raad van Europa, ondertekend op 13 december 1957.
Dit akkoord houdt evenmin een verplichting in.
Het zou trouwens de moeite lonen na te gaan in hoeverre in andere landen van de Europese Unie de identiteitskaarten meertalig zijn.
De enige vraag is uiteindelijk of het gaat om een bestuurshandeling van een plaatselijke autoriteit of niet.
Om de zaak goed te begrijpen moet men het tweede arrest lezen in samenlezing met het eerste, dat zijn bewering dat het om een plaatselijke uitreiking ging (met als gevolg de eentaligheid), stoelde op artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet op het gebruik der talen in bestuurszaken.
Dit hield meteen de toepasselijkheid in van artikel 129 van de Grondwet, waardoor de materie moest geregeld worden door decreet.
Het feit dat het tweede arrest de federale staat een dwangsom oplegde, heeft niets te maken met de bevoegdheid, maar enkel met de feitelijke onmogelijkheid in hoofde van de stad Leuven om dit arrest uit te voeren zonder medewerking van deze federale staat, die de blanco kaarten drukt.
Daaruit leidt de minister volgens de spreker ten onrechte af dat hij bevoegd is qua wetgeving.
De minister beweert dat het tweede arrest het eerste overneemt qua inhoud, maar niet qua bevoegdheid. Die uitspraak vervalt wanneer de wet verandert.
De heer Van Hauthem vraagt wat dan het lot is van het koninklijk besluit van 29 juli 1985 indien de wet er komt.
Hij stelt ook vast dat de minister in feite de taalwet niet verandert, maar zijn heil zoekt in een wetgeving sui generis , waardoor hij zich federaal bevoegd maakt, daar waar ze eigenlijk een gemeenschapsmaterie regelt.
Gesteld dat de federale overheid bevoegd is, wat dan gedaan met artikel 42 onder Hoofdstuk V van de bestuurstaalwet, handelend over nationale diensten, dat bepaalt dat deze diensten de getuigschriften en akten opstellen in die van de drie talen waarvan de belanghebbende particulier het gebruik vraagt. Als een identiteitskaart een getuigschrift is, kan het dus maar in één taal worden afgeleverd.
De redenering gevolgd door de minister is een gevaarlijk precedent, omdat er nog wel andere plaatselijke diensten zijn die akten afleveren als doorgeefluik van de federale overheid. Als men die redenering volgt, betekent dit een gevaar voor verdere uitholling van de bevoegdheden van de gemeenschappen.
Blijft ook de vraag hoe het gesteld is met de identiteitsbewijzen afgeleverd in andere landen. Zijn deze laatsten ook zo ijverig om de Europese regelgeving toe te passen ?
Europa is aldus ten onrechte meer en meer een voorwendsel om de bestuurlijke eentaligheid op de helling te zetten.
Een lid vindt dat de uitleg van de Raad van State in het tweede arrest in strijd is met het eerste arrest, door niet meer te verwijzen naar artikel 14, § 1, bestuurstaalwet.
De minister betwist dit andermaal : in het tweede arrest werd het eerste gelaten voor wat het is.
Hetzelfde lid wijst erop dat de federale overheid verplicht is zich te conformeren naar de taalwet; ze is enkel bevoegd om directieven te geven en niet om de wet te wijzigen.
De minister repliceert dat men niet meer kan bevoegd zijn voor het uitvaardigen van directieven indien men ten gronde onbevoegd is.
Hoewel de Raad van State in haar arrest van 1991 de bevoegdheid van de federale Staat impliciet betwist, heeft ze deze stelling ingetrokken in het arrest van 1996, zo niet had ze de vordering onontvankelijk moeten verklaren.
In haar adviezen heeft de Raad dit laatste bevestigd, zich in feite baserend op het feit dat de rubrieken en vermeldingen bovenaan de kaart centraal worden aangemaakt. Daarvoor is de federale staat bevoegd.
Voor de individuele vermeldingen zijn dan weer de gemeenschappen bevoegd.
Zo de heer Vandezande logisch ware geweest met zichzelf had hij in feite een procedure moeten op gang brengen tegen de Vlaamse Gemeenschap om haar te verplichten te handelen.
De minister blijft erbij dat de Raad van State geen overheid kan veroordelen die niet bevoegd is.
Een senator vraagt aan de minister waarom hij dan neen zegt tegen minister-president Van den Brande als deze zijn eigen theorie toepast.
Volgens de minister komt dit omat er inmiddels een advies is van de Verenigde Kamers dat duidelijk zegt dat de federale overheid bevoegd is.
De vorige spreker betwist de inhoud van dit advies, en vindt dat men de voorkeur moet geven aan de arresten samengenomen.
Artikel 1
Er zijn geen opmerkingen.
Het artikel wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1, bij 1 onthouding.
Artikel 2
De heer Van Hauthem dient een amendement in (nr. 1) dat ertoe strekt zijn oorspronkelijk voorstel mits een kleine terminologische wijziging in te lassen in de door de regering ontworpen tekst.
Het amendement wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.
Het oorspronkelijk artikel wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.
Artikel 3
Het artikel wordt aangenomen met 8 stemmen, bij 2 onthoudingen.
Het ontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 7 stemmen tegen 1 stem, bij 2 onthoudingen.
Door het aannemen van dit ontwerp vervalt het voorstel nr. 1-92/1.
Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van haar verslag.
| De rapporteur,
Francy VAN DER WILDT. |
De voorzitter,
Joëlle MILQUET. |