1-539/3 | 1-539/3 |
11 MAART 1997
De minister geeft een algemene uiteenzetting over de doelstellingen van het ontwerp.
De aanstelling van staatsraden wordt herzien met het oog op de depolitisering, doch met als hoofdgedachte dat de kandidaten verder uit alle horizonten moeten komen.
Een examen werd overwogen maar is uiteindelijk niet de meest aangewezen methode gebleken.
Het ontwerp bevat drie krachtlijnen :
1. Men zal selecteren onder kandidaten die niet alleen jurist zijn, maar die ook bewezen hebben in deze tak van de wetenschap een hogere status te hebben verworven via bijkomende titels of ervaring.
2. Er is gezorgd voor een responsabilisering van de Raad van State zelf. Indien de Raad van State tot een unaniem voorstel komt, is de minister immers erdoor gebonden.
3. Bij gebrek aan unanimiteit wordt de objectivering van de keuze nog versterkt via de mogelijkheid tot het horen van de kandidaten en het uitbrengen van een gemotiveerd advies. Bovendien zullen de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat kunnen evoceren en zelf ook hoorzittingen houden.
Een lid merkt op dat hij twijfelt aan de depolitisering van de procedure, omdat er geen objectief examen is. Wat bedoelt de minister met « personen van verscheiden afkomst en ervaring », waarover sprake is in de inleidende uiteenzetting ?
De minister antwoordt hierop dat de methode waarbij uitsluitend houders van bepaalde diploma's tot de Raad van State toegelaten worden, en dat als selectiecriterium volstond, op een traditie van voor de tweede wereldoorlog stoelt. Gezie de toegang tot de universiteit nog niet gedemocratiseerd was leverde dat een zeer selectieve samenstelling op. Na de tweede wereldoorlog was daarom een politisering noodzakelijk om de samenstelling van de magistratuur meer in overeenstemming te brengen met de taalverhoudingen binnen de Belgische bevolking en om meer diversiteit te brengen in de afkomst van de magistraten.
Deze methode is na WO II ook toegepast op de Raad van State maar is nu achterhaald.
In een context waarin het onderwijs veel democratischer is geworden, is het mogelijk te selecteren op basis van examens en ervaring. De academici vormen een betere afspiegeling van de maatschappij. Het systeem van vlak na WO II kan dan ook verlaten worden.
Hetzelfde lid vraagt of de minister ook rekening zal houden met de zo-even geschetste criteria bij de beoordeling van de algemene bekwaamheid van de kandidaat.
De minister antwoordt dat hij van 1988 tot nu de minister altijd de voordracht van Kamer en Senaat heeft gevolgd.
Een lid merkt op dat de minister in zijn nota van 11 december 1996 vermeld heeft dat hij ervoor zou zorgen dat de voordrachten en benoemingen voor de Raad van State uitdrukkelijk gemotiveerd worden. Zij vindt deze elementen echter niet terug in dit ontwerp.
De minister antwoordt dat de persoonlijkheid van de kandidaat in haar geheel gemotiveerd moet worden en dat dit verder gaat dan de gewone motivering op basis van de wettelijk bepaalde criteria.
Hij verzet zich evenwel niet tegen het toevoegen van een bepaling die ertoe zou strekken dat de Raad van State de aan de minister voorgedragen lijst moet motiveren.
Een senator herinnert de minister eraan dat er vroeger sprake was van een selectiecommissie. Waarom is hier niet voor een dergelijke commissie gekozen, maar voor een rechtstreekse voordracht door de Raad van State zelf.
De minister antwoordt dat men niet mag vergeten dat de Raad van State een specifieke instelling is met specifieke vereisten wat betreft beroepskennis.
Men had natuurlijk een externe commissie kunnen oprichten, doch deze zou bijna zeker uit magistraten van de Raad van State zijn samengesteld.
Waarom dan niet meteen de voltallige Raad van State als commissie laten optreden en vertrouwen schenken aan de integriteit van de dertig mensen van deze vergadering, die toch haar kwaliteiten van objectiviteit al heeft bewezen ?
Tenzij er unanimiteit bestaat, is er nog een veiligheidsklep voorzien naar het voorbeeld van de benoeming van magistraten in de burgerlijke rechtbanken, waar de minister ook nog kan tussenkomen.
