1-571/1 | 1-571/1 |
10 MAART 1997
In een arrest van 6 november 1996 (arrest R. Vandezande, nr. 62963) heeft de Raad van State, op gezag van het niet uitvoeren van een arrest dat hij eerder, op 20 december 1991 uitgesproken heeft ten opzichte van dezelfde verzoeker (arrest nr. 38376), de Belgische Staat veroordeeld tot een dwangsom van 10 000 frank per week, te rekenen vanaf 3 maart 1997, namelijk tot het verstrijken van een termijn van drie maanden die ingaat op de datum van de betekening van het arrest.
Men dient op te merken dat de vraag om een dwangsom die de verzoeker ingediend heeft, zowel de Belgische Staat als de Stad Leuven beoogde. De Raad van State heeft echter, zoals hierboven vermeld is, alleen de Belgische Staat aansprakelijk gesteld.
Het voormelde arrest van 20 december 1991 vernietigde het koninklijk besluit van 29 juli 1985 betreffende de identiteitskaarten (Belgisch Staatsblad van 7 september 1985) niet, maar gelastte de Stad Leuven (en de Belgische Staat) om aan de verzoeker een identiteitskaart uit te reiken overeenkomstig artikel 14, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat wil zeggen een identiteitskaart waarvan alle vermeldingen strikt eentalig zijn.
Het ontwerp van wet dat u wordt voorgelegd, heeft in de eerste plaats tot doel het aanbrengen op de identiteitskaart bedoeld in artikel 6 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten, bovenaan op de voorzijde van het document te verplichten, van de vermeldingen « België » enerzijds, en « identiteitskaart », « identiteitskaart voor vreemdeling » en « verblijfskaart voor vreemdeling » anderzijds, naargelang de houder van de kaart de hoedanigheid heeft van Belg, van vreemdeling die de toelating heeft om zich in het Rijk te vestigen en die onderdaan is van een Staat die geen lid is van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, of van vreemdeling die onderdaan is van een Lidstaat van deze Unie of van deze Ruimte en die in België verblijft. In tweede instantie strekt het ontwerp ertoe het gebruik van de talen te regelen voor deze vermeldingen alsook voor de titels van de rubrieken waaronder op dit document de persoonlijke gegevens aangebracht worden die specifiek zijn voor de houder.
De ontworpen wet strekt ertoe, via wettelijke weg, de situatie te regulariseren die via reglementaire weg in 1985 tot stand gebracht is (koninklijk besluit van 29 juli 1985 betreffende de identiteitskaarten).
De toenmalige Regering was van oordeel dat, aangezien de identiteitskaart vooral gebruikt wordt door de personeelsleden van de openbare overheid om de houder van de kaart te identificeren, hetzij op om het even welke plaats van het grondgebied, hetzij op het grondgebied van een Lidstaat van de Raad van Europa, het aangewezen was dat deze personeelsleden in hun eigen taal of in een officiële taal van de Raad van Europa konden bepalen dat het ging om een identiteitskaart en dat zij bovendien was uitgereikt in België.
Met andere woorden, het ontwerp van wet schrijft voor dat de twee vermeldingen waarvan hierboven sprake (« België » en « identiteitskaart ») op de kaart moeten voorkomen in de drie landstalen en in het Engels, met voorrang ofwel voor de taal van de gemeente die het document aflevert, ofwel voor de taal die de houder gekozen heeft uit de talen waarvan het gebruik toegestaan wordt in de zin van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken in de gemeenten van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, alsook in de gemeenten die met een speciale taalregeling begiftigd zijn.
Er moet benadrukt worden dat de identiteitskaart veel meer is dan een eenvoudig bewijs dat aan de privé-personen door tussenkomst van de plaatselijke diensten wordt afgeleverd.
Op juridisch vlak en de rechtspraak is op dit punt standvastig wordt de identiteitskaart immers ontleed als een bewijs van inschrijving in de bevolkingsregisters die ontegensprekelijk weer tot het ressort van de federale macht behoort, zoals aangetoond wordt door de wetgeving die deze registers regelt en door haar uitvoeringsbesluiten.
