1-160/2

1-160/2

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

13 FEBRUARI 1996


Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Chili inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, en Protocol, ondertekend te Brussel op 15 juli 1992

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Bolivië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Brussel op 25 april 1990

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Paraguay inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Brussel op 6 oktober 1992

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Oosterse Republiek Uruguay inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, en Protocol, ondertekend te Brussel op 4 november 1991

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Cyprus inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, en met de uitwisseling van brieven, ondertekend te Nicosia op 26 februari 1991

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEER MAHOUX


INHOUD

  1. Inleidende uiteenzetting van de Vice-Eerste minister en minister van Buitenlandse Handel
  2. Bespreking
  3. Stemmingen
  4. Bijlagen
    1. Inleidende uiteenzetting over de werkzaamheden van de consulaire conferentie en commentaar op de tenuitvoerlegging en de implicaties van de associatieakkoorden L.M.O.E./E.U.
    2. Nieuwe formule van kredietverzekering die door de Delcrederedienst wordt aangeboden aan de K.M.O.'s

De Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden heeft de voorliggende wetsontwerpen houdende instemming met bilaterale overeenkomsten inzake wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, en de voorliggende wetsontwerpen houdende instemming met bilaterale overeenkomsten inzake het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen in een globaal pakket besproken en daarover gestemd.


I. UITEENZETTING VAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN FINANCIEN EN BUITENLANDSE HANDEL

Het optreden van het departement van Buitenlandse Handel is hoofdzakelijk van preventieve aard, namelijk het sluiten van bilaterale akkoorden met derde landen ter bescherming van Belgische investeringen.

Voorts neemt het departement ook de verdediging op zich van Belgische particuliere bedrijven die geschaad worden door overheidsmaatregelen van derde Staten. Dit gaat van het bemiddelen tussen de Belgische investeerder en de overheid van het derde land tot het sluiten van schadeloosstellingsakkoorden.

De verdragen ter bevordering en ter bescherming van investeringen zijn constitutioneelrechtelijke verdragen van het gemengde type en vereisen aldus de goedkeuring van de Gewestraden. Aangezien het om verdragen gaat die namens de B.L.E.U. worden gesloten, is uiteraard ook een Luxemburgse ratificatieprocedure vereist.

Het dient gezegd dat ons land ook op multilateraal vlak ijvert voor de snelle totstandkoming van een multilateraal investeringsverdrag. De onderhandelingen in de O.E.S.O. daarover zijn reeds aangevat. Het is echter de bedoeling om een zo breed mogelijk multilateraal investeringsverdrag tot stand te brengen. Te dien einde staat ons land erop een zo groot mogelijke transparantie in de O.E.S.O.-werkzaamheden na te streven met het oog op een snelle consensus binnen een ruimer kader.

Om de onderhandelingen over een meer algemeen verdrag binnen O.E.S.O.-verband tot een goed einde te brengen, dient de indruk te worden weggenomen dat enkele industrielanden (de O.E.S.O. telt thans niet meer dan 24 leden), in meerderheid Europese landen, het op een akkoordje gooien en hun oplossing dan aan de rest van de wereld willen opleggen.

Daarom pleit de minister voor zoveel mogelijk doorzichtigheid bij de O.E.S.O.-werkzaamheden. De landen die geen lid zijn van de O.E.S.O. moeten er dus worden bij betrokken, bij voorkeur binnen het verband van de Wereldhandelsorganisatie. De O.E.S.O.-landen zouden daar misschien kunnen proberen over dat verdrag te onderhandelen aangezien het immers de bedoeling is dat dit een zo breed mogelijke, liefst mondiale, toepassing krijgt. De Wereldhandelsorganisatie is wellicht een beter forum om over dat soort verdragen te onderhandelen.

Volledigheidshalve dient vermeld te worden dat België lid is van het « Multilateral Investment Guaranty Agency », het « M.I.G.A. », een dochteragentschap van de Wereldbank. Dit agentschap begon zijn activiteit in 1988 met het oog op de bevordering van privé-investeringen in ontwikkelingslanden door middel van het verstrekken van een verzekering tegen politieke risico's, technische bijstand en informatie.

Ter bevordering van de Belgische investeringen in het buitenland verstrekt de Nationale Delcrederedienst waarborgen ter vergoeding voor de in buitenlandse ondernemingen geïnvesteerde kapitalen indien de gedane investeringen zouden worden getroffen door eigendomsberovende maatregelen.

Momenteel overweegt de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking de oprichting van een investeringsgarantiefonds ter ondersteuning van Belgische ondernemingen die willen investeren in de sociale economie van ontwikkelingslanden.

II. BESPREKING

Een lid meent dat het departement Buitenlandse Handel zeer belangrijk is in de Belgische economie, die sterk op de uitvoer is aangewezen.

Hij vraagt de minister om te gelegener tijd ­ eventueel aan de hand van een beleidsnota ­ een breder debat te kunnen voeren over de stand van zaken inzake de bevordering van de Belgische buitenlandse handel. De staatshervorming heeft voor een verdeling van de bevoegdheden gezorgd. De twijfels en betwistingen die in dit verband zijn gerezen, leiden tot een verzwakking van onze positie op de buitenlandse markten. Op initiatief van de vorige minister die Buitenlandse Handel onder zijn bevoegdheid had, is getracht om een apparaat op touw te zetten waarin naast alle bevoegde federale instanties ook de betrokken gewestinstanties worden opgenomen teneinde te komen tot procedures en afspraken om alles zo goed mogelijk te laten verlopen. Kan de minister zeggen hoe het met dit initiatief staat ? Wat is nu de rol van de B.D.B.H. ?

