1-16/1 | 1-16/1 |
27 JUNI 1995
Naarmate de gewesten en gemeenschappen meer bevoegdheden kregen stond het provinciaal bestuursniveau meer dan eens ter discussie. Het St.-Michielsakkoord bevestigt nochtans het bestaan en de bestuurlijke rol van de provincies. De provincieraadsverkiezingen zullen bovendien gelijktijdig plaatsvinden met de gemeenteraadsverkiezingen. Het provinciaal mandaat zal voortaan, zoals het gemeentelijke, zes jaar duren. De provincie zal een noodzakelijk, onmisbaar en volwaardig bestuursniveau zijn tussen de gemeenten enerzijds en de gewesten en gemeenschappen anderzijds.
De provinciale bestuursstructuren dienen nochtans aangepast en gemoderniseerd te worden.
Vooreerst is de werking van de provincieraad aan een grondige vernieuwing toe. De primauteit van dit democratisch verkozen orgaan moet meer dan vroeger tot uiting komen.
Daartoe is het in eerste instantie noodzakelijk dat de leden van de provincieraad de hen opgedragen controletaak effectief kunnen uitoefenen. Een betere informatie van de provincieraad moet het debat in die raad en het provinciaal beleid in het algemeen nieuw leven inblazen.
De voorgestelde wijzigingen met betrekking tot de werking van de provincieraad en het statuut van de provincieraadsleden kunnen als volgt samengevat worden :
de uitbreiding van het inzagerecht van de provincieraadsleden tot de aan de gouverneur en aan de bestendige deputatie toegekende medebewindsopdrachten en de bepaling van de modaliteiten waaronder het inzagerecht kan worden uitgeoefend;
de toekenning van een vraag- en informatierecht aan elk individueel provincieraadslid;
de opname van de berekeningswijze van de presentiegelden in de provinciewet;
de verplichting in hoofde van de bestendige deputatie om jaarlijks een beleidsnota op te stellen en voor te leggen aan de provincieraad;
de uitbreiding van het politiek verlof voor de leden van de provincieraad.
Ook de positie van de gouverneur maakt onverbrekelijk deel uit van de discussie over de toekomst van de provinciebesturen.
Dit wetsvoorstel bevat daarom enkele bepalingen met betrekking tot dat ambt.
Al die innovaties moeten beschouwd worden als de eerste, maar niet onbelangrijke stappen van een algemeen plan om het provinciaal bestuursniveau te herwaarderen.
Artikelen 2 en 3
Momenteel bepaalt de provincieraad autonoom het bedrag van het presentiegeld dat aan de raadsleden wordt toegekend. Alhoewel de provincies informeel met elkaar overleg plegen, biedt dit systeem geen waarborgen voor de gelijke behandeling van alle provincieraadsleden. Dit wetsvoorstel wil dat verhelpen door de berekeningswijze van het presentiegeld in de provinciewet op te nemen.
Momenteel zou het 4 125 frank bedragen. Dit bedrag wordt bekomen door 824 204 (de maximumwedde van opsteller bij het Rijk krachtens het koninklijk besluit van 20 oktober 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van de ministeries) te delen door 200.
De berekeningswijze en het bedrag stemmen overeen met die van het voorstel van wet tot herwaardering van de rol van de gemeenteraad en het gemeenteraadslid (Gedr. St., Senaat, 1992-1993, nr 713-1) met betrekking tot de vergoeding van gemeenteraadsleden in steden van meer dan 50 000 inwoners. Daardoor wordt de coherentie tussen de gemeente- en provinciewet bevorderd.
Artikelen 4 en 5
Deze artikelen leggen het inzage-, vraag- en informatierecht van de provincieraadsleden expliciet vast. Momenteel regelen de artikelen 65, vierde lid en 120, tweede en derde lid van de provinciewet dat inzagerecht. Over de exacte draagwijdte van deze bepalingen bestaat echter discussie aangezien niet duidelijk is of het inzagerecht beperkt blijft tot zaken van louter provinciaal belang of ook kan uitgebreid worden tot de zaken van gemengd belang, namelijk van provinciaal en algemeen belang.