Alleen wordt hier het Parlement bij de besluitvorming betrokken, omdat het maatschappelijk-politiek gehalte van de Raad van State, net zoals dat van het Arbitragehof, groter is dan bij de gewone rechtbanken.
Een lid meent zich te herinneren dat er oorspronkelijk sowieso in een evocatierecht was voorzien, ook bij unanimiteit.
De minister beweert dat dit nooit zijn bedoeling is geweest. Wel was het als denkspoor voorgesteld aan de Ministerraad. Deze laatste besliste unaniem dit spoor te verlaten en de huidige oplossing aan te nemen.
In feite was de onderliggende gedachte dat men analoog met het systeem voor de werving van andere magistraten moest tewerkgaan.
Een senator stelt zich vragen over de procedure tot vernietiging van de benoeming. Hoe kan men veronderstellen dat de Raad van State onpartijdig kan oordelen ten gunste van een niet-benoemd kandidaat die de benoeming aanvecht van een concurrent die zelf werd voorgesteld door diezelfde raad ?
Een lid dacht dat de mogelijkheid bestond dat een aantal staatsraden zich zouden afzonderen, bij de deliberatie over de kandidaturen, precies om bij annulatieberoep een serene behandeling door onpartijdige rechters mogelijk te maken.
De minister vindt dat niet nodig, omdat dertig rechters zo een brede waaier van opinies vertegenwoordigen dat de kans op vergissing miniem is.
Algemene bepaling
De heer Pinoie c.s. dienen een amendement (nr. 7) in, ertoe strekkende een homogene terminologie te hanteren voor de verschillende assemblees, namelijk « wetgevende vergaderingen ».
Een lid vraagt of de decretale wetgever hier ook onder valt.
De minister antwoordt bevestigend en verduidelijkt dat ook de ordonnantiële wetgever hieronder valt.
Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Artikel 1
Dit artikel wordt aangenomen met eenparigheid van de 8 aanwezige leden.
Artikel 1bis (nieuw)
De heer Pinoie c.s. dienen een amendement in (nr. 5) strekkende tot verwijdering van een verkeerde verwijzing naar artikel 141 van de Grondwet in artikel 14bis van de wetten op de Raad van State.
Deze verwijzing klopt niet meer sinds de vernummering van de Grondwet.
Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Artikel 2
De heer Buelens dient een amendement in (nr. 8) ter volledige vervanging van artikel 70 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
Hij beweert in te spelen op de actualiteit, waaruit blijkt dat de bevolking de politisering beu is.
Daar hij vond dat het voorliggend ontwerp niet ver genoeg gaat wat depolitisering betreft, stelde hij zelf een tekst voor waarin enkel en alleen voorzien wordt in een selectie via een examencommissie.
De heren Boutmans en Vergote dienen een amendement (nr. 9) in waarin tevens een vervanging van artikel 70 wordt voorgesteld.
Zij menen, net als de vorige spreker, dat een selectiecommissie noodzakelijk is.
Zoals reeds vermeld, is het optreden van de algemene vergadering van de Raad van State problematisch in geval van betwisting. De raad is dan rechter en partij tegelijk.
Bovendien is het gevaar groot dat men aan inteelt gaat doen, zodat de Raad op den duur een zichzelf bestendigend orgaan zal worden.
Ten slotte rijst de vraag naar de politieke verantwoordelijkheid. Indien de Raad steeds unaniem voordraagt, kan de minister dan nog als verantwoordelijk worden beschouwd ? Hij speelt immers alleen nog maar postbus.
De minister beweert dat dit niet het geval is, aangezien hij kan weigeren voor te stellen. In ieder geval blijft hij politiek verantwoordelijk.
Een senator vindt dat het ontwerp niet coherent is wat de rol van het Parlement betreft : ofwel laat men het Parlement soeverein zijn rol vervullen, ofwel zorgt men ervoor dat het helemaal geweerd wordt uit de procedure. In dit geval is het gedeeltelijk zijn soevereiniteit kwijt, namelijk bij unanimiteit.