Dezelfde spreker merkt ook op dat Nederland bijvoorbeeld over zesmaal meer landbouwraden beschikt dan België. Deze vormen een belangrijk instrument om onze landbouwprodukten in de wereld te kunnen afzetten, ervaring op te doen, technologieën uit te wisselen, enz.

Volgens hetzelfde commissielid was het de intentie van de Nationale Delcrederedienst om ook de contracten gesloten door kleine K.M.O.'s te garanderen. Hoever is deze beleidsaanpassing gevorderd ?

De minister stelt vast dat door de vragen van de commissieleden de discussie nu over veel meer gaat dan alleen maar de problematiek van de bescherming van de investeringen in het buitenland.

Wat de samenwerking betreft tussen de onderscheiden federale en regionale instanties, verklaart de minister dat hij tot dusver twee consulaire conferenties in het buitenland heeft gehouden, een in de Verenigde Staten en een in Warschau betreffende de vijf landen van de Middeneuropese Vrijhandelszone (1). Hij heeft daar het gevoel aan overgehouden dat samenwerking zeer afhankelijk is van de betrokken personen en dat er veel verschillen zijn. In de Verenigde Staten is er bijvoorbeeld te Los Angeles een opmerkelijke samenwerking tussen de federale consul-generaal en de handelsattachés van beide gewesten. Op gebied van de nieuwe technologieën die België kan aanbieden, leveren zij bijvoorbeeld een grote inspanning om samen te tonen waartoe ons land in staat is. Op andere plaatsen in de Verenigde Staten echter laat de samenwerking te wensen over. De Vice-Eerste minister heeft er een gewoonte van gemaakt om deel te nemen aan consulaire conferenties samen met de beleidsverantwoordelijken van het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Hij meent dat dit een zeer pragmatische manier is om kwesties aan te pakken die te maken hebben met export. Het wordt mogelijk om samen over de problemen te discussiëren en naar oplossingen te zoeken.

Op de consulaire conferentie te Warschau heeft de minister de indruk opgedaan dat de zaken goed lopen. In de Tsjechische Republiek, doen de handelsattachés van het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest samen aan promotie in de verschillende delen van het land.

De Vice-Eerste minister meent dus dat de samenwerking goed kan werken indien de bevoegdheidsverdeling wordt gerespecteerd.

De B.D.B.H. heeft tot op zekere hoogte te kampen met het probleem van de omschakeling. Immers, een democratisch gekozen meerderheid heeft beslist dat het bevorderen van de uitvoer thans in de eerste plaats tot de bevoegdheid van de Gewesten behoort. De B.D.B.H. behoudt zijn informatieopdracht en zou die ook moeten ontwikkelen door zijn databank zo doeltreffend mogelijk te gebruiken. De plaats die de B.D.B.H. op Internet inneemt, vormt in dat opzicht een uitstekend informatiemiddel. Daar staat tegenover dat de taak om de uitvoer de bevorderen, zoals gezegd, in de eerste plaats bij de Gewesten ligt. De B.D.B.H. moet veeleer een steunvlak bieden aan gewestelijke initiatieven. Dat is volgens de minister een noodzaak om een zekere graad van doeltreffendheid in stand te kunnen houden.

In dat verband wijst de Vice-Eerste minister erop dat bijvoorbeeld in Nederland alle besturen hetzelfde doel nastreven namelijk zoveel mogelijk Nederlandse produkten in het buitenland te slijten. Ons land moet dezelfde doeltreffendheid betrachten, maar dient daarbij rekening te houden met zijn federale structuur. Volgens de minister is dat mogelijk op voorwaarde dat, bijvoorbeeld inzake de bevordering van de uitvoer, de Gewesten initiatieven nemen en de federale staat deze steunt. De Vice-Eerste minister deelt mee dat de Regering een ontwerp voorbereidt om de B.D.B.H. in die zin te hervormen.

Over de toegang van de K.M.O.'s tot de Nationale Delcrederedienst, wijst de minister erop dat die dienst een nieuwe polis heeft uitgewerkt die alleen voor de K.M.O.'s is bestemd. Die polis werkt met een jaarlijks vast bedrag : K.M.O.'s, dat wil zeggen bedrijven met een omzetcijfer bij uitvoer van niet meer dan 25 miljoen frank per jaar, hoeven voortaan niet telkens opnieuw de formaliteiten na te komen en een verzekeringspremie te betalen. Thans gaat het nog om een experiment en misschien moet die polis nadien nog bijgeschaafd worden. Daaruit blijkt het streven van de Delcrederedienst om de drempel voor de K.M.O.'s te verlagen (cf. bijlage 2).

Een ander lid stelt vast dat de wetsontwerpen die hier ter goedkeuring worden voorgelegd, overeenkomsten betreffen die reeds in de jaren 1990 tot 1993 werden afgesloten. Spreker wenst te weten waarom daar zoveel tijd is overgegaan. Dezelfde spreker vindt het frusterend dat de Commissie enkel haar goed- of afkeuring over de ontwerpen kan uitspreken. Hij wenst dat de Commissie in de toekomst een grotere inbreng heeft naar de inhoud van soortgelijke wetsontwerpen.

Wat betreft de achterstand bij het indienen van de ontwerpen houdende instemming met verschillende overeenkomsten, wijst de minister erop dat die achterstand te wijten is aan een inrijperiode volgend op de Staatshervorming. Het departement Buitenlandse Zaken heeft een aantal procedures vastgesteld om de instemming van de Gewesten te krijgen. Er wordt geen moeite gespaard om die achterstand in te lopen.