De verduidelijkingen die dit wetsvoorstel aanbrengt zullen ongetwijfeld tot meer rechtszekerheid en de gelijke behandeling van alle provincieraadsleden leiden.
Dit wetsvoorstel wil het inzagerecht van elk provincieraadslid expliciet uitbreiden tot de medebewindstaken die aan de gouverneur en de bestendige deputatie zijn toegewezen. Alhoewel de gouverneur en de bestendige deputatie in de uitoefening van die opdrachten strikt genomen niet optreden als louter provinciaal orgaan, kan niet ontkend worden dat die aangelegenheden in belangrijke mate het bestuur van de provincie kunnen aanbelangen. Het is daarom aangewezen dat de provincieraadsleden ook in die materies het recht krijgen om adequaat geïnformeerd te worden.
Om de werkelijke uitoefening van het inzagerecht mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat ook de nodige praktische regelingen worden getroffen. Daarom wordt de verplichting ingesteld om een register van in- en uitgaande stukken aan te leggen. Hierdoor worden de provincieraadsleden in de mogelijkheid gesteld om kennis te nemen van het bestaan van stukken die eventueel later het voorwerp kunnen zijn van het inzagerecht.
In § 2 van het voorgestelde artikel 65bis wordt het algemeen vraag- en informatierecht van de individuele provincieraadsleden vastgelegd. Door die innovatie zal de controletaak van de provincieraad ontegensprekelijk aan belang winnen. Op gemeentelijk vlak werd het vraagrecht van de gemeenteraadsleden met betrekking tot de politiebevoegdheden van de burgemeester, erkend door de invoeging van artikel 133bis in de nieuwe gemeentewet (wet van 15 juli 1992).
Het recht van de provincieraadsleden om geïnformeerd te worden, is in beginsel onbeperkt tenzij het aangelegenheden betreft waarover overeenkomstig de wet geen informatie mag worden gegeven. In die hypothese moet ook aan de provincieraadsleden het informatierecht ontzegd worden.
Het spreekt bovendien vanzelf dat de uitoefening van het vraag- en informatierecht niet toelaat dat de provincieraad zich in de plaats zou stellen van de gouverneur of de bestendige deputatie. De informatieplicht in hoofde van de gouverneur en de bestendige deputatie, heeft enkel tot doel de provincieraadsleden de gelegenheid te geven zich te informeren. De provincieraad kan geen beslissingen nemen of wijzigen wanneer de zaak de eigen bevoegdheden van de deputatie of van de gouverneur betreft. De vraag en het antwoord kunnen daarom niet het voorwerp uitmaken van een stemming in de provincieraad.
De concrete modaliteiten die het vraagrecht beheersen moeten worden bepaald in een huishoudelijk reglement. Het verdient nochtans aanbeveling om enkele minimumvoorwaarden wettelijk vast te leggen. Daarom bepaalt dit voorstel uitdrukkelijk de termijnen waarbinnen het antwoord op de geformuleerde vragen moet worden gegeven.
Artikelen 6 en 9
Met het oog op een transparantere besluitvorming, stellen deze artikelen de verplichting in om een algemene beleidsnota te hechten aan het ontwerp van begroting dat ingevolge artikel 115 van de provinciewet door de bestendige deputatie wordt opgesteld.
Een vergelijkbare regeling bestaat al in de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd door de wet van 29 december 1988. Luidens artikel 88 van die wet wordt aan de begroting van ontvangsten en uitgaven die jaarlijks door de raad wordt opgesteld een algemene beleidsnota gehecht. Die verplichting moet de gemeenteraadsleden toelaten om met kennis van zaken hun goed- of afkeuring uit te spreken over de door de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn opgestelde begroting. Ook artikel 79 van het reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers bepaalt dat de begroting van de verschillende ministeriële departementen moet vergezeld zijn van een beleidsnota waarin de beleidsobjectieven en de daartoe uitgetrokken middelen uitdrukkelijk zijn opgenomen.