De minister herhaalt nogmaals dat de Raad van State een goede selectiecommissie is, wegens haar gedegen reputatie. Hij citeert een voorbeeld uit de actualiteit. Het toeval wil dat professor Lewalle op dit ogenblik kandidaat is. Hoe wil men nu een examencommissie samenstellen die kan oordelen over zijn theoretische capaciteiten als hijzelf een van de beste kenners is van administratief recht, die deze materie waarschijnlijk beter kent dan mogelijke examinatoren ?
De Raad van State kan deze selectie wel maken, niet zozeer omdat zij betere juristen zijn, maar omdat ze de kandidaat op zijn kwaliteiten als potentieel rechter gaan toetsen.
Een externe selectiecommissie kan dat niet.
Omdat het gevaar voor inteelt niet denkbeeldig is, is evenwel sinds lang voorzien in een beperkte aanwerving van leden van het auditoraat.
Een senator kan begrijpen dat de helft van de Raad samengesteld is uit leden van het auditoraat.
Anderzijds komt hij terug op de opmerking van de minister als zou het zinloos zijn van een eminent figuur als professor Lewalle een theoretisch examen af te nemen.
Ook een selectiecommissie zou tot de bevinding kunnen komen dat hij de meest geschikte kandidaat is. Niemand verplicht zo een commissie om een theoretische proef af te nemen.
Het probleem blijft dat in zo'n geval het ontwerp er juist toe zou kunnen leiden dat een eminent jurist niet wordt gekozen door een voltallige Raad van State, omdat er allerlei evenwichten spelen die eigen zijn aan deze raad. Hij pleit in dat geval voor het afschaffen van een minimumaantal auditeurs. Het probleem zou zich pas voordoen als er geen kandidaat uit het auditoraat komt. De minister beweert dat dit nog nooit is gebeurd in de voorbije vijftig jaar.
Vorige spreker vraagt waarom dat evenwicht dan wel nodig is.
De minister antwoordt dat dit een extra motivatie geeft aan de auditeurs om hun kwaliteit te handhaven, omdat ze zich moeten motiveren ten aanzien van de buitenwereld. Hun motivering is een waarborg voor kwaliteit.
Dezelfde senator stelt dat uitgerekend deze redenering kan beletten dat een professor benoemd wordt.
De minister repliceert hierop dat deze professor in dat geval nog een beurt moet overslaan.
Het amendement nr. 8 van de heer Buelens worden verworpen met 7 stemmen tegen 1, bij 1 onthouding.
Het amendement nr. 9 van de heer Boutmans worden verworpen met 5 stemmen tegen 1, bij 3 onthoudingen.
2. Amendementen strekkende tot gedeeltelijke wijziging van het artikel
a) Motivering van de lijst der voordrachten van de Raad van State
Mevrouw Cornet d'Elzius dient een amendement (nr. 12) in dat ertoe strekt het eerste lid van het 1º aan te passen teneinde een uitdrukkelijke motivering van de voordracht te voorzien. De minister gaat akkoord met de tekst van het amendement.
Het amendement wordt eenparig aangenomen door de negen aanwezige leden.
b) Organisatie van de hoorzitting bij de Raad van State
Mevrouw Cornet d'Elzius stelt bij amendement (nr. 1) voor om de kandidaten te laten horen door ten minste drie staatsraden in plaats door één.
Op vraag van een lid stelt de minister dat de Raad van State zelf kan beslissen de kandidaten te horen. Er is dus geen tegenstrijdigheid tussen de term « ambtshalve » en de afwezigheid van enige verplichting.
Het amendement wordt eenparig aangenomen door de negen aanwezige leden.
c) Weigering van de minister in geval van unanieme voordracht
Mevrouw Cornet d'Elzius dient een amendement (nr. 2) ten einde de bepaling te schrappen die de minister de mogelijkheid geeft de benoeming te weigeren wanneer de voorwaarden geschonden worden door de Raad van State.
De minister meent dat zulks zich in de praktijk bijna nooit kan voordoen en, mocht dit voorvallen, dat hijzelf de procedure kan stopzetten en een vernietigingsberoep tot de mogelijkheden behoort. Hij denkt dat de Raad van State correct genoeg is om zijn procedurefouten toe te geven.
