1-308/1

1-308/1

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

2 APRIL 1996


Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven

(Ingediend door de heer D'Hooghe c.s.)


TOELICHTING


In uitvoering van de algemene beleidsverklaring bij de aanvang van de parlementaire zitting 1995-1996, nam de Regering een aantal relancemaatregelen voor de bouwsector, welke een grotere economische groei beogen alsook een niet onbelangrijke impact op de werkgelegenheid. Het multiplicatoreffect dat van impulsen in deze sector uitgaat is een gekend fenomeen. Vandaar dat in het raam van een stimulerende economische politiek deze maatregelen aanbeveling verdienen.

Zo werd in de bouwsector over een totale gecumuleerde maatstaf van heffing van 2 000 000 frank (excl. B.T.W.) bij koninklijk besluit van 1 december 1995 het B.T.W.-tarief op 12 pct. gebracht voor alle particuliere woningen, waarvan de totale oppervlakte, berekend volgens criteria vastgesteld door de minister van Financiën, voor huizen 190m2 en voor appartementen 100m2 , niet overschrijdt. Dit geldt zowel bij de oprichting van een woning als bij de levering ervan, en voor de overdrachten en de wederoverdrachten van zakelijke rechten op gebouwen die niet vrijgesteld zijn bij artikel 44, § 3, 1º, van het B.T.W-Wetboek.

In deze maatregelen ontbreekt evenwel volkomen de gezinsdimensie, aangezien de maximaal toegelaten oppervlakte van de woningen, om van de voordelen van het verlaagd B.T.W.-tarief te kunnen genieten, ontoereikend is om op een aanvaardbare wijze gezinnen met personen ten laste te huisvesten, zoals gezinnen met kinderen en gezinnen die de zorg voor een bejaarde of gehandicapte persoon op zich nemen. Deze categorieën worden derhalve in de praktijk uitgesloten van de toepassing van dit voordeliger B.T.W-tarief, ondanks en wellicht precies omwille van de belangrijke maatschappelijke rol die zij op zich nemen.

Wat de gezinnen met kinderlast betreft, is het vanzelfsprekend dat de levensstandaard ervan wordt aangetast door de hoge kosten verbonden aan het grootbrengen van kinderen. De financiële draagkracht van het gezin wordt dus geraakt. Bovendien is de wijze waarop kinderen worden gehuisvest medebepalend voor hun toekomstperspectieven; bij wijze van voorbeeld worden hierdoor hun studie en vormingsmogelijkheden beïnvloed. Het is derhalve niet billijk dat bij het vastleggen van de oppervlaktenorm, waaraan de woningen moeten voldoen om van het verlaagd B.T.W.-tarief te kunnen genieten, geen rekening wordt gehouden met de kinderlast. Het geven van financiële ademruimte aan dergelijke gezinnen en het ondersteunen van de oprichting van aangepaste woonvoorzieningen is dus een positieve stimulans. Het betekent timmeren aan de toekomst van onze jeugd, maar ook aan de toekomst van onze maatschappij, wat een extra dimensie krijgt in het licht van de demografische evolutie.

Ook gezinnen, die de zorg voor een bejaarde of gehandicapte persoon dragen, worden geraakt in hun financiële draagkracht, in hun wooncomfort, in hun privacy. Het is hier dus evenzeer verantwoord om bij het toekennen van het bedoelde voordeel inzake B.T.W.-tarief rekening te houden met deze omstandigheden.

Die gezinnen zorgen er immers voor dat ouderen of gehandicapten zolang mogelijk in huiselijke gezinsomstandigheden kunnen verblijven; zij versterken de solidariteit tussen (en onder) de generaties. In het overgrote deel van de gevallen verlagen zij zowel de kosten als de last die rusten op de maatschappij en op de onmiddellijke omgeving. Het is evenwel niet de bedoeling de verhoogde oppervlaktenorm toe te passen op bejaarden die zelf een woning bouwen of verwerven, wel op hen die binnen hun particuliere woning de zorg voor een ander (of andere) bejaarde(n) opnemen. Daarentegen werd in die uitbreiding wel voorzien voor echtgenoten en alleenstaanden die gehandicapt zijn, in de zin als bepaald in artikel 135 van het W.I.B. Het lijkt ons immers aanvaardbaar om de vereiste ruimte voor zorg of tijdsbesteding binnen huis op te nemen in de toegelaten oppervlakte, om van B.T.W.-verlaging te kunnen genieten.