Op de opmerking dat de commissie die ontwerpen alleen kan goedkeuren of afkeuren, antwoordt de minister dat dat voordien altijd zo is geweest. Alle landen kennen dat probleem, dat inherent is aan de techniek van het onderhandelen over verdragen. Wij hebben hier te maken met een van de prerogatieven van de uitvoerende macht. De wetgevende macht kan alleen beslissen die verdragen al dan niet te bekrachtigen.

Een senator meent dat het interessant zou zijn de gegevens op te nemen van het jaarrapport van Amnesty International over elk van die landen en eventueel gegevens waarover de Wereldhandelsorganisatie beschikt over het al dan niet naleven van deze verdragen.

Een senator meent dat de verdragen die ter goedkeuring aan de Commissie worden voorgelegd, hoofdzakelijk betrekking hebben op de wederzijdse juridische bescherming van investeerders en op de mogelijkheid om kapitaal te repatriëren. Met betrekking tot die verdragen wil spreker weten of het verdrag waarover op multilaterale basis wordt onderhandeld, hetzelfde doel had dan wel of het een veel ruimer doel had. Voorts zou hij willen weten of er binnen de O.E.S.O. of binnen de Wereldbank of zelfs binnen het Internationaal Monetair Fonds aan gedacht wordt om in dit soort verdragen (gedragscodes in verband met buitenlandse investeringen) referenties op te nemen aan sociale en/of milieuclausules.

Voorts zou spreker bijkomende gegevens willen over het feit dat de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking specifieke incentives wou voor een aantal ontwikkelingslanden.

De minister bevestigt dat er bij de O.E.S.O. onderhandelingen aan de gang zijn over een verdrag dat fundamenteel hetzelfde doel heeft als de voorliggende bilaterale verdragen. Voor zover de Vice-Eerste minister weet, heeft die discussie niets te maken met de problematiek van de sociale of milieuclausule. Het zijn veeleer de handelsakkoorden die onderwerp zijn van die discussie. De minister voegt eraan toe dat die discussie zeer moeilijk is. De ontwikkelingslanden menen dat het gaat om een soort protectionisme vanwege de industrielanden.

Bovendien is, zoals de eerste minister van Singapore heeft gezegd, dit soort protectionisme gebaseerd op zuiver westerse waarden die men aan de hele wereld wil opleggen. Voor de minister is dat een fundamenteel debat. Van belang is immers te weten of hetgeen de westerse landen als fundamentele en elementaire rechten van de werknemers beschouwen, een zuiver westerse schepping is dan wel universele waarden.

De Vice-Eerste minister zegt er bij de directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisatie op te hebben aangedrongen om dit belangrijke debat aan te gaan. De minister meent dat men dat debat moet kunnen voeren, ook al is het moeilijk. Van belang is uit te leggen dat het doel niet protectionisme is maar wel te zorgen dat alle bevolkingslagen de vruchten kunnen plukken van de vrijmaking van het handelsverkeer.

Ook moet worden uitgelegd dat het niet in de bedoeling ligt de ontwikkelingslanden te beletten te profiteren van hun betrekkelijke voordelen, met name hun loonkosten die aanzienlijk lager zijn dan die in de industrielanden. Belangrijk is te onderstrepen dat het debat alleen zal gaan over het in acht nemen van een aantal fundamentele rechten die zijn neergelegd in internationale verdragen tot stand gekomen onder de hoede van de Wereldhandelsorganisatie.

De minister meent ook dat bij de besprekingen meer aandacht moet uitgaan naar stimuli dan naar strafmaatregelen, en dat bijkomende voordelen kunnen worden toegekend aan degenen die de verdragen naleven. Deze aanpak is ook die van de Europese Unie met zijn stelsel van algemene tariefpreferenties.

Een senator memoreert dat het debat dat in de vorige kabinetsperiode in de Senaat werd gehouden ten tijde van de goedkeuring van de akkoorden van de Uruguay Round, heeft aangetoond dat de statuten van de W.T.O. de handhaving van het stelsel van algemene tariefpreferentie van de Europese Unie moeilijk zo niet onmogelijk maken.

De minister verklaart dat het standpunt van de Europese Unie is dat het met die handhaving wel zal lukken.

De vorige spreker vraagt of er binnen de O.E.S.O. of binnen de Commissie van de Verenigde Naties belast met het vervolgbeleid met betrekking tot agenda 21 ­ gelet op het feit dat sommige landen die zeer sterk gekant zijn tegen de sociale clausules, wel agenda 21 onderschreven hebben waarin een hele reeks hoofdstukken staan over leefmilieu en internationale handel ­ werkgroepen zijn van deskundigen die zich ernstig met deze problemen bezighouden.

De minister bevestigt dat er werkgroepen zijn voor internationale handel en leefmilieu. Er is trouwens een werkgroep die officieel bij de W.T.O. werd gevormd en die zou moeten rapporteren aan de ministeriële conferentie eind van dit jaar. De minister verklaart dat er bovendien een ruimere consensus is over de band die bestaat tussen de ontwikkeling van de internationale handel enerzijds en leefmilieu anderzijds. Sommigen ontkennen echter iedere band tussen internationale handel en bescherming van de rechten van de werknemers.

Wat de vraag betreft waarvoor de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking bevoegd is, is de bedoeling een waarborgfonds in te stellen. In feite gaat het hier om een techniek voor investeringsbescherming die lijkt op die van de Delcrederedienst, maar het zou gaan om een fonds gespecialiseerd in het verlenen van waarborgen aan Belgische bedrijven die investeren in de sociale economie in de ontwikkelingslanden. De werkzaamheden van dat fonds zouden dus veel meer doelgericht zijn. Het project is gebaseerd op de ervaringen in een aantal landen. De staatssecretaris is ervan overtuigd dat vooral moet worden gewerkt op het gebied van de sociale economie. Om onze bedrijven aan te moedigen het risico te nemen in ontwikkelingslanden te investeren, stelt de staatssecretaris deze formule van waarborgfonds voor die hij zal bekostigen uit de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking.

