1-309/1 | 1-309/1 |
4 APRIL 1996
De vervollediging van de staatshervorming heeft problemen doen rijzen omtrent de wijze waarop de senator of senatoren bedoeld in artikel 210bis van het Kieswetboek wordt of worden verkozen.
Dit artikel, dat werd ingevoegd als amendement op de gewone wet van 1993, waarin onder meer het Kieswetboek werd aangepast aan de nieuwe instellingen van het land, bepaalt immers dat er in elke provincie ten minste één senator moet zijn, zonder nochtans te preciseren wie voor dat evenwicht moet instaan. Het gevolg daarvan is dat bij de huidige samenstelling van de Senaat de wet niet wordt nageleefd.
Dit voorstel is bedoeld om vast te leggen op welke wijze moet worden te werk gegaan wanneer een provincie in de Hoge Vergadering geen vertegenwoordiger heeft.
| Charles-Ferdinand NOTHOMB. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 210bis van het Kieswetboek, ingevoegd door de wet van 16 juli 1993, waarvan de huidige tekst § 1 wordt, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
« § 2. Indien er een provincie is waar geen enkele rechtstreeks verkozen senator of gemeenschapssenator op de dag van zijn verkiezing zijn woonplaats heeft, moet ten minste één kandidaat die overeenkomstig de artikelen 220 en 221 is voorgesteld voor de aanwijzing van de gecoöpteerde senatoren door de politieke formatie die het eerst in aanmerking komt voor de coöptatie voor de betrokken provincie, op de dag van zijn verkiezing zijn woonplaats hebben in een gemeente van die provincie.
Voor de toepassing van deze paragraaf is de het eerst voor coöptatie in aanmerking komende politieke formatie die waarvan de rechtstreeks verkozen senatoren verkozen zijn op de lijst die, voor de senaatsverkiezingen, in alle kieskantons van de betrokken provincie samen het hoogste stemcijfer heeft behaald van alle lijsten die overeenstemmen met de formaties die in aanmerking komen voor de aanwijzing van de gecoöpteerde senatoren. »
| Charles-Ferdinand NOTHOMB. Hugo COVELIERS. |