De verplichting om een beleidsnota aan de begroting te hechten, bestaat met andere woorden al op nationaal en gemeentelijk niveau. De voordelen ervan zijn dat de raadsleden met meer kennis van zaken de begroting kunnen beoordelen en dat de leden van de bestendige deputatie, als college maar ook individueel, verantwoording afleggen voor het door hen gevoerde beleid.
Met het oog op een uitvoerige bespreking in de provincieraad moet de beleidsnota vooraf aan de raadsleden worden meegedeeld samen met het ontwerp van begroting. Om een effectieve controle op het voorgestelde beleid mogelijk te maken, spreekt het vanzelf dat de inhoud van de beleidsnota moet voldoen aan enkele minimale vereisten. De algemene beleidsnota zal daarom alleszins vermelden wat de beleidsprioriteiten en objectieven zijn van de bestendige deputatie, de budgettaire middelen die uitgetrokken worden om die doelstellingen te bereiken en een kalender van de voltooiing van die doelstellingen.
Artikelen 7, 8 en 10
De functie van de gouverneur is tweeslachtig. Enerzijds heeft hij een gedeconcentreerde taak en treedt hij op als verlengstuk van de nationale overheid of van de gewest- en gemeenschapsoverheid in de provincie. Anderzijds neemt hij als voorzitter van de bestendige deputatie deel aan de besluitvorming over materies van provinciaal belang.
Die tweeslachtigheid leidt er onder andere toe dat de gouverneur, als commissaris van de gewestexecutieve, het administratief toezicht uitoefent op de besluiten van de deputatie (zie artikel 125 van de provinciewet dat bij gebreke van een nieuwe decretale regeling nog steeds geldt voor de provincies van het Vlaamse Gewest) en dus moet controleren of de beslissingen wettig zijn en het algemeen belang niet schaden, alhoewel hij eerst zelf als voorzitter van de deputatie deelgenomen heeft aan de besluitvorming. Hij is met andere woorden tegelijk rechter en partij.
Aan die ongezonde situatie wil dit voorstel een einde maken door de bestendige deputatie niet langer door de gouverneur te laten voorzitten, maar door een uit haar midden verkozen voorzitter. Wat de gouverneur betreft, komt de nadruk te liggen op zijn functie van commissaris van de hogere overheid. Dit sluit beter aan bij zijn statuut : hij is immers een voor het leven benoemd ambtenaar, die politiek niet kan gesanctioneerd worden.
Aangezien de gouverneur de deputatie niet meer van rechtswege voorzit, is hij ook geen lid meer van de deputatie en bijgevolg niet meer stemgerechtigd in dit orgaan.
Zoals nu al met betrekking tot de provincieraad, zal hij wel de vergaderingen van de deputatie kunnen bijwonen, er het woord voeren, en de deputatie verzoeken een aangelegenheid te behandelen. De deputatie zal ook zijn aanwezigheid kunnen vorderen.
Aangezien de deputatie voortaan zes in plaats van zeven stemgerechtigden telt, wordt het risico van staking van stemmen groter. Momenteel bepaalt de provinciewet dat in dat geval het voorstel verworpen is. Om te beletten dat de besluitvorming wordt geblokkeerd, lijkt het aangewezen de regels over te nemen die gelden voor het schepencollege en die vervat zijn in de artikelen 101 en 106 van de nieuwe gemeentewet. Wanneer de deputatie een rechtsprekende taak uitoefent, is het evenwel, in het belang van een vlotte rechtsbedeling, aangewezen dat zo snel mogelijk een beslissing wordt genomen : daarom wordt de huidige regeling behouden, die bij staking van stemmen een beslissende stem toekent aan de voorzitter.