Het is van belang te preciseren dat de identiteitskaart van het Europese type zoals zij bepaald wordt in het koninklijk besluit van 29 juli 1985 voor zover zij afgeleverd wordt aan de Belgen, fundamenteel verschilt van de identiteitskaart die bepaald werd door het koninklijk besluit van 26 januari 1967. Terwijl deze kaart op het ogenblik van haar aflevering opgesteld werd door de aangestelde van het gemeentebestuur, worden alle vermeldingen die voorkomen op de achterzijde van de kaart van het Europese type aangebracht op initiatief van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Zij vinden immers hun oorsprong in een basisdocument dat gedrukt wordt door het Rijksregister en dat vervolgens vermenigvuldigd wordt door middel van een fotografisch procédé op het produktiecentrum om de definitieve kaart te vormen.
Het produktiecentrum, met zetel te Brussel, wordt bovendien strikt gecontroleerd door het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat permanent een centraal bestand van identiteitskaarten bijwerkt.
Op die manier wordt de identiteitskaart op gelijkvormige wijze voor het hele land gereglementeerd door de federale macht en kan zij, in de zin van artikel 129, § 2, tweede streepje, van de Grondwet, beschouwd worden als ontstaan uit een dienst waarvan de werkkring verder reikt dan het taalgebied waarin hij gevestigd is. Hoewel het waar is dat de identiteitskaart door de gemeente afgeleverd wordt aan de privé-personen, speelt zij enkel een materiële rol van zuivere uitvoering, aangezien de afleveringsprocedure eveneens voor het hele land bepaald wordt door de federale macht.
In het advies dat de Raad van State heeft uitgebracht over de ontworpen wet, schaart hij zich achter deze argumentatie die hoofdzakelijk gebaseerd is op artikel 129, § 2, tweede streepje, van de Grondwet, door ervan uit te gaan dat de wetgever, door de aard en de bestemming van de identiteitskaart, bevoegd was om via een gewone wet het gebruik van de taal te regelen voor de titel van de vermeldingen en rubrieken die daarop voorkomen aangezien deze opgesteld is door een dienst waarvan de activiteit zich verder uitstrekt dan het taalgebied waarin hij is gevestigd.
Er moet echter opgemerkt worden dat, in tegenstelling tot wat de Raad van State bevestigt, niet enkel de titel van de vermeldingen en rubrieken die op de voorzijde van de identiteitskaart voorkomen, opgesteld is door de voormelde federale dienst, maar ook de identificatiegegevens die specifiek zijn voor de houder en die onder deze rubrieken aangebracht worden, waardoor de door de Raad van State ingenomen positie volgens welke artikel 14, § 1, van de gecoördineerde taalwetten in dit geval niet kunnen worden toegepast, enkel versterkt wordt.
Dit ontwerp van wet heeft tevens tot doel het gebruik van het Engels op de identiteitskaart te legaliseren, niet alleen voor de twee vermeldingen waarvan hierboven sprake, die aangebracht worden op het bovenste gedeelte van de achterzijde van de identiteitskaart (vermelding van het woord « België » en aanduiding van de aard van het document naar gelang het afgeleverd is aan een Belg of aan een vreemdeling), maar ook voor de titels van de rubrieken waarnaast de persoonlijke gegevens aangebracht worden die specifiek zijn voor de houder.
Er dient opgemerkt te worden dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in het advies dat zij op 14 mei 1985 uitgebracht heeft over het ontwerp van besluit dat het koninklijk besluit van 29 juli 1985 betreffende de identiteitskaarten geworden is, geen bezwaar gemaakt heeft tegen het gebruik van de Engelse taal als officiële taal van de Raad van Europa voor de bovengenoemde vermeldingen en titels van de rubrieken.