In geval van weigering bestaat in elk geval het evocatierecht. Daardoor wordt de politieke controle verscherpt aangezien de Kamers dan kunnen beslissen of zij het veto van de minister naast zich neerleggen.
De regering dient op haar beurt een amendement in (nr. 13) dat ertoe strekt de minister in staat te stellen een procedure in te zetten ingeval het evenwicht auditeurs/externe kandidaten niet in acht wordt genomen.
Amendement nr. 2 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.
Amendement nr. 13 wordt aangenomen met 8 tegen 2 stemmen.
d) De zogenaamde « evocatieprocedure » en de beslissing van de minister
Een lid verklaart dat de Kamers hun evocatierecht ook zonder dat de minister optreedt moeten kunnen uitoefenen ondanks het unanieme voorstel van de Raad, enkel wanneer er teveel auditeurs zijn.
Een lid vraagt of het niet beter zou zijn een maximumpercentage in plaats van een minimumpercentage te bepalen.
De minister antwoordt dat het duidelijk is dat de Raad van State in geen geval uitsluitend uit auditeurs mag bestaan. Het is evenwel moeilijk een maximumpercentage te voorzien. Er is enkel een minimumpercentage voorzien.
Hetzelfde lid merkt op dat hierdoor gevaar voor willekeur ontstaat. Op welk ogenblik moet het evenwicht gecorrigeerd worden ? Indien de externe kandidaat zich juist op dat ogenblik aandient, valt hij uit de boot.
De minister antwoordt dat dit geval zich zou kunnen voordoen. De minister kan dan nog weigeren omdat hij vindt dat het evenwicht te fel verbroken is.
Men zou kunnen voorzien dat, indien de weigering van de minister gemotiveerd is door een teveel aan auditeurs, er ambtshalve een evocatie zou zijn door het Parlement.
Een lid herhaalt daarom zijn voorstel om zelfs bij unanimiteit in een evocatie te voorzien.
De Regering dient een amendement (nr. 14) in om hieraan tegemoet te komen.
Amendement nr. 14 wordt aangenomen met 7 tegen 3 stemmen.
Mevrouw Cornet d'Elzius dient een amendement in (nr. 3) dat de minister verplicht te wachten tot de termijn van 30 dagen verstreken zijn alvorens een voorstel te doen.
De minister vreest dat wanneer het amendement aangenomen wordt, de tekst minder precies dreigt te worden.
De minister herhaalt dat hij de Raad van State zal verzoeken geen kandidaturen in te dienen tijdens de vakantie.
Als gevolg hiervan trekt mevrouw Cornet d'Elzius haar amendement nr. 3 in.
Een lid vraagt wat er gebeurt indien de Kamers zich niet binnen de hun toegekende termijn uitspreken.
De minister antwoordt dat na afloop van de termijn de procedure verder loopt en hij een aan de Koning de benoeming voorstelt van de meest aangewezen kandidaat.
Hetzelfde lid vraagt wat er gebeurt indien de Kamers gebruik maken van hun evocatierecht bepaald in het 1º, achtste lid. Hoe moet de minister dan kiezen ?
De minister antwoordt dat hij voor de voordracht aan de Koning een keuze kan maken onder de namen die op de twee lijsten voorkomen.
Hetzelfde lid meent dat in dat geval het eerste lid van het 1º aangevuld moet worden als volgt : « De staatsraden worden (...) door de Raad van State, behalve in het geval bedoeld in het achtste lid. » De uitzonderingen moeten worden vermeld.
Volgens de minister moet men de tekst analyseren met inachtneming van zijn chronologische opbouw. In dat geval is er geen twijfel mogelijk.
Hetzelfde lid vraagt ten slotte of de termijnen verlengd worden tijdens de maanden juli en augustus.
De minister zegt dat hij geen benoemingen kan verrichten in een periode van lopende zaken.
Hij stelt vervolgens dat hij zal rekening moeten houden met deze omstandigheden bij het indienen van de kandidaten.
Hij kan de Raad van State eveneens richtlijnen geven om tijdens de vakantie geen kandidaturen te sturen.
Mevrouw Milquet dient een amendement (nr. 15) in dat het recht van de minister om de beslissingen aan de Koning voor te leggen zodra de in het achtste lid bedoelde termijn verstreken is, nader te omschrijven.