Dit wetsvoorstel strekt ertoe om de maximaal toegelaten oppervlakte van de woningen (huis of appartement), teneinde van de maatregel van verlaagd B.T.W.-tarief te kunnen genieten, te verhogen voor gezinnen met personen ten laste, gediversifieerd in drie categorieën. De gehandicapten zelf kunnen eveneens van de verhoogde norm genieten. In die zin voegt het voorstel een gezinsdimensie toe aan het koninklijk besluit van 1 december 1995.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikelen 2 en 3

Zoals in de toelichting uiteengezet is het de bedoeling om de toegelaten oppervlakte van woningen, om van het verlaagd B.T.W.-tarief te kunnen genieten, op te trekken. Het onderscheid tussen een verhoging van 20 m2 enerzijds en 30 m2 anderzijds, naargelang het louter personen ten laste of gehandicapte personen en ouderen betreft, houdt geen verschillende appreciatie in naar de diverse categorieën die de gezinnen onderkomen geven. Het onderscheid wordt louter vanuit functionele overwegingen ingevoerd. Men mag aannemen dat de benodigde ruimte bij kinderen (aangezien zij vaak uithuizig zijn voor onderwijs, sport, vrije tijd, ...) lager ligt dan bij gehandicapte personen of 65-plussers, wier woonvoorziening het eveneens moet mogelijk maken in de nodige ruimte voor eventuele zorgen te voorzien en wier woonaccomodatie soms de enige of haast uitsluitende verblijfplaats vormt. Vanuit die pragmatische vaststelling werd in het voorstel een onderscheid ingebouwd.

Het is wellicht overbodig erop te wijzen dat het niet de bedoeling is om in hoofde van één en dezelfde persoon verschillende verhogingen te cumuleren.

Artikelen 4 en 5

Dezelfde toelichting als voor de artikelen 2 en 3 kan gelden; het toepassingsgebied is hier evenwel beperkt tot de gevallen van levering van gebouwen en vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op gebouwen die niet vrijgesteld zijn door artikel 44, § 3, 1º, van het B.T.W.-Wetboek.

Jacques D'HOOGHE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, wordt artikel 1quater , § 1, A, eerste gedachtenstreepje, na de woorden « niet overschrijdt », aangevuld als volgt :

« ; deze oppervlaktegrenzen worden evenwel verhoogd met :

1º 20 m2 per persoon ten laste van de echtgenoten of van alleenstaanden;

2º 30 m2 voor iedere persoon ten laste die de leeftijd van 65 jaar overschrijdt op 1 januari van het jaar waarvoor de eerste keer de belasting opeisbaar is overeenkomstig punt 1) hierna;

3º 30 m2 per gehandicapte persoon ten laste in de zin van artikel 135 van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992, met inbegrip van de echtgenoten of van de alleenstaanden.

Als ten laste van de echtgenoten of van alleenstaanden worden aangemerkt, mits zij deeluitmaken van hun gezin op 1 januari van het jaar waarvoor voor de eerste keer de belasting opeisbaar is overeenkomstig punt 1) hierna :

1º hun kinderen;

2º hun ascendanten;

3º hun zijverwanten tot en met de tweede graad; ».

Art. 3

Artikel 1quater , § 1, A, 3), a) , van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een vijfde gedachtenstreepje, luidende :

« ­ het attest in de vorm bepaald door de minister van Financiën, waaruit de gezinstoestand blijkt op 1 januari van het jaar waarvoor de eerste keer de belasting opeisbaar is overeenkomstig deze bepalingen; ».

Art. 4

Artikel 1quater , § 1, B, eerste gedachtenstreepje, van hetzelfde besluit wordt na de woorden « niet overschrijdt » aangevuld als volgt :

« ; deze oppervlaktegrenzen worden evenwel verhoogd met :

1º 20 m2 per persoon ten laste van de echtgenoten of van alleenstaanden;

2º 30 m2 voor iedere persoon ten laste die de leeftijd van 65 jaar overschrijdt op 1 januari van het jaar waarvoor de eerste keer de belasting opeisbaar is overeenkomstig punt 1) a) hierna;

3º 30 m2 per gehandicapte persoon ten laste in de zin van artikel 135 van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992, met inbegrip van de echtgenoten of van de alleenstaanden.

Als ten laste van de echtgenoten of van alleenstaanden worden aangemerkt, mits zij deel uitmaken van hun gezin op 1 januari van het jaar waarvoor voor de eerste keer de belasting opeisbaar is overeenkomstig punt 1) a) hierna :

1º hun kinderen;

2º hun ascendanten;

3º hun zijverwanten tot en met de tweede graad; ».

Art. 5

Artikel 1quater , § 1, B, 1, a), van hetzelfde besluit wordt aangevuld met een vijfde gedachtenstreepje, luidende :

« ­ het attest in de vorm bepaald door de minister van Financiën, waaruit de gezinstoestand blijkt op 1 januari van het jaar waarvoor de eerste keer de belasting opeisbaar is overeenkomstig deze bepalingen; ».

Jacques D'HOOGHE.
Robert HOTYAT.
Luc COENE.
Francy VAN der WILDT.
Paul HATRY.
Leo DELCROIX.
Michèle BRIBOSIA-PICARD.