Artikel 11
Momenteel bepaalt de wet van 19 juli 1976 tot instelling van een verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat niet hoeveel dagen verlof dienen toegekend te worden. Omwille van haar belang moet die precisering opgenomen worden in de wet.
Het aantal van twee dagen is een minimum, gezien het stijgend belang van de politieke activiteiten, ook op provinciaal niveau.
Aangezien de activiteit in de provincieraad tijdens de bespreking van de begroting groter is dan in andere periodes, moet het verlof binnen eenzelfde kalenderjaar kunnen overgedragen worden naar een andere maand.
Artikel 12
Het aantal dagen politiek verlof voor personeelsleden van de federale overheidsdiensten die provincieraadslid zijn, is momenteel vastgesteld op 1 dag per maand.
Gezien het toenemend werkvolume dat met de uitoefening van het mandaat van provincieraadslid gepaard gaat, wordt voorgesteld om het aantal dagen politiek verlof te verhogen tot twee dagen per maand.
| Patrick HOSTEKINT. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Het eerste lid van artikel 61 van de provinciewet van 30 april 1836 wordt aangevuld als volgt :
« Het presentiegeld wordt bekomen door het hoogste bedrag van de weddeschaal van opsteller bij het Rijk, verhoogd of verlaagd volgens de voor die schaal geldende regels van indexkoppeling, te delen door 200. Het wordt door de Koning bekendgemaakt. »
Art. 3
Artikel 61, laatste lid, van dezelfde wet wordt vervangen door het volgende lid :
« Het bedrag van de vergoeding voor reiskosten wordt door de provincieraad vastgesteld. Het presentiegeld en de vergoeding voor reiskosten zijn ten laste van de provincie. »
Art. 4
Artikel 65, vierde lid, van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 5
Een artikel 65bis , luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
« Artikel 65bis . § 1. Geen akte, geen stuk betreffende het bestuur van de provincie mag aan het onderzoek van de leden van de raad worden onttrokken, ook niet indien die akte of dat stuk betrekking heeft op een aan de gouverneur of de bestendige deputatie toegewezen opdracht die zowel van algemeen als van provinciaal belang is.
Een register van inkomende en uitgaande stukken wordt bijgehouden. Het register ligt ter inzage van de provincieraadsleden.
Aan de provincieraadsleden wordt een kopie van de akten en stukken afgeleverd wanneer zij daarom verzoeken.
De provincieraadsleden mogen alle inrichtingen en diensten bezoeken die de provincie opricht en beheert.
Het reglement, bedoeld in artikel 50, bepaalt de modaliteiten waaronder en de tijdstippen waarop het inzage- en bezoekrecht kunnen worden uitgeoefend, alsmede onder welke voorwaarden een kopie van de akten of stukken kan worden bekomen. Voor het bekomen van een kopie van de akten of stukken kan een vergoeding aangerekend worden, die overeenstemt met de kostprijs, zonder dat de personeelskosten op enigerlei wijze in rekening mogen worden gebracht.
§ 2. Behoudens uitzonderingen die de wet bepaalt en zonder op enige wijze afbreuk te doen aan de aan de gouverneur of de bestendige deputatie toegekende bevoegdheden, hebben de leden van provincieraad het recht om geïnformeerd te worden door de gouverneur of door de bestendige deputatie over de wijze waarop ze hun bevoegdheden uitoefenen.
