1-444/1 | 1-444/1 |
15 OKTOBER 1996
1. Tijdens de Europese Raad van Luxemburg van 28 en 29 juni 1991 heeft de Duitse delegatie het idee verspreid om, in het kader van de strijd tegen de illegale drugshandel, een Europees Recherchebureau (Europol) op te richten.
Het idee werd hernomen tijdens de Europese Raad van Maastricht van 9 en 10 december 1991, die besloot tot de oprichting van Europol waarvan de eerste taak erin zou bestaan de uitwisseling van informatie over verdovende middelen tussen de Lid-Staten te organiseren.
Gedurende dezelfde maand werd beslist een Drugsinlichtingendienst op te richten.
De Europese Raad van Lissabon, die de beslissing van Maastricht bevestigde, besloot op 26 en 27 juni 1992 een overeenkomst houdende oprichting van Europol op te stellen, zoals voorzien is in artikel K1 van het verdrag betreffende de Europese Unie.
De werken betreffende het opstellen van die overeenkomst zijn nog steeds aan de gang.
In zijn aan Europol gewijde besluiten heeft de Europese Raad van Essen van 9 en 10 december 1994 gevraagd om het mandaat van de Europol Drugseenheid uit te breiden tot de strijd tegen de illegale handel in radioactieve en nucleaire stoffen, in voertuigen en de criminaliteit verbonden met de illegale immigratie.
2. Gezien de dringende noodzaak om het hoofd te bieden aan de problemen verbonden met de drugshandel en de moeilijkheden om een tekst van overeenkomst inzake Europol uit te werken, werd besloten om tijdelijk een Europese Drugseenheid te installeren bij ministerieel akkoord van 2 juni 1993, waarvan het doel bestaat in de uitwisseling en de analyse van informatie en inlichtingen betreffende de illegale drugshandel en de samenhangende preventies.
Gevolg gevend aan het tijdens de Europese Raad van 29 oktober 1993 genomen besluit inzake de zetel, is de Eenheid met haar activiteiten in januari 1994 begonnen te Den Haag.
Het gemeenschappelijk optreden (95/73/J.B.Z.) van 10 maart betreffende de Europol-Drugseenheid integreert de Eenheid in het systeem van het verdrag van Maastricht, krachtens artikel K3 van het verdrag betreffende de Europese Unie. Het breidt eveneens haar mandaat uit in overeenstemming met de besluiten van de Europese Raad van Essen en past ze aan aan de uitbreiding met de drie nieuwe leden van de Unie.
De Eenheid, die samengesteld is uit verbindingsofficieren die uit hun oorspronkelijke diensten in elk van de Lid-Staten gedetacheerd zijn, is belast met de uitwisseling en de analyse van informatie en inlichtingen. Dit mechanisme werkt tussen de Lid-Staten en is gericht op de illegale drugshandel, de illegale handel in radioactieve en nucleaire stoffen, illegale immigratienetwerken, illegale handel in voertuigen en de er bij betrokken criminele organisaties en de daarmee verband houdende witwasactiviteiten.
Haar doel bestaat erin de politie en andere bevoegde diensten te helpen om binnen de Lid-Staten en tussen de Lid-Staten onderling de criminele activiteiten doeltreffender te bestrijden.
Te dien einde concentreren de leden van de Eenheid, handelend overeenkomstig hun nationale wetgeving en de andere door hun respectievelijke Lid-Staten uitgevaardigde rechtsregels, hun activiteit op de uitwisseling van informatie tussen de Lid-Staten. Deze maakt het mogelijk de bijzondere criminele onderzoeken uit te diepen alsook verslagen voor te bereiden over de algemene situatie en de analyse van criminele activiteiten.
De eerbiediging van de toegang tot de gegevens evenals van de bescherming van de persoonlijke gegevens is voorgeschreven door het gemeenschappelijk optreden.
3. Het was noodzakelijk het statuut van deze verbindingsofficieren te bevestigen alsook dat van het bij de Europol-Drugseenheid gedetacheerde personeel vast te leggen.
Nederland (Staat waar de zetel gevestigd is) heeft aan zijn 14 partners van de Europese Unie voorgesteld, ten einde het werkstatuut van deze persoon in Nederland te regelen, deze per assimilatie de voorrechten en immuniteiten toe te kennen die aan de leden van het administratief en technisch personeel van de diplomatieke missie worden verleend (artikel 37 van het verdrag van Wenen van 18 april 1961).
