1-61/1

1-61/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 1995

13 JULI 1995


Wetsvoorstel tot aanvulling van het Wetboek van Strafvordering (1)

(Ingediend door de heer Loones c.s.)


TOELICHTING


Bij de bevrijding in 1944 stond België voor een drievoudige uitdaging : de wederopbouw van de economie, de normalisering van het politieke leven en de berechting van wat men toen de incivieken noemde.

De eerste opdracht is snel en met grote eensgezindheid uitgevoerd.

Het heropstarten van het politieke leven verliep iets moeizamer.

Het verwerken van de collaboratie, de derde uitdaging, is van in het begin tot op heden, op een mislukking uitgelopen. En dat niet alleen door wat zich in het begin buiten de rechtsorde afspeelde : de aanslagen op de « zwarten » kort vóór en de ontlading van de volkswoede vlak na de bevrijding.

Het is vooral de georganiseerde « zuivering » die faalde. De verantwoordelijkheid voor deze mislukking ligt zowel bij de politici als bij de rechters.

De politici hebben de omvang en de complexiteit van de repressie schromelijk onderschat en waren bovendien erg verdeeld in hun meningen over wat met de incivieken diende te gebeuren.

Erger dan deze verdeeldheid echter, was het totaal ontbreken van een coherente visie op de repressie en van een doordacht project.

Aanvankelijk ­ tussen 1945 en 1947 ­ zag het er naar uit dat men de collaborateurs, ook de politieke, voorgoed uit de maatschappij wou verwijderen. Een tijdelijke vrijheidsberoving bleek onvoldoende. De epuratie zorgde ervoor dat bijna honderdduizend burgers alle rechten verloren die hen op één of andere manier bij het openbare leven konden betrekken.

Die burgerlijke doodstraf trof niet alleen de grote collaborateurs maar ook een aantal burgers die in geringe mate en om diverse redenen op de ene of andere wijze in de collaboratie waren beland. Voor ongeveer de helft van die honderdduizend « weggezuiverden » is de ontzetting uit de rechten bovendien buiten elke vorm van proces uitgesproken. Een simpele inschrijving op de lijst van de krijgsauditeur volstond.

Begin 1947 drong een nieuwe visie de repressie binnen. Men zou de politieke delinquenten wederopvoeden, zodat ze na verloop van tijd toch weer een plaats in de maatschappij zouden kunnen innemen. Voor tienduizenden stond het verlies van de burgerrechten op dat ogenblik echter reeds elke vorm van reïntegratie in de weg. Velen waren trouwens reeds opgenomen in allerlei netwerken van ex-collaborateurs, waarbinnen verbittering en revanchisme de groeibodem vormden voor een virulent anti-belgicisme dat tot op heden nog steeds een realiteit is.

In 1950 moest dan ook worden vastgesteld dat de Belgische afrekening met de collaboratie mislukt was.

En de enige andere weg naar een oplossing : algemene amnestie, lag versperd met onoverkomelijke hindernissen.

Terwijl in Frankrijk en Nederland in het begin van de jaren vijftig algemene amnestie werd verleend voor politieke collaboratie, was in België de ervaring met de nasleep van het activisme een eerste grote hinderpaal. De amnestie, die de activisten in de jaren dertig verwierven, leidde niet tot de grote verzoening met het Belgisch feit. Integendeel ! Met het gevolg dat velen recidiveerden tijdens de tweede wereldoorlog. Amnestie was na 1945 bijgevolg een verbrand begrip.

Dat de repressie in België bovendien in de greep kwam van de partijpolitiek vormde een tweede handicap.

De vraag is of op dit ogenblik amnestie in dit land nog even volkomen onbespreekbaar is. De regering Martens VIII had in 1988 in haar regeerakkoord een passus opgenomen, die onder het hoofdstuk « Justitie » als tiende punt stelde : « De Regering zal, in het kader van de pacificatie tussen de Gemeenschappen, maatregelen bestuderen die bijdragen tot de verzoening tussen alle burgers. »

Behoort amnestie tot één van deze mogelijke maatregelen ?

Meer dan vijftig jaar na de feiten moet men nuchter, zonder passie, kunnen vaststellen dat de collaboratie inderdaad veel leed heeft veroorzaakt maar dat ook in de repressie veel onrecht werd aangedaan. Zo'n vierhonderdduizend burgers, tegen wie ­ in drie op vier gevallen zonder reden ­ een aanklacht was ingediend hebben maanden in angst en onzekerheid geleefd.

De meesten zijn nooit voor de rechter verschenen omdat hen uiteindelijk niets ten laste kon worden gelegd. Velen daarvan werden nochtans enige tijd geïnterneerd of in hun beroepsleven door administratieve tuchtstraffen geplaagd. Tienduizenden zijn wél schuldig bevonden, de enen voor een rechtbank, de anderen na een summier onderzoek door de krijgsauditeur.

Er is op sommige momenten en in sommige streken veel te streng gestraft; zeker in het geval van de politieke collaboratie was het inderdaad al te dikwijls een repressie « zonder maat en zonder einde ».

Een stuk van dit onrecht werd in de loop der jaren weliswaar, het zij slechts druppelsgewijs, door een aantal mini-maatregelen van juridische aard en via het sociaal dienstbetoon van politici weggewerkt. Beetje bij beetje werd in een aantal gevallen gratie, eerherstel en vervroegde invrijheidstelling verleend.

Pensioendossiers werden individueel « geregeld ».

Toch blijkt het feit zelf van de collaboratie nog steeds niet helemaal te zijn verteerd. En ook op verre na niet alle materiële en sociale gevolgen van de repressie zijn uitgewist. Hoe kan dit land deze bladzijde in zijn geschiedenis dan toch omdraaien ?

