1-70/1 | 1-70/1 |
13 JULI 1995
Het asielzoekersprobleem in België blijft een zaak van eerste orde. Van de vele problemen die hiermee gepaard gaan is de globale achterstand in de dossierbehandeling, voornamelijk ten gevolge van de blijvende toestroom van vreemdelingen en de lange duur van de procedure, wellicht één van de grootste. De wet van 6 mei 1993 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad van 21 mei 1993) poogde de laatstgenoemde oorzaak alvast weg te werken.
Die regelgeving, alsook het extra personeel dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd toegewezen, moeten de tijd krijgen om hun efficiëntie en hun effectiviteit te bewijzen. Ondertussen blijft evenwel de toestand bestaan van kandidaat-vluchtelingen die reeds vele maanden, en soms jaren, op definitief uitsluitsel van de bevoegde diensten wachten. Sommigen onder hen pogen zich ondertussen zo goed en zo kwaad als mogelijk te integreren.
Als dusdanig kan het gebeuren dat een reeds behoorlijk geïntegreerde asielzoeker na lange tijd te horen krijgt dat zijn of haar aanvraag tot het bekomen van de status van vluchteling werd afgewezen. Enkele ruchtmakende gevallen, zoals het geval van Bobby Singh, hebben ter zake de publieke opinie danig geschokt. Terecht stelde men zich hier de vraag of recht en rechtvaardigheid niet gevaarlijk ver uit elkaar gegroeid waren, des te meer daar een belangrijke oorzaak van die schrijnende toestanden de trage en inefficiënte werking van de openbare diensten betreft.
Dit wetsvoorstel beoogt een menswaardige oplossing voor deze gevallen. Bij de bevolking bestaat een algemeen gevoel dat vreemdelingen die zich echt willen aanpassen en die geen moeilijkheden hebben veroorzaakt, een verdere kans moeten krijgen in ons land. Kern van het voorstel is dat vreemdelingen, wier aanvraag tot het bekomen van de status van vluchteling definitief werd afgewezen door de bevoegde diensten, maar die zich ondertussen tijdens de onbehoorlijk lange duurtijd van de procedure (van minimum twee jaar) op een ernstige manier hebben weten te integreren in onze samenleving, een regularisatie kunnen bekomen. Het voorstel somt enkele precieze criteria op die een voldoende graad van integratie willen waarborgen en waaraan de vreemdelingen moeten voldoen willen ze een beroep kunnen doen op de bij dit voorstel in te voeren « uitzonderlijke verklaring als vluchteling ».
Deze idee is niet nieuw. Het onderhavige voorstel is in belangrijke mate geïnspireerd op de in Frankrijk bestaande « circulaire des ministres des Affaires sociales et de l'Intérieur relative aux demandeurs d'asile déboutés » van 23 juli 1991. Deze reglementering bepaalt, samengevat, dat asielzoekers wier aanvraag door de bevoegde diensten definitief werd geweigerd kunnen genieten van een « admission exceptionnelle au séjour et au travail » indien de volgende voorwaarden worden vervuld :
binnenkomst in Frankrijk voor 1 januari 1989;
een minimumduur van het onderzoek van 2 of 3 jaar;
geen publieke ordeverstoring;
een wettelijke professionele activiteit van ten minste 2 jaar.
Artikel 2
Behoeft geen toelichting.
Artikel 3
Enkel wie, met uitzondering van de beroepsmogelijkheden bij de Raad van State, definitief is afgekeurd wat het bekomen van het statuut van politiek vluchteling betreft, komt in aanmerking.
Dit artikel beschrijft de formele stappen die moeten worden ondernomen alsook de voorwaarden die moeten worden vervuld voor het bekomen van het uitzonderlijk verblijf op het grondgebied. Wat de vier voorgeschreven voorwaarden betreft, moet het volgende worden opgemerkt.
De eerste voorwaarde is evident wanneer men het risico op een nieuwe stroom oneigenlijke politieke vluchtelingen wil voorkomen.
De tweede voorwaarde behelst eveneens een essentieel punt. Wanner de uitspraak omtrent het al of niet erkennen van een politiek vluchteling snel gebeurt, zoals te verwachten is na de jongste wetswijziging van 6 mei 1993, hoeft men ter zake niet meer te remediëren.
Voorwaarden 3 en 4 impliceren dat werk en taalkennis wezenlijke elementen zijn van een geslaagd integratieproces.
Behoeft geen toelichting.
Behoeft geen toelichting.
De vreemdeling bekomt dus niet het statuut van erkend politiek vluchteling, waaraan hij trouwens niet beantwoordt volgens de Conventie van Genève, maar wel van de vreemdeling gemachtigd om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Dit heeft gevolgen onder meer op het vlak van de steunverlening. Een politiek vluchteling heeft recht op het bestaansminimum, een andere erkende vreemdeling op de « gewone » hulp.
Behoeft geen toelichting.