Deze bepaling laat hen toe de in de artikelen 29 tot 35 van het verdrag vermelde voorrechten van communicatie, onschendbaarheid van de ambtenaar, immunitiet van rechtsmacht, vrijstelling van bepalingen inzake sociale zekerheid en vrijstelling van de betaling van belastingen. Deze dekken alleen de activiteit van deze personen in Nederland.
Deze beperkingen gelden eveneens voor het genot van deze immuniteiten, d.w.z. schade veroorzaakt door voertuigen, of andere transportmiddelen waarvan het personeel eigenaar is of die door hen werden bestuurd, verkeersovertredingen.
Bovendien geldt de immuniteit van rechtsmacht in strafzaken niet voor handelingen verricht buiten de uitoefening van de functies.
De uitwisseling van de nota's van 9 en 13 februari 1995, die u voorgesteld wordt, heeft tot doel het statuut van de leden van de Eenheid voorlopig te regelen. Ze heeft een geldigheidsduur van een jaar, die kan verlengd worden maar zal eindigen wanneer het verdrag inzake Europol in werking zal treden.
Tengevolge het advies van de Raad van State, is het nodig volgende bijkomende inlichtingen te geven :
1. Het ministerieel akkoord van 2 juni 1993 tussen de T.R.E.V.I.-ministers bevat bepalingen betreffende het informatiesysteem, de bescherming van de gegevens, het personeel, het toezicht en de financiën.
Dit akkoord werd door het gemeenschappelijk optreden (95/73/J.B.Z.) van 10 maart 1995 (P.B.E.G., 1 62/1, 20 maart 1995) vervangen.
Het besluit (93/C 323/01) in onderlinge overeenstemming genomen door de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten, op het niveau van de Staatshoofden en de regeringsleiders bijeen, inzake de vaststelling van de zetels van bepaalde organisaties en diensten van de Europese Gemeenschappen en Europol (P.B.E.G., C 323/1, 30 november 1993) heeft de zetel van Europol te Den Haag geplaatst.
De Drugseenheid is met haar activiteiten in januari 1994 te Den Haag begonnen.
2. De opmerking van de Raad van State met betrekking tot de verwijzing naar de onderverdeling van artikel 77 van de Grondwet werd niet gevolgd, immers, het artikel 1 van het ontwerp van wet werd gebaseerd op een opmerking van de Raad van State gegeven in een vorig advies. Er zal rekening mee worden gehouden in de toekomst.
De minister van Buitenlandse Zaken,
Erik DERYCKE.
De minister van Binnenlandse Zaken,
Johan VANDE LANOTTE.
De minister van Justitie,
Stefaan DE CLERCK.
Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
ONZE GROET.
Op de voordracht van Onze minister van Buitenlandse Zaken, van Onze minister van Binnenlandse Zaken en van Onze minister van Justitie,
Onze minister van Buitenlandse Zaken, Onze minister van Binnenlandse Zaken en Onze minister van Justitie zijn gelast het ontwerp van wet, waarvan de tekst hierna volgt, in Onze naam aan de Wetgevende Kamers voor te leggen en bij de Senaat in te dienen :
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelengeheid bedoeld in artikel 77, eerste lid, 6º, van de Grondwet.
Art. 2
Het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1955, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugseenheid, zal volkomen uitwerking hebben.
Gegeven te Brussel, 19 september 1996.
Van Koningswege :
De minister van Buitenlandse Zaken,
Erik DERYCKE.
De minister van Binnenlandse Zaken,
Johan VANDE LANOTTE.
De minister van Justitie,
Stefaan DE CLERCK..