Een lid herinnert eraan dat deze Commissie tijdens een debat met de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking erop heeft aangedrongen dat Ontwikkelingssamenwerking een apart instrument zou krijgen voor de economische en financiële samenwerking. Zij vraagt of verder in die richting wordt gedacht.

Wat de laatste twee wetsontwerpen betreft houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte, respectievelijk de Republiek Gabon, die tot doel hebben de dubbele belasting en de fiscale ontwijking inzake de inkomsten te voorkomen, wil een ander lid dat de minister dit soort overeenkomsten toetst op hun verdiensten met betrekking tot het voorkomen van belastingontwijking.

Wat de overeenkomsten inzake het voorkomen van dubbele belasting betreft, verklaart de minister dat opnieuw onderhandelen over een aantal overeenkomsten ons in staat stelt op een meer efficiënte wijze de strijd aan te binden tegen de misbruiken met betrekking tot het forfaitaire gedeelte van de belastingen in het buitenland. België kende een uiterst genereus stelsel wat betreft de mogelijkheid om in België een forfaitair gedeelte van de buitenlandse belastingen af te trekken, wat in sommige gevallen leidde tot een aftrek, zelfs wanneer de belasting in het buitenland niet daadwerkelijk was betaald. Deze mogelijkheid bestond in sommige in de jaren vijftig en zestig gesloten overeenkomsten met landen die destijds ontwikkelingslanden waren. Bedoeling was de investeringen in die landen te bevorderen. Aangezien sommige van die landen zich hebben ontwikkeld, is de motivering daarvoor weggevallen. Bovendien werd die techniek steeds meer gebruikt als een middel tot belastingontwijking. De Regering heeft enkele jaren geleden besloten om over een aantal van deze overeenkomsten inzake dubbele belasting opnieuw te onderhandelen. Momenteel zijn reeds een tiental van deze overeenkomsten gewijzigd met als gevolg dat alleen de werkelijk in het buitenland betaalde belasting kan worden afgetrokken.

Een volgend commissielid meent een verschil vast te stellen in de arbitrageprocedure tussen de overeenkomst enerzijds met de Republiek Paraguay en anderzijds met de Oosterse Republiek Uruguay, dit niettegenstaande die landen tot dezelfde douane-unie behoren. Hij vraagt de minister wat de redenen voor dit verschil zijn.

Hetzelfde lid merkt op dat alleen in het wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de B.L.E.U. en de Oosterse republiek Uruguay (Gedr. St. Senaat nr. 1-216/1) melding wordt gemaakt van het probleem van de dubbele nationaliteit. Waar ligt de specificiteit van deze overeenkomst ?

Wat betreft de overeenkomsten met de Republiek Paraguay en de Oosterse Republiek Uruguay, legt de minister uit dat wanneer een geschil rijst, er in een eerste periode van zes maanden een minnelijke schikking of een regeling langs diplomatieke weg wordt gezocht.

Vervolgens begint van de zesde maand tot de achttiende maand een tweede periode waarin men een beroep kan doen op de lokale gerechten. Indien er na achttien maanden geen uitspraak is, kan het geschil worden voorgelegd aan de in de overeenkomst bepaalde arbitrage-organen. Die termijnen zijn dezelfde voor de overeenkomst met Paraguay en voor de overeenkomst met Uruguay. Hoewel de teksten anders geformuleerd zijn, zijn de termijnen in werkelijkheid identiek.

Een commissielid citeert een passage uit de memorie van toelichting (gedr. st. Senaat, nr. 1-160/1, blz. 1) : « Het initiatief van de B.L.E.U. om met Chili een dergelijk akkoord te sluiten werd ingegeven door de recente democratisering... ». Hij leidt eruit af dat er op grond van het democratiseringscriterium overeenkomsten worden gesloten die zowel tot doel hebben investeringen te bevorderen als te garanderen. Voor het commissielid betekent dit dat in bilaterale overeenkomsten, de clausule met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten belangrijk is. In de bilaterale verdragen over het aanmoedigen van investeringen zijn de drie aspecten, namelijk de mensenrechten, het leefmilieu en de sociale clausules gemakkelijker toepasbaar.

De Vice-Eerste minister merkt op dat België verplicht is de verbintenissen na te leven die het heeft aangegaan. België kan bijvoorbeeld niet weigeren de clausule van de meest begunstigde natie toe te passen op de produkten uit een land waarvan België vindt dat het niet democratisch genoeg is of dat het de mensenrechten niet respecteert, enz. Daarenboven is er al twijfel gerezen over de Europese praktijk, hoewel zij zo kan worden voorgesteld dat ze niet overkomt als een sanctie maar gewoon als de toekenning van een bijkomend voordeel indien men een aantal werknemersrechten eerbiedigt. De minister voegt eraan toe dat de kritiek niet alleen uit de ontwikkelingslanden komt. Een aantal geïndustrialiseerde landen gaat ervan uit dat onderhandelen over de sociale clausule de zaken verkeerd aanpakken is. Zij menen immers dat de handelsbetrekkingen zich zoveel mogelijk moeten kunnen ontwikkelen en dat op die manier meer respect voor de mensenrechten kan worden afgedwongen. De minister is van mening dat dat in een aantal gevallen zo is. Alleen is het niet zeker dat dat ook automatisch gebeurt. Bijgevolg moet er geprobeerd worden over dat soort clausules te onderhandelen in de internationale overeenkomsten.