Zij vraagt te bevestigen dat dat geval de evocatie alleen op de lijst van de Raad van State slaat.
De minister antwoordt dat dit precies de bedoeling is van de evocatie. Het is zonder meer duidelijk dat wanneer er geen lijst van de Kamers bestaat, hij de procedure kan voortzetten.
Verder wijst hij erop dat het recht van de minister om na 30 dagen tot benoeming over te gaan reeds in het rapport vermeld staat.
Aan de tekst van het ontwerp wil hij evenwel niet raken om de interne samenhang niet te schaden.
Als gevolg hiervan neemt mevrouw Milquet haar amendement nr. 15 terug.
e) Publicatie van de vacatures
Mevrouw Cornet d'Elzius stelt bij amendement (nr. 4) een eenvoudiger procedure voor wat betreft de publicatie van het bericht in het Belgisch Staatsblad.
De minister wijst erop dat de Raad van State niet met zuiver administratieve taken belast hoort te worden. Het ministerie is gewoon met het Belgisch Staatsblad te werken.
Daar komt nog bij dat die regeling ongewild ook een bescherming inhoudt tegen misbruik van de termijnen. Zo kan de minister de publicatie tijdens de vakantie tegenhouden.
De minister is ervoor gewonnen dat de termijn van zes maanden bepaald in het negende lid sub 1º voor het openstellen van de vacature vóór de voorziene datum ervan, wordt weggelaten.
Dat kan inderdaad problemen doen rijzen indien een staatsraad overlijdt. Men zou dan eveneens zes maanden moeten wachten, hoewel men in theorie de zaak sneller zou kunnen afhandelen.
Er wordt anderzijds niet geraakt aan de andere termijnen.
Een senator dringt erop aan dat de rechten van de kandidaten een duidelijke bescherming krijgen.
In het negende lid is er, volgens hem, een verschil tussen de Nederlandse tekst waarin sprake is van « ten minste zes maanden vóór de vacature » en de Franse tekst waarin staat « au plus tôt six mois avant la vacance ». In het Nederlands behoort dat te worden : « ten vroegste ».
De minister herinnert eraan dat hij reeds gezegd heeft die termijn te willen schrappen. Het komt hier niet op aan de kandidaten te beschermen. Hun enige bescherming bestaat in de termijn van één maand waarin het tiende lid voorziet.
Als gevolg hiervan dient de regering een amendement (nr. 11) in die zin in.
Na die toelichting en het amendement van de Regering verklaart een senator gekant te zijn tegen het amendement nr. 4. Heeft de publicatie niet plaats, dan blijft informeel beroep bij de minister mogelijk.
Mevrouw Cornet d'Elzius trekt haar amendement nr. 4 in.
Het amendement nr. 11 wordt aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem.
f) Toelatingsvoorwaarden
Een lid verwondert zich erover dat men iemand zou toelaten enkel en alleen op basis van het welslagen voor het examen bedoeld in artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek. Daaruit blijkt immers niet dat men enige beroepsbekwaamheid in verband met geschillen van bestuur zou bezitten.
De minister zegt dat dit uitdrukkelijk werd ingesteld om de advocaten rechtstreeks toegang te geven tot het ambt en de werving aldus te diversifiëren.
De enige alternatieve oplossing is het organiseren van een specifiek examen voor de toegang tot de Raad van State voor de advocaten. Dit is niet realistisch, want zo zou men advocaten als potentiële kandidaten kwijtspelen.
Hetzelfde lid vraagt zich vervolgens af of er geen overlapping bestaat tussen voorwaarde nr. 3 en voorwaarde nr. 5.
De minister antwoordt dat dit niet het geval is. Er zijn personen die een doctoraat hebben zonder houder te zijn van een leeropdracht en er zijn er nog met een leeropdracht zonder gedoctoreerd te hebben. Pas vanaf 1968 zijn er licentiaten in de rechten.
Hetzelfde lid is van oordeel dat alleen het slagen voor het bekwaamheidsexamen van de magistraten als voorwaarde niet restrictief genoeg is. Men moet erop letten dat de kandidaat eveneens ervaring heeft als gerechtelijk stagiair of als werkend rechter. Indien hij na het examen een andere loopbaan gevolgd heeft, behoort dat examen vaak tot een zo ver verleden dat zijn kennis over de materie verdwenen is.
