1-284/1 | 1-284/1 |
7 MAART 1996
De wet van 12 januari 1993 houdende een urgentieprogramma voor een meer solidaire samenleving heeft een aantal positieve maatregelen ten gunste van de daklozen ingesteld. Door een betere aflijning van de verantwoordelijkheid voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, beoogde deze wet komaf te maken met de penibele situatie van de daklozen. Het urgentieprogramma definieerde de verplichtingen van de O.C.M.W.'s ten aanzien van de daklozen en gaf de openbare centra ook bijkomende financiële middelen teneinde de integratie van de betrokkenen te bevorderen.
Wat de vaststelling van het territoriaal bevoegd openbaar centrum betreft, heeft de wetgever bepaald dat de maatschappelijke dienstverlening die aan een dakloze persoon verstrekt moet worden, ten laste valt van het O.C.M.W. van de gemeente waar betrokkene zijn hoofdverblijfplaats heeft, d.w.z. het O.C.M.W. van de gemeente waar hij is ingeschreven in de bevolkingsregisters. Indien de betrokkene geen hoofdverblijfplaats heeft, zal het O.C.M.W. van de gemeente waar de dakloze blijk geeft van zijn intentie om er te verblijven die bevoegdheid dragen. Bovendien moet de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar een dakloze persoon zich bevindt, hem de nodige dringende steun verlenen. Ingeval een dakloze een gevangenis of een gesticht verlaat, zal het O.C.M.W. van de gemeente waar betrokkene verbleef op het ogenblik van zijn opname bevoegd zijn, m.a.w. het O.C.M.W. van de gemeente waar betrokkene laatst was ingeschreven in de bevolkingsregisters. Bij gebrek aan een inschrijving als hoofdverblijfplaats, zal het O.C.M.W. van de gemeente waar de dakloze zich bevindt, bevoegd zijn om de aangewezen hulp te verstrekken. Spijts deze maatregelen van het urgentieprogramma, moet vastgesteld worden dat sommige O.C.M.W.'s nog steeds hun verantwoordelijkheid t.a.v. de daklozen ontwijken door een persoon die noch een adres, noch een domicilie heeft in de gemeente waar hij gewoonlijk verblijft, van de noodzakelijke hulpverlening uit te sluiten. Dergelijke onwettige praktijken zijn onduldbaar en vereisen bijkomende maatregelen om het lot van deze kansarmen daadwerkelijk te verbeteren.
Naast het bijhouden van een register voor daklozen, federaal georganiseerd binnen het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en zoals besproken in de Commissie voor de Sociale Zaken van de Senaat naar aanleiding van de behandeling van het wetsvoorstel van collega Anciaux (Gedr. St., 1-128/1 van 17 oktober 1995) kan gedacht worden aan maatregelen met directe financiële repercussies ten aanzien van die O.C.M.W.'s die moedwillig hun wettelijke opdracht negeren door zich ten onrechte onbevoegd te verklaren t.a.v. dakloze personen.
In plaats van alweer nieuwe bevoegdheidsregels met betrekking tot deze hulpaanvragers te creëren, komt het er immers in de eerste plaats op aan de bestaande wetgeving te doen respecteren en de manifeste onwil van sommige openbare centra op dit vlak te beteugelen. Deze maatregelen zullen overigens niet enkel de zogenaamde daklozen ten goede komen, maar ook alle andere kansarmen die met onverantwoorde afwijzingen vanwege bepaalde O.C.M.W.'s geconfronteerd worden. Een correcte naleving van de wet is tevens billijk ten aanzien van de plichtsbewuste O.C.M.W.'s die zich niet aan hun verantwoordelijkheid onttrekken.
Artikel 2
Luidens artikel 18, § 8, van de bestaansminimumwet van 7 augustus 1974 kan de bevoegde minister de voorziene staatstoelage in het toegekende bedrag van het bestaansminimum weigeren te betalen of beslissen ze te verminderen, indien het sociaal verslag niet vermeldt dat de voorwaarden tot toekenning van het bestaansminimum vervuld zijn of indien het O.C.M.W. de bepalingen van de wet niet heeft nageleefd, met name het terugvorderen van het bestaansminimum, overeenkomstig de artikelen 12, 13, 14 en 14bis van dezelfde wet.