Een spreekster wijst erop dat er reeds een aantal verdragen met Latijns-Amerikaanse landen werden goedgekeurd. Die landen zitten tot over hun oren in de schuld. Het I.M.F. heeft die landen een aantal structurele aanpassingen opgelegd. Bestaat er bij de internationale instellingen een algemeen beleid ter bestrijding van de armoede ?

De Vice-Eerste minister antwoordt dat een dergelijk beleid zeker aan bod komt in de toespraken. Vandaag de dag zeggen alle internationale organisaties dat armoedebestrijding een prioriteit moet zijn. De mate waarin die toespraken ook in daden worden omgezet, verschilt evenwel. Hoewel op dit terrein vorderingen werden gemaakt, blijft er nog heel wat te doen.

De minister verklaart dat de armoedebestrijding ongetwijfeld een prioriteit is van de directeur-generaal van het I.M.F. Maar de concrete resultaten doen vermoeden dat het I.M.F. zijn beleid nog niet zodanig heeft herijkt dat aan die strijd een reële prioriteit wordt toegekend. Volgens de minister zijn er specifieke acties nodig ter bestrijding van de armoede.

III. STEMMINGEN

De wetsontwerpen met de nummers 1-160/1, 1-205/1, 1-206/1, 1-216/1, 1-207/1, 1-195/1 en 1-222/1 worden elk afzonderlijk ter stemming gelegd.

Zowel de artikelen als de zeven besproken ontwerpen in hun geheel worden eenparig aangenomen door de 8 aanwezige leden.


Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De Rapporteur,
Philippe MAHOUX.
De Voorzitter,
Valère VAUTMANS.

4. BIJLAGEN


  1. Bijlagen
    1. Belgische investeringen en vestigingen in de C.E.F.T.A.-landen
    2. Nieuwe formule van kredietverzekering die door de Delcrederedienst wordt aangeboden aan de K.M.O.'s

4.1. BELGISCHE INVESTERINGEN EN VESTIGINGEN
IN DE C.E.F.T.A.-LANDEN

Inleiding

De Belgische investeringen passen in een strategie van positionering op deze nieuwe markten die in volle herstructurering en expansie zijn. Deze vaststelling, evenals politieke overwegingen (verankering van deze landen in het Westen), lijken een gepaste ondersteuning door de overheid te rechtvaardigen. Deze investeringen plaatsen onze economie inderdaad in de Europese Unie zoals die er morgen waarschijnlijk zal uitzien en dragen bij tot de ontwikkeling van onze buitenlandse handel.

De huidige gegevens van het Planbureau bevestigen dat de voornaamste drijfveer van de Belgische investeerders de wens is om zich beter op de betrokken markten te positioneren. De meerderheid van onze investeringen werd in de dienstensector gerealiseerd en betreft K.M.O.'s.

Aanbevelingen

1. Vergaring, verwerking en verspreiding van informatie

Uit een rondvraag bij Belgische bedrijven blijkt dat zij in de eerste plaats nood hebben aan informatie en documentatie, zowel over de algemene economische toestand als over het juridisch kader en de mogelijkheden van de markten.

De gewestelijke en federale overheden werken samen aan het op punt stellen van hun informatie- en documentatiebestand en aan de versterking van de informatieverstrekking.

De juridische dienst van de B.D.B.H. zal de inzameling en verspreiding van de juridische en reglementaire informatie over investeringen blijven verzorgen. Het is dan ook van essentieel belang dat de openbare instanties en de privé-sector deze dienst actief voeden. Daarnaast staan de Ambassades in voor het verzamelen van de specifieke informatie die de openbare instanties (federaal en gewestelijk) en de privé-sector nodig achten.

De studie die de B.D.B.H. over de Belgische investeringen in de C.E.F.T.A.-landen heeft voorbereid, zal gepubliceerd worden.

2. Financiële bijstand

Financiële ondersteuning aan directe investeringen zal slechts op selectieve basis verleend worden na een evaluatie van het economisch belang van het project voor België en zijn weerslag op de werkgelegenheid.

2.1. De verspreiding van informatie over de financiële faciliteiten (gewestelijk, federaal, Europees) dient te worden verdergezet en ontwikkeld.

2.2. In het licht van de grootte van de meerderheid van onze bedrijven, overwegen de overheden (federaal en gewestelijk) om ook voor investeringsprojecten met een waarde van minder dan 20 miljoen frank bijstand te verlenen. De federale overheden zullen een gelijkaardige demarche ondernemen bij de Europese Commissie met betrekking tot de steun die deze verleent.

2.3. De minister van Financiën en Buitenlandse Handel zal de Nationale Delcrederedienst vragen de mogelijkheid te onderzoeken om zijn kredietverzekering uit te breiden tot de afzet gerealiseerd door Belgische vestigingen in de L.M.O.E. (gelet op het ontbreken van een efficiënt dekkingsmechanisme ter plaatse).

2.4. De minister van Financiën zal zijn administratie vragen om de opportuniteit te onderzoeken van een herziening van het huidige verdrag tot het vermijden van dubbele belasting met Polen.

4.2. K.M.O.-POLIS

Algemene voorwaarden (702-96)

HOOFDSTUK I

Omvang van de verzekering

Artikel 1

Verzekerbare transacties

Exporttransacties betaalbaar op maximaal 180 dagen met afnemers gevestigd buiten de Europese Unie.

Artikel 2

Verzekerden

Exporteurs met een totale jaaromzet van maximaal 200 miljoen frank, waarvan in principe niet meer dan 25 miljoen frank buiten de Europese Unie.