De minister antwoordt dat het net de bedoeling is mensen te kiezen met een andere achtergrond. Zo werd bijvoorbeeld de heer Messine benoemd tot staatsraad, hoewel hij oorspronkelijk handelsrechter was, zowel als de heer Martens, hoewel hij vrederechter was.
Hetzelfde lid onderstreept ten slotte dat zij de vereiste van de aggregatie van het hoger onderwijs te zwak vindt want er zijn een heleboel mensen die deze titel bezitten.
De minister verklaart dat men dit niet mag verwarren met de aggregatie voor het secundair onderwijs. Het gaat wel degelijk om de aggregatie na het doctoraat. Hij zal dit echter nakijken.
Hetzelfde lid vraagt zich af waarom men de toelatingsleeftijd vastgesteld heeft op 37 jaar. Waarom niet 35 of 40 ?
De minister verklaart dat dit toe te schrijven is aan het feit dat men op een bepaald ogenblik de toelatingsleeftijd voor de auditeurs verlaagd heeft tot 27 jaar. Aangezien er altijd een verschil van tien jaar geweest is met de toelatingsleeftijd van de staatsraden, heeft men deze laatste leeftijd bijgevolg verlaagd van 40 tot 37 jaar.
Het geamendeerd artikel 2 wordt in zijn geheel aangenomen met 7 tegen 2 stemmen.
Artikel 3
Dit artikel wordt aangenomen met 7 tegen 2 stemmen.
Artikel 4 (nieuw)
De heer Pinoie c.s. dienen een amendement in (nr. 6), strekkende tot invoeging van een derde lid in artikel 87 van de wetten op de Raad van State in symmetrie met het tweede lid, waardoor voor elke taalrol een kamer zich speciaal wijdt aan het vreemdelingencontentieux.
Het amendement wordt eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.
Artikel 5 (nieuw)
De heren Vergote en Boutmans dienen een amendement (nr. 12) in ertoe strekkende de detachering van magistraten-auditeurs naar ministeriële kabinetten te verbieden en dit teneinde de politisering te verhinderen.
De minister verklaart dat er qua achterstand geen weerslag is, daar er een beperking is tot vier auditeurs die worden vervangen. Bovendien maken de auditeurs geen deel uit van de rechterlijke macht.
Tenslotte is het veelal een verrijking van het wetgevend werk en omgekeerd mag men niet vergeten dat de Raad van State niet alleen een afdeling administratie die het administratief contentieux beheert, maar ook een afdeling wetgeving, waar de kabinetservaring zeker niet te versmaden is.
Het amendement wordt verworpen met 5 stemmen tegen 1 stem, bij 3 onthoudingen.
Het geamendeerde wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 7 tegen 2 stemmen.
Dit veslag is goedgekeurd met eenparigheid der 8 aanwezige leden.
| De Rapporteur,
Henri MOUTON. |
De Voorzitter,
Joëlle MILQUET. |
| OORSPRONKELIJK WETSONTWERP | TEKST AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE EN ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN |
| Artikel 1 | Artikel 1 |
| Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. | Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. |
| Art. 2 | |
| In artikel 14 bis , eerste lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ingevoegd bij de wetten van 16 juni 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt het cijfer « 141 » geschrapt. | |
| Art. 2 | Art. 3 |
| In artikel 70 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gewijzigd bij de wetten van 17 oktober 1990 en 24 maart 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : | In artikel 70 van dezelfde gecoördineerde wetten, gewijzigd bij de wetten van 17 oktober 1990 en 24 maart 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : |
| 1º In § 1 worden het eerste en tweede lid vervangen door de volgende bepalingen : | 1º In § 1 worden het eerste en tweede lid vervangen door de volgende bepalingen : |
| « De staatsraden worden door de Koning benoemd uit een lijst met drie namen, voorgedragen door de Raad van State, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken. | « De staatsraden worden door de Koning benoemd uit een uitdrukkelijk gemotiveerde lijst met drie namen, voorgedragen door de Raad van State, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken. |
| De algemene vergadering van de Raad van State hoort de kandidaten ambtshalve of op hun verzoek. Zij kan daartoe één of meer van haar leden aanwijzen, die bij haar verslag uitbrengen over het horen van de kandidaten. | De algemene vergadering van de Raad van State hoort de kandidaten ambtshalve of op hun verzoek. Zij kan daartoe ten minste drie van haar leden aanwijzen, die bij haar verslag uitbrengen over het horen van de kandidaten. |