In het onderhavige geval vormen de vermeldingen in de Engelse taal waarin het ontwerp voorziet, enkel een gedeeltelijke vertaling van de identiteitskaart. Deze vertaling is gerechtvaardigd omdat de identiteitskaart niet uitsluitend bestemd is om in het land zelf getoond te worden, maar ook een titel vormt waarmee men, vooral dan wat de identiteitskaart voor Belg betreft, zijn identiteit en zijn nationaliteit kan aantonen bij overheden of onderdanen van een buitenlandse staat, die onze drie landstalen niet noodzakelijk kennen of verondersteld zijn ze te kennen.
Behalve haar functie van bewijs van inschrijving in de bevolkingsregisters, heeft de identiteitskaart op die manier eveneens en steeds vaker, gezien de groeiende mobiliteit van de bevolking de waarde van een reisdocument.
Op dit punt moet opgemerkt worden dat de identiteitskaart van het Europese type die in omloop gebracht is bij het koninklijk besluit van 29 juli 1985 gebaseerd is op :
enerzijds resolutie 77 (26) van het Comité van de ministers van de Raad van Europa betreffende de instelling en de harmonisatie van de nationale identiteitskaarten (goedgekeurd op 28 september 1977), die aanbeveelt dat de titels van de rubrieken die voorkomen op de nationale identiteitskaart opgesteld worden in minstens één van de officiële talen van de Staat die de kaart aflevert en in minstens één van de officiële talen van de Raad van Europa,
anderzijds het Europees Akkoord betreffende het stelsel inzake het personenverkeer tussen de lidstaten van de Raad van Europa, en Bijlage, ondertekend op 13 december 1957 te Parijs (artikel 1.1 van dit Akkoord bepaalt dat « les ressortissants des parties contractantes, quel que soit le pays de leur résidence, peuvent entrer sur le territoire des autres parties et en sortir par toutes les frontières sous le couvert de l'un des documents énumérés à l'Annexe au présent Accord » (de onderdanen van de verdragsluitende partijen, ongeacht het land waarin zij wonen, kunnen het grondgebied van de andere partijen betreden en verlaten via alle grenzen onder bescherming van één van de documenten die opgesomd worden in de Bijlage van dit Akkoord, en waaronder zich meer bepaald voor België de « officiële identiteitskaart » bevindt).
Tenslotte dient opgemerkt te worden dat het paspoort dat afgeleverd wordt door de gemeentelijke overheden onder controle van de minister van Buitenlandse Zaken, meertalige vermeldingen bevat (betreffende de aanduiding van de aard van het document, in alle talen die gebruikt worden in de Europese Unie, en betreffende de titels van de rubrieken waarnaast de identificatiegegevens die specifiek zijn voor de houder aangebracht worden, in de drie landstalen en in het Engels). Aangezien de identiteitskaart krachtens het voormelde Europees Akkoord van 13 december 1957 in de Lidstaten van de Raad van Europa gebruikt kan worden ter vervanging van het paspoort, kan men, door gelijkheid van grond, bevestigen dat zij eveneens meertalige vermeldingen kan bevatten vermits het Engels één van de officiële talen van de Raad van Europa is.
Dit ontwerp van wet strekt er tevens toe tegelijkertijd het lidmaatschap van België bij de Europese Unie te concretiseren en de persoonlijke gegevens die specifiek zijn voor de houder van de kaart eentalig te behouden aangezien :
de titels betreffende het land van aflevering (« België ») en de aard van het document (« identiteitskaart », « identiteitskaart voor vreemdeling » of « verblijfskaart voor vreemdeling ») in vier talen van de Europese Unie vermeld worden;
de titels van de andere rubrieken op de kaart voorkomen, enerzijds in de taal van de gemeente die het document aflevert of in de taal die de houder kiest uit de talen waarvan het gebruik wordt toegestaan in de zin van de gecoördineerde taalwetten in de gemeenten van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad alsook in deze die begiftigd zijn met een speciale taalregeling, en anderzijds in het Engels;
de andere vermeldingen die specifiek zijn voor de houder enkel voorkomen in de taal van de gemeente die het document aflevert of in deze die de houder kiest volgens het hierboven gemaakte onderscheid.
Zoals de Raad van State verzocht, zijn de twee afzonderlijke voorontwerpen van besluit die hem voorgelegd waren, samengevoegd in één enkel ontwerp.