Artikel 3

Gedekte risico's

3.1. Niet-betaling van vorderingen. Er is niet-betaling wanneer het onmogelijk is binnen de wachttermijn betaling te verkrijgen van de uit het contract voortvloeiende vorderingen.

3.2. De volgende schadeoorzaken worden gedekt :

­ in gebreke blijven van de debiteur (commercieel risico).

Onder het in gebreke blijven wordt verstaan het feit dat de debiteur niet in staat is zijn verplichtingen na te komen of zich zonder wettige reden eraan onttrekt;

­ politiek risico (en daarmee gelijkgestelde risico's).

Onder dit risico worden verstaan alle zich in het buitenland voordoende gebeurtenissen, behalve die welke verband houden met het in gebreke blijven of de insolventie van de debiteur, die voor de verzekerde of voor de debiteur overmacht vormen, en met name :

­ politieke gebeurtenissen, zoals oorlogen, revoluties of opstanden;

­ rampen, zoals aardbevingen, vulkanische uitbarstingen of vloedgolven;

­ economische moelijkheden, zoals deviezenschaarste;

­ handelingen, beslissingen of in gebreke blijven van overheidsinstanties, die als overheidsmaatregelen worden beschouwd.

Tegen maatregelen van de Belgische overheid wordt niettemin dekking verleend wanneer zij voortvloeien uit in het buitenland gelegen oorzaken.

De schadegevallen waarvan de oorzaak twijfelachtig of meervoudig is, worden niet geacht te zijn veroorzaakt door het politieke risico.

Artikel 4

Uitgesloten risico's

4.1. Geen enkel verlies geeft aanleiding tot schadevergoeding wanneer het, behalve aan in artikel 3 omschreven gedekte oorzaken, ook te wijten is aan een fout van de verzekerde of van elke persoon voor wie hij aansprakelijk is (onderleverancier, lasthebber, aangestelde en, in voorkomend geval, associé).

4.2. Die fout kan met name bestaan in het niet-nakomen van de in de branche van de verzekerde algemeen aanvaarde gebruiken van de internationale handel, alsmede het niet-nakomen van in België of in het buitenland vigerende wetten of reglementeringen.

Artikel 5

Onder de dekking vallende bedragen

5.1. De dekking heeft betrekking :

­ op de vorderingen van de verzekerde die overeenstemmen met het contractbedrag in hoofdsom en de contractuele rente over die hoofdsom;

­ op de buitengewone kosten die het gevolg zijn van schade of van schadedreiging en die met goedkeuring van Delcredere zijn gemaakt teneinde het voor vergoeding in aanmerking komende verlies te vermijden of te beperken.

Als deze kosten ook betrekking hebben op niet-gedekte bedragen, worden zij proportioneel toegerekend aan de gedekte en de niet-gedekte bedragen.

5.2. De dekking heeft geen betrekking op achterstalligheidsrente, boetebedragen en schadevergoedingen.

Artikel 6

Aanvang van de dekking

De dekking vangt aan op de datum van de levering, voor zover de verzekerde een liquide en vaststaande vordering op de debiteur bezit.

Artikel 7

Dekkingsvoorwaarden

Behoudens afwijking in de aanvaarding van een debiteur of van een zaak gelden de hierna vermelde dekkingsvoorwaarden.

7.1. Gedekt percentage

De verliezen worden vergoed ten belope van het gedekte percentage dat is vastgesteld op :

­ 90 pct. bij in gebreke blijven van een particuliere debiteur;

­ 95 pct. bij in gebreke blijven van een overheidsdebiteur;

­ 95 pct. bij in gebreke blijven van een bank;

­ 95 pct. bij politiek risico (en daarmee gelijkgestelde risico's).

7.2. Wachttermijn

De wachttermijn is vastgesteld op 6 maanden vanaf de vervaldag.

Artikel 8

Geldigheid van de verzekering

8.1. De verzekerde moet alle hem bekende gebeurtenissen en omstandigheden mededelen die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de te verzekeren risico's voor Delcredere.

8.2. Elke onjuiste opgave van de verzekerde en elke verzwijging, zowel op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ingediend als tijdens de verzekeringsperiode, maken de verzekering van rechtswege nietig.

8.3. De verzekering blijft enkel geldig voor zover de voorwaarden van de ter verzekering aangeboden contracten in overeenstemming blijven met het oorspronkelijke voorstel, met name in verband met het bedrag, de leveringstermijnen en de wijze van betaling.

HOOFDSTUK II

Werking van de polis

Artikel 9

Verplichte declaratie ter verzekering

9.1. De verzekerde is verplicht al zijn transacties met debiteuren gevestigd buiten de Europese Unie ter verzekering aan te bieden.

9.2. Voor elke debiteur vraagt de verzekerde een kredietlimiet aan. De verzekering van elk contract is afhankelijk van het verkrijgen van een kredietlimiet voor de debiteur waarmee het contract is afgesloten of van een aanvaarding van dit contract.

9.3. Binnen de eerste 30 dagen na afloop van elk verzekeringsjaar moet de verzekerde opgave doen van de tijdens dat jaar verrichte verzendingen.

9.4. De verzekerde mag bij een andere verzekeraar geen globale verbintenis aangaan die betrekking heeft op het geheel of een gedeelte van de geografische sector die is omschreven in de polis welke hij met Delcredere heeft afgesloten.

Artikel 10

Kredietlimieten

10.1. De kredietlimiet bepaalt het maximumbedrag van het verlies dat voor een debiteur aan Delcredere kan worden tegengeworpen.