| De kandidaat die door de algemene vergadering van de Raad van State eenparig als eerste is voorgedragen, kan tot Staatsraad worden benoemd, tenzij de minister die bevoegd is voor Binnenlandse Zaken deze voordracht weigert wanneer niet aan de in paragraaf 2 vastgestelde voorwaarden voldaan is. | De kandidaat die door de algemene vergadering van de Raad van State eenparig als eerste is voorgedragen, kan tot s taatsraad worden benoemd, tenzij de minister die bevoegd is voor de Binnenlandse Zaken deze voordracht weigert wanneer niet aan de in paragraaf 2 vastgestelde voorwaarden voldaan is, dan wel omdat hij meent dat het aantal leden benoemd uit het auditoraat ten aanzien van het aantal andere leden van de Raad van State te hoog wordt. |
| In dat geval doet de algemene vergadering van de Raad van State een nieuwe voordracht. | In dat geval doet de algemene vergadering van de Raad van State een nieuwe voordracht. |
| Na twee weigeringen van dezelfde voordracht, wordt de procedure hiervoor volledig overgedaan. | Na twee weigeringen van dezelfde voordracht, wordt de procedure hiervoor volledig overgedaan. |
| Indien er geen eenparigheid van stemmen is, wordt de door de Raad van State voorgedragen lijst, samen met alle kandidaturen en de beoordeling hier van door de Raad van State meegedeeld aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers of aan de Senaat, die beurtelings, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van deze mededeling, hetzij de door de Raad van State voorgedragen lijst kunnen bevestigen, hetzij een tweede lijst met drie namen kunnen voordragen, die formeel wordt gemotiveerd. | Indien er geen eenparigheid van stemmen is, indien het derde lid toepassing vindt of indien de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat van oordeel is dat het aantal leden benoemd uit het auditoraat ten aanzien van het aantal andere leden van de Raad van State te hoog wordt, wordt de door de Raad van State voorgedragen lijst, samen met alle kandidaturen en de beoordeling hiervan door de Raad van State meegedeeld aan de Kamer van volksvertegenwoordigers of aan de Senaat, die beurtelings, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van deze mededeling, hetzij de door de Raad van State voorgedragen lijst kunnen bevestigen, hetzij een tweede lijst met drie namen kunnen voordragen, die uitdrukkelijk wordt gemotiveerd. |
| De Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat kan de kandidaten horen. | De Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat kan de kandidaten horen. |
| Indien de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat een tweede lijst met drie namen voordraagt, kan de staatsraad enkel worden benoemd uit de personen die voorkomen op één van de twee voorgedragen lijsten. | Indien de Kamer van volksvertegenwoordigers of de Senaat een tweede lijst met drie namen voordraagt, kan de staatsraad enkel worden benoemd uit de personen die voorkomen op een van de twee voorgedragen lijsten. |
| Ten minste zes maanden vóór de vacature maakt de minister van Binnenlandse Zaken, op initiatief van de Raad van State, de vacante betrekkingen bekend in het Belgisch Staatsblad . | [...] D e minister van Binnenlandse Zaken maakt , op initiatief van de Raad van State, de vacante betrekkingen bekend in het Belgisch Staatsblad . |
| In de bekendmaking worden het aantal vacante betrekkingen vermeld, de benoemingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen, die ten minste een maand bedraagt, en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden. »; | In de bekendmaking worden het aantal vacante betrekkingen vermeld, de benoemingsvoorwaarden, de termijn voor het indienen van de kandidaturen, die ten minste een maand bedraagt, en de overheid waaraan deze moeten worden gezonden. »; |
| 2º In § 2 wordt het eerste lid vervangen door de volgende bepaling : | 2º In § 2 wordt het eerste lid vervangen door de volgende bepaling : |