Aan het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Juridische Dienst S 30 te Brussel
De ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden biedt het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking haar complimenten aan en heeft de eer, onder verwijzing naar het Ministerieel Akkoord tot instelling van de Europol Drugs Eenheid, vastgesteld tussen de T.R.E.V.I.-ministers tijdens hun bijeenkomst in Kopenhagen van 1 en 2 juni 1993, alsmede naar het besluit van de Europese Raad van 29 oktober 1993 tot vestiging van Europol te 's-Gravenhage, en vooruitlopende op de oprichting van Europol bij verdrag, namens het Koninkrijk der Nederlanden het volgende voor te stellen :
1. Verbindingsambtenaren en andere personeelsleden, die ingevolge bovengenoemd Ministerieel Akkoord vanwege de regering van het Koninkrijk België bij de Europol Drugs Eenheid te 's-Gravenhage worden tewerkgesteld en die zich uit dien hoofde in Nederland vestigen, alsmede hun gezinsleden die deel uitmaken van hun huishouding en die niet de Nederlandse nationaliteit hebben, zullen in en jegens het Koninkrijk der Nederlanden de voorrechten en immuniteiten genieten overeenkomstig de voorrechten en immuniteiten die ingevolge het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer van 18 april 1961 toekomen aan leden van de administratieve en technische staf van in Nederland gevestigde diplomatieke zendingen, met dien verstande dat deze immuniteit zich niet zal uitstrekken tot schade veroorzaakt door voertuigen, of andere transportmiddelen die hun eigendom zijn of door hen werden bestuurd, noch tot verkeersovertredingen en dat de immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken niet geldt voor gedragingen die niet in de uitoefening van hun functie zijn verricht.
2. De verplichtingen voor Zendstaten en hun personeel die ingevolge het Verdrag van Wenen van toepassing zijn met betrekking tot leden van de administratieve en technische staf van in Nederland gevestigde diplomatieke zendingen zijn van toepassing met betrekking tot de onder 1. bedoelde personen.
3. Het Koninkrijk der Nederlanden zal de onder 1. bedoelde personen op aanvraag in het bezit stellen van een legitimatiebewijs waaruit hun status blijkt.
De ambassade stelt voor dat deze nota en de bevestigende nota van het ministerie tezamen een verdrag vormen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, dat vooruitlopend op de inwerkingtreding voorlopig zal worden toegepast vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de bevestigende nota van het ministerie en dat in werking zal treden op de vijftiende dag volgend op de datum van de nota van het ministerie inhoudend dat aan de voor de inwerkingtreding vereiste constitutionele formaliteiten is voldaan, en dat voorts een zodanige looptijd zal hebben dat de periode van voorlopige toepassing en de looptijd na de inwerkingtreding tezamen maximaal een jaar zullen vormen waarbij, indien aan het einde van deze looptijd nog geen verdrag inzake de oprichting van Europol in werking is getreden, een nieuwe notawisseling tot verlenging van het verdrag zal kunnen plaatsvinden.
De ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden maakt van deze gelegenheid gebruik het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de hernieuwde verzekering van haar zeer bijzondere hoogachting aan te bieden.
Brussel, 9 februari 1995
Aan de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden, H. Debrouxlaan 48, 1160 Brussel.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de eer te verwijzen naar de verbale nota van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden met de volgende inhoud :
« De Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking haar complimenten aan en heeft de eer, onder verwijzing naar het Ministerieel Akkoord tot instelling van de Europol Drugs Eenheid, vastgesteld tussen de T.R.E.V.I. Ministers tijdens hun bijeenkomst in Kopenhagen van 1 en 2 juni 1993, alsmede naar het besluit van de Europese Raad van 29 oktober 1993 tot vestiging van Europol te 's Gravenhage, en vooruitlopende op de oprichting van Europol bij verdrag, namens de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden het volgende voor te stellen.
1. Verbindingsambtenaren en andere personeelsleden, die ingevolge bovengenoemd Ministerieel Akkoord vanwege de Regering van het Koninkrijk België bij de Europol Drugs Eenheid te 's Gravenhage worden tewerkgesteld en die zich uit dien hoofde in Nederland vestigen, alsmede hun gezinsleden die deel uitmaken van hun huishouding en die niet de Nederlandse nationaliteit hebben, zullen in en jegens het Koninkrijk der Nederlanden de voorrechten en immuniteiten genieten overeenkomstig de voorrechten en immuniteiten die ingevolge het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer van 18 april 1961 toekomen aan leden van de administratieve en technische staf van in Nederland gevestigde diplomatieke zendingen, met dien verstande dat deze immuniteit zich niet zal uitstrekken tot schade veroorzaakt door voertuigen, of andere transportmiddelen die hun eigendom zijn of door hen werden bestuurd, noch tot verkeersovertredingen en dat de immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken niet geldt voor gedragingen die niet in de uitoefening van hun functie zijn verricht.
2. De verplichtingen voor Zendstaten en hun personeel die ingevolge het Verdrag van Wenen van toepassing zijn met betrekking tot leden van de administratieve en technische staf van in Nederland gevestigde diplomatieke zendingen zijn van toepassing met betrekking tot de onder 1 bedoelde personen.
3. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal de onder 1 bedoelde personen op aanvrage in het bezit stellen van een legitimatiebewijs waaruit hun status blijkt.
De Ambassade stelt voor dat deze nota en de bevestigende nota van het Ministerie tezamen een verdrag vormen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, dat vooruitlopend op de inwerkingtreding voorlopig zal worden toegepast vanaf de vijftiende dag na ontvangst van de bevestigende nota van het Ministerie en dat in werking zal treden op de vijftiende dag volgend op de datum van de nota van het Ministerie inhoudend dat aan de voor de inwerkingtreding vereiste constitutionele formaliteiten is voldaan, en dat voorts een zodanige looptijd zal hebben dat de periode van voorlopige toepassing en de looptijd na de inwerkingtreding tezamen maximaal een jaar zullen vormen waarbij, indien aan het einde van deze looptijd nog geen verdrag inzake de oprichting van Europol in werking is getreden, een nieuwe notawisseling tot verlenging van het verdrag zal kunnen plaatsvinden. »
Het Ministerie heeft de eer de Ambassade te informeren dat het Koninkrijk België instemt met de inhoud van bovengenoemde nota en dat de nota van de Ambassade en deze bevestigende nota tezamen een verdrag vormen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking neemt deze gelegenheid te baat om de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden de hernieuwde verzekering zijner bijzondere hoogachting aan te bieden.
Brussel, 13 februari 1995.
Voorontwerp van wet houdende instemming met het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugseenheid
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 77, eerste lid, 6º, van de Grondwet.
Art. 2
Het Akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugseenheid, zal volkomen uitwerking hebben.
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 27 september 1995 door de minister van Buitenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van wet « houdende instemming met het akkoord, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, betreffende het statuut van de Belgische verbindingsambtenaren bij de te Den Haag gevestigde Europol Drugseenheid », heeft op 15 januari 1996 het volgend advies gegeven :
1. Het akkoord dat door wisseling van brieven, gedagtekend te Brussel op 9 februari en 13 februari 1995, gesloten is, verwijst, zoals in de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet wordt aangegeven, naar een ministerieel akkoord van 2 juni 1993, alsmede naar een besluit van de Europese Raad van 29 oktober 1993, dat vooruitloopt op de oprichting van Europol bij verdrag.
De Regering acht het noodzakelijk « het statuut van deze verbindingsofficieren te bevestigen alsook dat van het bij de Europol-Drugseenheid gedetacheerde personeel vast te leggen » (memorie van toelichting, punt 3), door wisseling van brieven tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België, doch het is al even noodzakelijk het Parlement in te lichten omtrent de precieze strekking van het ministerieel akkoord en van het besluit van de Europese Raad waarmee het initiatief verband houdt om thans reeds een statuut vast te leggen voor de verbindingsofficieren van een bij verdrag op te richten instelling, een verdrag waarvan, naar luid van diezelfde memorie van toelichting, de redactie nog steeds aan de gang is. De verantwoording van de voorrechten en immuniteiten moet immers in die juridische context worden onderzocht.
2. De gemachtigde ambtenaar heeft erop gewezen dat de wisseling van brieven op uitdrukkelijk verzoek van Nederland één jaar geldig is en dat die wisseling weliswaar hernieuwbaar is, doch dat bij iedere hernieuwing de goedkeuringsprocedure dient te worden gevolgd; de bedoeling van de stellers van het ontwerp van wet, die niet voldoende duidelijk blijkt uit de memorie van toelichting, bestaat er dus in te beletten dat eventuele vernieuwingen van het akkoord bij voorbaat worden goedgekeurd.
Voorts zou het overeenkomstig het gebruik beter zijn in artikel 1 de woorden « , eerste lid, 6º, » te laten vervallen.
De kamer was samengesteld uit :
De heer J.-J. STRYCKMANS, kamervoorzitter;
De heren Y. BOUCQUEY en Y. KREINS, staatsraden;
De heren J. DE GAVRE en P. GOTHOT, assessoren van de afdeling wetgeving;
Mevrouw J. GIELISSEN, griffier.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. STRYCKMANS.
Het verslag werd uitgebracht door de heer J. REGNIER, eerste auditeur. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer M. BAUWENS, adjunct-referendaris.
| De Griffier, | De Voorzitter, |
| J. GIELISSEN. | J.-J. STRYCKMANS. |