10.2. Een kredietlimiet is slechts geldig tot het einde van het verzekeringsjaar tijdens hetwelk zij is verleend.

10.3. De verzekerde die van Delcredere een kredietlimiet voor een debiteur heeft verkregen, mag op straffe van nietigheid van de polis de vorderingen die deze limiet overschrijden, niet bij een andere verzekeraar laten dekken.

10.4. De in artikel 11 hierna vermelde premie wordt eveneens gevorderd over de bedragen die de kredietlimiet overschrijden.

HOOFDSTUK III

Kosten van de polis

Artikel 11

Algemene beginselen

11.1. Enerzijds is de verzekerde een premie verschuldigd over de verzekerde omzet.

Anderzijds draagt hij bij in de kosten van onderzoek en controle van de kredietlimieten of van de aanvaardingen van de contracten; de bijdrage is verschuldigd per debiteur en per jaar.

11.2. Het niet of niet tijdig betalen van premies en/of bijdragen schorst van rechtswege de verplichtingen van Delcredere.

Onverminderd zijn recht op de hem verschuldigde bedragen is Delcredere 15 dagen na een ingebrekestelling definitief van zijn verplichtingen bevrijd.

Artikel 12

Verschuldigde bedragen

12.1. Minimumbedrag verschuldigd bij de aanvang van het verzekeringsjaar

Bij de ondertekening van de polis alsook bij de aanvang van elk nieuw verzekeringsjaar is de verzekerde een door hemzelf te kiezen minimumbedrag verschuldigd; de keuzemogelijkheden zijn vermeld in artikel 13 hierna.

Het minimumbedrag (kolom 1) dekt :

­ de premie op de in kolom 2 opgegeven omzet;

­ het in kolom 3 opgegeven aantal bijdragen in de kosten van onderzoek en controle.

Tegen een verhoging van 5 pct. mag de betaling van het minimumbedrag worden gespreid als volgt :

­ 25 pct. bij de aanvang van het verzekeringsjaar;

­ 25 pct. 3 maanden later;

­ 25 pct. 6 maanden later;

­ 25 pct. 9 maanden later.

12.2. Eventuele bijbetaling na afloop van het verzekeringsjaar

Premie

Over het gedeelte dat de gekozen omzet (kolom 2) overschrijdt, is een premie verschuldigd die varieert naar gelang van het betaalde minimumbedrag. Deze premie is vermeld in kolom 4.

Bijdrage in de kosten van onderzoek en controle

3 200 frank voor elke bijdrage die het gekozen aantal bijdragen (kolom 3) overschrijdt.

Supplementaire bijdrage voor een dringend uitgevoerd onderzoek

2 800 frank voor elk op verzoek van de verzekerde dringend uitgevoerd debiteurenonderzoek.

Artikel 13

Keuzemogelijkheden inzake minimumbedrag

Kolom 1
­
Colonne 1
Kolom 2
­
Colonne 2
Kolom 3
­
Colonne 3
Kolom 4
­
Colonne 4
Minimum-bedrag in franken
­
Coût minimal en francs
Inbegrepen omzet in franken
­
Chiffre d'affaires assuré en
francs
Inbegrepen aantal bijdragen
­
Nombre de contributions
Premie over niet-inbegrepen
omzet
­
Prime complémentaire
Optie 1 ­ Option 1 50 000 2 500 000 4 1,50 %
Optie 2 ­ Option 2 90 000 5 000 000 8 1,30 %
Optie 3 ­ Option 3 150 000 10 000 000 12 1,14 %
Optie 4 ­ Option 4 200 000 15 000 000 15 1,02 %
Optie 5 ­ Option 5 240 000 20 000 000 18 0,90 %
Optie 6 ­ Option 6 260 000 25 000 000 20 0,78 %

HOOFDSTUK IV

Beheer van het risico

Artikel 14

14.1. De verzekerde is zowel vóór als na een schadegeval verplicht het risico te beheren met de zorg van een goed huisvader, even voorzichtig en nauwlettend alsof hij niet verzekerd was.

14.2. Wanneer een vordering niet of slechts gedeeltelijk betaald wordt, moet de verzekerde binnen 30 dagen na de vervaldag ministens één maanbrief aan de debiteur zenden.

14.3. Van elke achterstallige vordering moet de verzekerde aan Delcredere opgave doen binnen 60 dagen na het einde van de maand waarin de vordering vervalt, tenzij in de Bijzondere Voorwaarden een kortere termijn is bepaald. Bij gebreke van dergelijke opgave wordt de vordering geacht te zijn voldaan.

14.4. In geval van schadedreiging mag Delcredere alle maatregelen voorschrijven die hij gepast acht ter vermijding van het optreden van schade of ter beperking van de gevolgen daarvan.

14.5, Delcredere kan te allen tijde de kredietlimieten intrekken, opschorten of verlagen.

14.6. Wanneer een vordering 60 dagen achterstallig is, wordt de kredietlimiet op de betrokken debiteur van rechtswege opgeschort.

14.7. Bij opschorting of intrekking van een kredietlimiet voor een debiteur moet de verzekerde zijn leveringen aan die debiteur stopzetten.

14.8. Delcredere heeft het recht de polis te allen tijde te wijzigen, te beperken, te schorsen of op te zeggen, hetzij voor alle gedekte risico's, hetzij voor een bepaalde groep risico's, voor een bepaald land of voor een bepaalde groep handelsverrichtingen.

De verzekerde heeft het recht de polis op te zeggen binnen 15 dagen na de mededeling van elke beslissing waardoor de draagwijdte van de polis wordt gewijzigd of de verzekeringsvoorwaarden worden verzwaard.