| « Niemand kan tot staatsraad worden benoemd tenzij hij volle zevenendertig jaar oud en doctor of licentiaat in de rechten is, een nuttige juridische beroepservaring van ten minste tien jaar kan doen gelden en aan één van de volgende voorwaarden voldoet : | « Niemand kan tot staatsraad worden benoemd tenzij hij volle zevenendertig jaar oud en doctor of licentiaat in de rechten is, een nuttige juridische beroepservaring van ten minste tien jaar kan doen gelden en aan een van de volgende voorwaarden voldoet : |
| 1º geslaagd zijn voor het vergelijkend examen van adjunct-auditeur en adjunct-referendaris bij de Raad van State, het vergelijkend examen van referendaris bij het Arbitragehof, het vergelijkend examen van adjunct-auditeur bij het Rekenhof of het examen inzake beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek; | 1º geslaagd zijn voor het vergelijkend examen van adjunct-auditeur en adjunct-referendaris bij de Raad van State, het vergelijkend examen van referendaris bij het Arbitragehof, het vergelijkend examen van adjunct-auditeur bij het Rekenhof of het examen inzake beroepsbekwaamheid bedoeld in artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek; |
| 2º een administratieve functie met minstens rang 15 of een gelijkwaardige rang uitoefenen bij een Belgische overheidsdienst; | 2º een administratieve functie met minstens rang 15 of een gelijkwaardige rang uitoefenen bij een Belgische overheidsdienst; |
| 3º met goed gevolg een proefschrift tot het verkrijgen van het doctoraat in de rechtsgeleerdheid hebben verdedigd of geaggregeerde zijn voor het hoger onderwijs in de rechten; | 3º met goed gevolg een proefschrift tot het verkrijgen van het doctoraat in de rechtsgeleerdheid hebben verdedigd of geaggregeerde zijn voor het hoger onderwijs in de rechten; |
| 4º in België een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van werkend rechter uitoefenen; | 4º in België een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van werkend rechter uitoefenen; |
| 5º houder zijn van een leeropdracht rechtswetenschappen aan een Belgische universiteit. » | 5º houder zijn van een leeropdracht rechtswetenschappen aan een Belgische universiteit. » |
| Art. 3 | Art. 4 |
| Artikel 80 van dezelfde gecoördineerde wetten, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling: | Artikel 80 van dezelfde gecoördineerde wetten, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling: |
| « Art. 80. De assessoren van de afdeling wetgeving staatsraden worden door de Koning benoemd voor een hernieuwbare periode van vijf jaar, uit een lijst met drie namen, voorgedragen door de Raad van State, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken. | « Art. 80. De assessoren van de afdeling wetgeving worden door de Koning benoemd voor een hernieuwbare periode van vijf jaar, uit een lijst met drie namen, voorgedragen door de Raad van State, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken. |
| Artikel 70, § 1, tweede tot tiende lid, is van toepassing op de voordracht van de assessoren. | Artikel 70, § 1, tweede tot tiende lid, is van toepassing op de voordracht van de assessoren. |
| De voordrachten geschieden met inachtneming van de regels die zijn vastgesteld in de artikelen 348, eerste lid, 349, vierde lid, tweede zinsnede, en vijfde lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek. | De voordrachten geschieden met inachtneming van de regels die zijn vastgesteld in de artikelen 348, eerste lid, 349, vierde lid, tweede zinsnede, en vijfde lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek. |
| De artikelen 70, § 2, eerste lid, 73, § 1, derde lid, en 74, tweede en derde lid, zijn van toepassing op de assessoren. » | De artikelen 70, § 2, eerste lid, 73, § 1, derde lid, en 74, tweede en derde lid, zijn van toepassing op de assessoren. » |
| Art. 5 | |
| In artikel 87 van dezelfde gecoördineerde wetten, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt na het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, luidende : | |
| « Eén Franstalige kamer neemt bij voorrang kennis van de vorderingen ingediend tegen administratieve beslissingen die genomen zijn met toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. » | |
| Art. 6 | |
| In de artikelen 6 bis , 84 en 120 van dezelfde gecoördineerde wetten, worden de woorden « federale, gemeenschaps- en gewestassemblées » en « wetgevende Kamers » vervangen door de woorden « wetgevende vergaderingen ». |