Waar voornoemde wetsbepaling de onterechte toekenning van een bestaansminimum viseert, is het evenzeer gerechtvaardigd in de mogelijkheid te voorzien dat de bevoegde minister een soortgelijke sanctie zou kunnen opleggen aan een O.C.M.W. dat blijkens een rechterlijke veroordeling de territoriale bevoegdheidsregels miskent om een kansarme persoon het recht op een bestaansminimum te ontzeggen. Uiteraard wordt niet bedoeld het O.C.M.W. te straffen dat te goeder trouw in een bepaald geval een verkeerde interpretatie van de wet maakt, maar wel het O.C.M.W. dat de territoriale bevoegdheidsregels miskent, bijvoorbeeld door het opleggen van onwettige voorwaarden, zoals het verbinden van het recht op een bestaansminimum aan een domicilievereiste. Daarom wordt bepaald dat de minister de bedoelde sanctie « kan » opleggen en dat hij zijn beslissing dient te motiveren. Hiervoor beschikt de minister, tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort, over een inspectiedienst, die (eventueel na een bepaalde rechterlijke veroordeling) moet nagaan of het O.C.M.W. er in het verleden of momenteel een stelselmatigheid op nahoudt. De sanctie, met name de weigering of vermindering van de door de wet voorziene staatstoelage, zou een aanvang nemen op de datum van de hulpaanvraag en uiterlijk eindigde drie jaar na de datum van de rechterlijke veroordeling. De appreciatiebevoegdheid van de minister moet hem toelaten, al naargelang van de ernst van de tekortkoming van het betrokken O.C.M.W., een betekenisvolle sanctie op te leggen. De toepassing van deze strafbepaling vereist dat een afschrift van de rechterlijke beslissingen inzake het recht op een bestaansminimum systematisch overgezonden zou worden aan de minister bevoegd voor de maatschappelijke integratie.
Artikel 3
Eenzelfde maatregel is aangewezen op het vlak van de andere maatschappelijke dienstverlening. De mogelijkheden van terugvordering van de gedane kosten van de door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verleende hulp worden geregeld door de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
De huidige door artikel 19 van deze wet bepaalde administratieve sanctie viseert enkel het geval waarin een O.C.M.W. de lasten van de hulpverlening op een ander openbaar centrum heeft afgewenteld. De bevoegde minister kan aldus de door het steunverlenend centrum gemaakte kosten ten laste leggen van het schuldige centrum, zij het dat deze terugbetaling beperkt is tot maximum de hulpverlening die gedurende één jaar werd toegekend.
Onderhavig wetsvoorstel biedt de minister de mogelijkheid ook op te treden wanneer ingevolge een niet-gerechtvaardigde weigering tot steunverlening een kansarme in de kou is blijven staan. In de gevallen waarin de kosten van de hulpverlening overeenkomstig de artikelen 4 (kosten voor behandeling in een verplegingsinstelling) en 5 (kosten van andere hulpverlening) van de wet van 2 april 1965 principieel ten laste gelegd worden van de Staat, moet het voor de bevoegde minister mogelijk worden om, op grond van dezelfde redenen en overeenkomstig dezelfde modaliteiten als hierboven uiteengezet m.b.t. het bestaansminimum, de voorziene terugbetaling te weigeren of te verminderen.
De minister van Justitie zorgt eveneens voor de stelselmatige overzending van de rechterlijke beslissingen inzake het recht op maatschappelijke dienstverlening. De voorgestelde maatregelen zullen bepaalde openbare centra voor maatschappelijk welzijn ervan weerhouden onrechte weigeringsbeslissingen te nemen met betrekking tot het recht op een bestaansminimum of andere maatschappelijke dienstverlening en bevorderen terzelfder tijd de rechtszekerheid van de groep van de kansarmen aan wie al te vaak deze elementaire rechten ontzegd worden.
| Jacques D'HOOGHE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Aan artikel 18 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, gewijzigd bij de wet van 12 januari 1993, wordt een § 9 ingevoegd, luidende :
« § 9. Indien het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om op te treden en om die reden krachtens een rechterlijke beslissing veroordeeld wordt tot de toekenning van het bestaansminimum, kan de minister tot wiens bevoegdheid de Maatschappelijke Integratie behoort bij een met redenen omklede beslissing weigeren de toelage te betalen of beslissen ze te verminderen, waarbij de sanctie ingaat op de datum van de aanvraag en ten laatste eindigt drie jaar na de datum van de rechterlijke beslissing.
De minister tot wiens bevoegdheid de Justitie behoort staat in voor de systematische overzending van de rechterlijke beslissingen inzake de toepassing van deze wet aan de minister tot wiens bevoegdheid de maatschappelijke integratie behoort. »
Art. 3
In artikel 19 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1971, wordt in de plaats van § 3 die § 4 wordt, een nieuwe § 3 ingevoegd, luidende :
« § 3. Indien een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om op te treden en om die reden krachtens een rechterlijke beslissing veroordeeld wordt tot steunverlening, kan de minister tot wiens bevoegdheid de maatschappelijke integratie behoort in de gevallen waarin de kosten overeenkomstig artikelen 4 en 5 van deze wet ten laste zijn van de Staat, bij een met redenen omklede beslissing weigeren de kosten terug te betalen of beslissen de terugbetaling te verminderen, waarbij de sanctie ingaat op de datum van de aanvraag en ten laatste eindigt drie jaar na de datum van de rechterlijke beslissing.
De minister tot wiens bevoegdheid de Justitie behoort staat in voor de systematische overzending van de rechterlijke beslissingen inzake de toepassing van deze wet aan de minister tot wiens bevoegdheid de maatschappelijke integratie behoort. »
| Jacques D'HOOGHE. Jacques SANTKIN. Bert ANCIAUX. Bea CANTILLON. Marc OLIVIER. Erika THIJS. |