Dit is, dames en heren, de inhoud van het ontwerp van wet dat de regering de eer heeft aan uw beraadslaging voor te leggen.
De minister van Binnenlandse Zaken,
Johan VANDE LANOTTE.
Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.
Op de voordracht van Onze minister van Binnenlandse Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde ministers,
Onze minister van Binnenlandse Zaken is gelast in Onze naam bij de Wetgevende Kamers het ontwerp van wet in te dienen, waarvan de tekst volgt :
Artikel 1
De wet regelt een aangelegenheid die bedoeld wordt in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 6, § 1, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen wordt aangevuld met de volgende leden :
« Behalve de door de Koning in uitvoering van § 3 bepaalde vermeldingen, worden op de voorzijde van de identiteitskaart die bedoeld wordt in het eerste lid, in het bovenste gedeelte daarvan, enerzijds het woord « België » en anderzijds de woorden « identiteitskaart », « identiteitskaart voor vreemdeling » of « verblijfskaart voor vreemdeling » aangebracht, naargelang de houder van de kaart respectievelijk de hoedanigheid heeft van Belg, onderdaan van een Staat die geen lid is van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, of onderdaan van een Lidstaat van deze Unie of deze Ruimte.
De in het voorgaande lid bedoelde woorden worden op de identiteitskaart eerst gedrukt in de taal van de gemeente die het document afgeeft of in de taal die de houder kiest uit de talen waarvan het gebruik wordt toegestaan in de gemeenten die genoemd worden in de artikelen 6, 7 en 8 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1996, en vervolgens in de twee andere landstalen en in het Engels.
De titels van de rubrieken waaronder op de identiteitskaart de persoonlijke gegevens aangebracht worden die specifiek zijn voor de houder, komen er in de eerste plaats voor in de taal van de gemeente die het document afgeeft, of in de taal die de houder kiest, volgens het onderscheid dat wordt gemaakt in het voorgaande lid, en vervolgens in het Engels. »
Art. 3
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 26 februari 1997.
Van Koningswege :
De minister van Binnenlandse Zaken,
Johan VANDE LANOTTE.
Voorontwerp van wet tot aanvulling van artikel 6, § 1, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid die bedoeld wordt in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 6, § 1, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, gewijzigd bij de wet van 24 mei 1994, wordt aangevuld met het volgende lid :
« Worden onder andere aangebracht op de achterzijde van de identiteitskaart die bedoeld wordt in het eerste lid, in het bovenste gedeelte daarvan, enerzijds het woord « België » en anderzijds de woorden « identiteitskaart », « identiteitskaart voor vreemdeling » of « verblijfskaart voor vreemdeling », naargelang de houder van de kaart respectievelijk de hoedanigheid heeft van Belg, onderdaan van een Staat die geen lid is van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte, of onderdaan van een Lidstaat van deze Unie of deze Ruimte. »
Art. 3
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Voorontwerp van bijzondere wet tot regeling van het gebruik van de talen voor bepaalde vermeldingen die voorkomen op de identiteitskaart die wordt bedoeld in artikel 6 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen
Artikel 1
Deze bijzondere wet regelt een aangelegenheid die bedoeld wordt in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
De vermeldingen die op de identiteitskaart aangebracht zijn overeenkomstig artikel 6, § 1, tweede lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, worden eerst gedrukt in de taal van de gemeente die het document aflevert of in de taal die de houder kiest uit de talen waarvan het gebruik wordt toegestaan in de gemeenten die worden bedoeld in de artikelen 6, 7 en 8 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en vervolgens in de twee andere landstalen en in het Engels.
Art. 3
De titels van de rubrieken waarnaast op de identiteitskaart de persoonlijke gegevens aangebracht worden die specifiek zijn voor de houder van de kaart, komen er in de eerste plaats voor in de taal van de gemeente die het document aflevert, of in de taal die de houder kiest, volgens het onderscheid dat wordt gemaakt in artikel 1, en vervolgens in het Engels.