Is algemene amnestie daartoe de passende en haalbare oplossing ?

Vooreerst moeten wij opmerken dat amnestie vandaag nog weinig praktische gevolgen zou hebben.

Algemene amnestie wist de gevolgen niet uit van tal van juridische vergissingen, maandenlange onrechtvaardigde interneringen, adminsitratieve tuchtmaatregelen, verlies van het recht op oorlogsschade, op het stauut van krijgsgevangene, op een pensioen als oorlogslachtoffer, enzovoort.

Amnestie betreft immers enkel de strafrechtelijk veroordeelden. Het « klein leed », waar niemand van wakker ligt, tenzij de betrokkenen zelf, blijft buiten het bereik van een amnestiewet. Amnestie is bijgevolg voor deze, nochtans ook zeer pijnlijke gevallen, dus een volkomen ongeschikt middel.

Bovendien is het onze vroegere en ook recente parlementaire ervaring dat amnestie, als algemene kwijtschelding van schuld en boete, ook vandaag nog steeds politiek onbespreekbaar blijft. Bij amnestie primeert niet het belang van het individu maar wel het belang van de gemeenschap. Als een stuk verleden de

geestelijke gezondheid van een bevolking bedreigt dan is het aangeraden dat verleden definitief uit het collectief geheugen weg te snijden.

Deze operatie heeft echter alleen pas dan kans op succes als alle betrokkenen bereid zijn voortaan op een beheerste wijze met de bewiste feiten om te gaan.

En juist deze voorwaarde is in dit land niet vervuld.

Er is het onverbiddelijke neen van hen die om principiële of partijpolitieke redenen niet willen vergeten en vergeven. Maar ook in de pleidooien voor amnestie worden dikwijls door een even ongenuanceerde benadering nog steeds een aantal hindernissen opgeworpen.

Vooral het werken aan weerszijden met grove stereotypen (« verraders in dienst van het nazisme » aan de ene, « onbaatzuchtige idealisten » aan de andere kant) staat een definitieve ­ en voor beide kampen aanvaardbare ­ afrekening met een ­ voor beide kampen even onzalig ­ verleden in de weg.

In het kader van de, ook door de vorige regering en de Koning gewenste « pacificatie tussen de Gemeenschappen », lijkt het ons nochtans hoog tijd om af te rekenen met de repressie.

Juridisch-technisch is amnestie daartoe een gebrekkig middel. Politiek gezien kan het niet.

Wij kunnen beide feitelijkheden alleen maar vaststellen. Met ons wetsvoorstel bepleiten wij daarom een pragmatische benadering van het repressiedossier.

Er is een zakelijk alternatief voor amnestie : algemeen eerherstel.

Algemeen eerherstel schakelt de nog steeds nawerkende gevolgen van de repressie voorgoed uit : het brengt herstel in burgerrechten, vermijdt dat de veroordeling vermeld wordt op uittreksels uit het strafregister of op attesten van achtenswaardigheid ten behoeve van kinderen of kleinkinderen, heft het verbod op om het land binnen te komen en dergelijke.

In combinatie met de opheffing van de nog invorderbare boeten en van de nog resterende sekwesterdossiers, kan eerherstel de erfenis van de repressie grotendeels wegwerken.

Algemeen eerherstel heeft bovendien ­ anders dan bij een amnestiemaatregel ­ geen terugwerkende kracht.

Eerherstel is een selectief middel; het wist voor de toekomst wel de boete uit maar laat de schuldvraag over het verleden open. Alleen op die wijze kan onder de repressiebladzijde definitief een streep worden getrokken in een land waar nog steeds een onoverbrugbare kloof blijft bestaan ­ zelfs een communautaire breuklijn ­ tussen dezen die niet willen vergeten en zij die tot op heden overtuigd blijven van hun groot gelijk.

Deze streep trekken beschouwen wij vooral als onze grote politieke verantwoordelijkheid jegens een generatie die deze bladzijde van de geschiedenis alleen maar heeft gelezen, (of zelfs niet), in ieder geval niet heeft beleefd in de geschiedkundige context, die niet reproduceerbaar is, en waarvoor de schuldvraag alleen een verdere hypotheek betekent op de zeker door deze generaties nagestreefde pacificatie tussen de Gemeenschappen.

Jan LOONES.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In het Wetboek van Strafvordering wordt een artikel 619bis ingevoegd, luidende :

« Artikel 619 bis. ­ Veroordelingen tot correctionele straffen en tot criminele straffen, opgelopen wegens misdrijven gepleegd tijdens de periode van 1 september 1939 tot 31 december 1945, worden uitgewist met ingang van het van kracht worden van dit artikel, onverminderd het herstel in eer en rechten dat de veroordeelde zou hebben bekomen overeenkomstig de artikelen 621 en volgende van dit Wetboek. »

Art. 3

Artikel 621 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 12 juli 1984, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :

« Een veroordeelde die herstel in eer en rechten heeft bekomen betreffende een veroordeling bedoeld bij artikel 619bis , evenals de veroordeelde wiens straf bij toepassing van dat artikel is uitgewist, kan een nieuw herstel in eer en rechten bekomen, ongeacht de termijn die sinds het hierbij bedoelde herstel in eer en rechten of de uitwissing van de veroordeling is verstreken. »

Jan LOONES.
Bert ANCIAUX.
Christiaan VANDENBROEKE.

(1) Dit wetsvoorstel werd in de Senaat reeds ingediend op 4 februari 1992, onder het nummer 138-1 (B.Z. 1991-1992).