De modaliteiten van het vraagrecht worden bepaald in het reglement, bedoeld in artikel 50. Het reglement bepaalt in ieder geval dat op schriftelijke vragen binnen de tien werkdagen een schriftelijk antwoord moet worden gegeven en dat op mondelinge vragen, tijdens de raadszitting geformuleerd, moet worden geantwoord tijdens de eerstvolgende raadszitting. »
Art. 6
Artikel 66, tweede lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende zin :
« De algemene beleidsnota, bedoeld in artikel 115, tweede lid, wordt vóór de stemming uitvoerig besproken. »
Art. 7
Artikel 104, eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen door het volgende lid :
« De bestendige deputatie kiest uit haar midden een voorzitter; in geval van verhindering wijst de bestendige deputatie een ander lid aan om het voorzitterschap waar te nemen. »
Art. 8
Artikel 104, zesde lid, van dezelfde wet wordt vervangen door het volgende lid :
« Elk besluit wordt genomen bij volstrekte meerderheid van de aanwezige leden.
Wanneer de bestendige deputatie een rechtsprekende taak uitoefent, is de stem van de voorzitter beslissend bij staking van stemmen.
Indien bij de benoeming of de voordracht van kandidaten de vereiste meerderheid niet wordt verkregen bij de eerste stemming, heeft herstemming plaats over de kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald. Te dien einde maakt de voorzitter een lijst op met tweemaal zoveel namen als er benoemingen of voordrachten moeten geschieden. De stemmen kunnen alleen uitgebracht worden op de kandidaten die op die lijst voorkomen. De benoeming of de voordracht geschiedt bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen heeft de oudste kandidaat de voorkeur.
Bij staking van stemmen in de andere aangelegenheden verdaagt de bestendige deputatie de zaak tot een volgende vergadering, tenzij ze verkiest een lid van de provincieraad op te roepen.
Indien echter de meerderheid van de bestendige deputatie vóór de behandeling de zaak spoedeisend heeft verklaard, is de stem van de voorzitter beslissend. Hetzelfde geldt wanneer op drie vergaderingen de stemmen staken over eenzelfde zaak, zonder dat in de bestendige deputatie een meerderheid verkregen is om een raadslid op te roepen. »
Art. 9
In artikel 115 van dezelfde wet wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd :
« Aan het ontwerp van de begroting van uitgaven en middelen wordt een algemene beleidsnota gehecht. Het ontwerp van begroting en de bijhorende algemene beleidsnota worden aan ieder lid van de provincieraad besteld tenminste zeven vrije dagen voor de dag van de vergadering waarop deze zullen worden besproken. »
Art. 10
In artikel 123 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º na de woorden « van de provincieraad » worden de woorden « en van de bestendige deputatie » ingevoegd;
2º tussen het woord « raad » en het woord « verzoeken » worden de woorden « en de bestendige deputatie » ingevoegd;
3º de woorden « raad is » worden vervangen door de woorden « raad en de bestendige deputatie zijn »;
4º de woorden « raad kan » worden vervangen door de woorden « raad en de bestendige deputatie kunnen ».
Art. 11
In artikel 3 van de wet van 19 juli 1976 tot instelling van een verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt :
« De werknemers die lid zijn van een provincieraad hebben recht op 2 dagen politiek verlof per maand. Die dagen kunnen overgedragen worden van de ene maand naar de andere binnen eenzelfde kalenderjaar.
De Koning bepaalt voor elk van de andere mandaten of ambten opgesomd in artikel 2, volgens de criteria en onder de voorwaarden die Hij vaststelt, het maximum aantal arbeidsdagen of gedeelten van arbeidsdagen per maand die als politiek verlof beschouwd worden.
Tijdens het politiek verlof hebben de werknemers die één van de mandaten of ambten opgesomd in artikel 2 vervullen, het recht van het werk afwezig te blijven met behoud van hun normaal loon met het oog op het uitoefenen van hun mandaat of ambt. »
Art. 12
In artikel 3, 8º, van de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten worden de woorden « 1 dag per maand » vervangen door de woorden « 2 dagen per maand ».
| Patrick HOSTEKINT. Eric PINOIE. |
(1) Dit wetsvoorstel werd reeds in de Senaat ingediend op 23 maart 1994, onder het nummer 1017-1 (1993-1994).