Art. 4
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 3 februari 1997 door de minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van wet « tot aanvulling van artikel 6, § 1, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen », heeft op 6 februari 1997 het volgend advies gegeven :
Bij het ontwerp zijn geen opmerkingen te maken.
De kamer was samengesteld uit :
De heer J.-J. STRYCKMANS, voorzitter;
De heren Y. KREINS en P. LIENARDY, staatsraden;
Mevrouw J. GIELISSEN, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de heer M. BAUWENS, adjunct-auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer B. CUVELIER, adjunct-referendaris.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. STRYCKMANS.
| De Griffier, | De Voorzitter, |
| J. GIELISSEN. | J.-J. STRYCKMANS. |
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 3 februari 1997 door de minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van bijzondere wet « tot regeling van het gebruik van de talen voor bepaalde vermeldingen die voorkomen op de identiteitskaart die bedoeld wordt in artikel 6 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen », heeft op 6 februari 1997 het volgend advies gegeven :
De Raad van State, afdeling wetgeving, beperkt zich, overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, tot het onderzoek van de rechtsgrond van de bevoegdheid van de steller van de handeling alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan.
Gelet op de korte termijn die de Raad van State is toegemeten, beperkt hij zich ertoe de volgende opmerking te maken.
Artikel 14, § 1, eerste lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, bepaalt het volgende : « Iedere plaatselijke dienst, die in het Nederlandse of in het Franse taalgebied gevestigd is, stelt de aan de particulieren uit te reiken getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen in de taal van zijn gebied ».
Uit de geldende wet- en regelgeving en inzonderheid uit het koninklijk besluit van 29 juli 1985 betreffende de identiteitskaarten, blijkt dat zowel de vermeldingen « België » enerzijds, en « identiteitskaart », « identiteitskaart voor vreemdeling » of « verblijfskaart voor vreemdeling » anderzijds, als het opschrift van de verschillende rubrieken (naam, voornamen, nationaliteit, geboortedatum, geslacht, autoriteit, handtekening van de houder, adres, nr. identiteitskaart, geldig van - tot) die voorkomen op de identiteitskaart, niet door de gemeenten maar door een dienst die ressorteert onder de federale overheid worden opgesteld.
Aangezien men ervan kan uitgaan dat het opschrift van de vermeldingen en rubrieken die voorkomen op de identiteitskaart niet wordt opgesteld door de gemeente, die alleen zorgt voor de redactie van de inlichtingen die onder de genoemde rubrieken vermeld worden, vindt het voormelde artikel 14, § 1, geen toepassing.
Overeenkomstig artikel 129, § 2, tweede streepje, van de Grondwet, kan worden aanvaard dat de federale wetgever, wegens de aard en de bestemming van de identiteitskaart, bevoegd is om met een gewone wet het gebruik van de taal te regelen met betrekking tot het opschrift van de vermeldingen en rubrieken die op de identiteitskaart voorkomen, daar het opschrift van die vermeldingen en rubrieken wordt opgesteld door een dienst waarvan de werkkring verder reikt dan het taalgebied waarin hij is gevestigd.
Bijgevolg moet het onderzochte ontwerp worden samengevoegd met het ontwerp dat heden wordt onderzocht onder nr. 26.040/2 en dat onder meer artikel 6, § 1, aanvult van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten.
SLOTOPMERKING
Onder voorbehoud van de zo-even gemaakte opmerkingen behoort in het ontworpen artikel 2 het woord « aflevert » vervangen te worden door het woord « afgeeft » (dezelfde opmerking geldt voor het ontworpen artikel 3) en het woord « bedoeld » door het woord « genoemd » en moet in artikel 3 « waaronder » worden geschreven in plaats van « waarnaast ».
De kamer was samengesteld uit :
De heer J.-J. STRYCKMANS, voorzitter;
De heren Y. KREINS en P. LIENARDY, staatsraden;
Mevrouw J. GIELISSEN, griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de heer M. BAUWENS, adjunct-auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer B. CUVELIER, adjunct-referendaris.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. STRYCKMANS.
| De Griffier, | De Voorzitter, |
| J. GIELISSEN. | J.-J. STRYCKMANS. |