Artikel 4
Behoeft geen toelichting.
| Jan LOONES. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 32 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt aangevuld met de volgende bepaling :
« Het advies van de commissie is veplicht inzake de aanvraag tot uitzonderlijk verblijf op het grondgebied. Dit advies wordt gegeven uiterlijk binnen de maand na indiening van de vraag tot advies. »
Art. 3
Na hoofdstuk 2 van titel III van dezelfde wet wordt een hoofdstuk 2bis (nieuw) ingevoegd, met als opschrift « Aanvraag tot uitzonderlijk verblijf op het grondgebied », dat de volgende artikelen omvat :
« Artikel 67/2
De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen waarbij het dringend beroep zoals bepaald in hoofdstuk 1bis van titel III van deze wet wordt afgewezen en de weigering tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals bepaald in afdeling 3 van hoofdstuk 2 van titel II van deze wet, zijn vatbaar voor een aanvraag tot uitzonderlijk verblijf op het grondgebied, onder de in artikel 67/3 gestelde voorwaarden.
Artikel 67/3
§ 1. De aanvraag tot uitzonderlijk verblijf op het grondgebied wordt gericht aan de in artikel 32 vermelde Commissie van advies voor vreemdelingen. Deze aanvraag wordt ingediend binnen drie dagen na kennisgeving van de in artikel 67/2 vermelde beslissingen.
§ 2. De Commissie van advies voor vreemdelingen geeft advies aan de Minister die de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdeing van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft. Dit advies moet gegeven worden binnen de maand na ontvangst van de aanvraag tot uitzonderlijk verblijf op het grondgebied.
§ 3. De Commissie van advies voor vreemdelingen kan de aanvraag tot uitzonderlijk verblijf op het grondgebied slechts gunstig adviseren indien de vreemdeling tegelijkertijd de volgende voowaarden vervult :
1º De aanvraag van de vreemdeling om als vluchteling te worden erkend dateert van voor 1 januari 1993;
2º Tussen de datum van aanvraag van het uitzonderlijk verblijf op het grondgebied en de beslissingen bepaald in artikel 67/2 is ten minste twee jaar verlopen;
3º De vreemdeling moet een wettelijke professionele activiteit van én minimum een halftijdse betrekking én minimum 12 maanden kunnen bewijzen aan de hand van officiële documenten;
4º De vreemdeling moet een redelijke kennis van de streektaal kunnen bewijzen.
§ 4. De Commissie van advies voor vreemdelingen brengt haar advies ter kennis van de Minister die de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft.
Artikel 67/4
Ingeval van ongunstig advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen bevestigt de Minister die de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft de in artikel 67/2 gestelde beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen.
Artikel 67/5
§ 1. Ingeval van gunstig advies van de Commissie beschikt de Minister die de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft over een termijn van vijf werkdagen, vanaf de ontvangst van het advies, om een beslissing te treffen aangaande de aanvraag tot het uitzonderlijk verblijf op het grondgebied.
§ 2. De in paragraaf 1 vermelde beslissing moet met redenen omkleed zijn en moet ter kennis gebracht worden van de Commissie van advies voor vreemdelingen en van de aanvrager die hiervan bij een ter post aangetekende of per bode bezorgde brief tegen ontvangstbewijs een afschrift ontvangen heeft binnen de in § 1 bepaalde termijn van vijf werkdagen. Wanneer de vreemdeling woonplaats heeft gekozen bij zijn raadsman, kan de kennisgeving ook geldig worden verstuurd per faxpost.
Artikel 67/6
§ 1. De beslissing van de Minister die de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, tot bevestiging van het ongunstig advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen, én de beslissing waarbij hij afwijkt van het gunstig advies, leiden tot het eventueel verderzetten van de procedure tot terugleiding van de vreemdeling naar de grens van het land dat hij is ontvlucht en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zouden verkeren.
§ 2. De beslissing van de Minister die de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft, tot bevestiging van het gunstig advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen, stelt de vreemdeling gelijk met de vreemdelingen die gemachtigd worden om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. De bepalingen van titel I, hoofdstuk 3, van deze wet zijn op hem van overeenkomstige toepassing.
Artikel 67/7
Vanaf de indiening van de aanvraag tot uitzonderlijk verblijf op het grondgebied tot de kennisgeving van de beslissing van de Minister die de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft aan de aanvrager, mag geen enkele maatregel tot verwijdering van het grondgebied worden uitgevoerd en mag geen zodanige maatregel ten opzichte van de vreemdeling worden genomen wegens de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de beslissing waartegen dat verzoek is ingediend. »
Art. 4
Artikel 69, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Indien hij echter ook een verzoek tot herziening heeft ingediend bedoeld bij artikel 63 en hoofdstuk 2 van deze titel, of een aanvraag tot uitzonderlijk verblijf bedoeld in artikel 32 van hoofdstuk 2bis van deze titel, wordt de behandeling van het beroep tot nietigverklaring opgeschort tot wanneer de Minister die de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft over het verzoek of de aanvraag uitspraak zal hebben gedaan. »
| Jan LOONES. Bert ANCIAUX. Christiaan VANDENBROEKE. |
(1) Dit wetsvoorstel werd in de Senaat reeds ingediend op 2 december 1993, onder het nummer 893-1 (1993-1994).