14.9. De verzekerde machtigt Delcredere ­ daarbij alle gevolgen inzake het niet-gedekte percentage zelf dragend ­ om alle uit de verzekerde vorderingen voortvloeiende rechten uit te oefenen en in het bijzonder om elke procedure in te stellen of elke regeling te treffen, hetzij met de debiteur, hetzij met de overheid van diens land, die Delcredere of de Staat ter beveiliging van de verzekerde vorderingen noodzakelijk acht.

Wanneer Delcredere erom verzoekt, geeft of draagt de verzekerde hem in een tegenover derden geldende vorm alle documenten en titels over die voor de uitvoering van die rechten vereist of nuttig zijn.

HOOFDSTUK V

Schadevergoeding

Artikel 15

Algemene beginselen

15.1. De verzekerde moet een aanvraag tot schadevergoeding indienen en zijn recht op vergoeding bewijzen.

15.2. Wanneer de debiteur de schuldvordering betwist of beweert recht op enigerlei compensatie te hebben, kan Delcredere, alvorens op de aanvraag tot schadevergoeding in te gaan, eisen dat het geschill is beslecht door een beslissing van de rechter van het contract.

15.3. Wanneer de insolventie van de debiteur bewezen is, maar de schuldvordering van de verzekerde betwist wordt, kan Delcredere, alvorens op de aanvraag tot schadevergoeding in te gaan, eisen dat de schuldvordering tot het passief van de in gebreke zijnde debiteur is toegelaten.

15.4. Alle betalingen, behalve die van achterstalligheidsrente, worden aangewend voor de chronologische aanzuivering van de al dan niet verzekerde vorderingen uit hoofde van de hoofdsom en de kredietrente.

De achterstalligheidsrente :

­ komt toe aan de partij die de kosten van de achterstand in de betaling heeft gedragen, indien zij betrekking heeft op betaalde vorderingen;

­ wordt bij voorrang aangewend voor de aanzuivering van de verzekerde vorderingen, indien zij betrekking heeft op niet-betaalde vorderingen.

Alle betalingen van welke aard ook kunnen evenwel bij voorrang worden aangewend voor de aanzuivering van de verzekerde vorderingen wanneer :

­ aanwijzingen bestaan dat niet-verzekerde vorderingen opzettelijk bevoorrecht worden;

­ de omstandigheden erop wijzen dat geen enkele betaling kan worden verwacht binnen een voorzienbare termijn;

­ de verzekerde vorderingen opgenomen zijn in een rekening-courant met de debiteur.

15.5. Delcredere kan in de Bijzondere Voorwaarden een maximumschadevergoeding per verzekeringsjaar vaststellen.

Artikel 16

Schadeberekening

16.1 Het te vergoeden verlies is gelijk aan het debetsaldo van een schadeberekening die wordt opgemaakt als volgt :

· debet :

­ het niet-betaalde bedrag van de vordering;

· credit :

­ elk bedrag dat werd ontvangen in verband met de verzekerde vordering, met name bij de realisering van zekerheden of de wederverkoop van gerecupereerde goederen;

­ de waarde van alle voordelen die het schadegeval voor de verzekerde medebrengt.

16.2. Indien de valuta van de vordering niet de Belgische frank is, heeft Delcredere de keuze tussen :

­ ofwel vergoeden in de valuta van de vordering;

­ ofwel vergoeden in Belgische franken, waarbij het niet-betaalde bedrag wordt omgerekend op basis van de contante aankoopkoers op de datum waarop het schadegeval zich voordoet.

Artikel 17

Berekening en betaling van de schadevergoeding

17.1. Elke schadevergoeding wordt berekend door toepassing van het gedekte percentage op het debetsaldo van de schadeberekening.

Zij wordt betaald binnen 30 dagen nadat het schadegeval zich heeft voorgedaan of, in voorkomend geval, na de datum waarop het bewijs van schade is geleverd.

17.2. Elke vergoeding van een vordering veronderstelt een onherroepelijke volmacht die is geaccepteerd door de banken die de vergoedingskwitantie hebben ondertekend en waarbij zij worden gemachtigd alle provenu's ten belope van het vergoede percentage rechtstreeks aan Delcredere te betalen.

Artikel 18

Provenu's

18.1. Onder provenu's worden verstaan alle bedragen die na de schade-uitkering worden gerecupereerd.

18.2. De provenu's worden, zonder toepassing van artikel 1252 van het Burgerlijk Wetboek, verdeeld tussen Delcredere en de verzekerde, waarbij het aandeel van Delcredere wordt bepaald op basis van het vergoede percentage. Dit aandeel moet aan Delcredere worden betaald in de valuta waarin de provenu's zijn ontvangen.

De verdeling geschiedt ongeacht het bedrag van de provenu's inzonderheid zonder rekening te houden met koersverliezen of -winsten die op dit bedrag invloed mochten hebben gehad.

18.3. Wanneer het provenu betrekking heeft op een vergoeding uit hoofde van buitengewone kosten, is het recht van Delcredere beperkt tot het bedrag van de vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de schade-uitkering.

HOOFDSTUK VI

Diverse bepalingen

Artikel 19

Duur van de polis

De polis wordt geacht te zijn afgesloten op de in de Bijzondere Voorwaarden vermelde datum van afgifte.

Zij verbindt Delcredere niet langer wanneer zij hem binnen 30 dagen na deze datum niet is teruggezonden, voorzien van de vereiste handtekeningen.

Zij heeft een duur van één jaar.

De polis wordt telkens voor een nieuwe periode van één jaar stilzwijgend verlengd.

Artikel 20

Sancties

Delcredere kan de polis opzeggen :

­ wanneer de verzekerde zijn activiteit staakt of overdraagt of wanneer zijn solventie aan het wankelen is gebracht;

­ wanneer de verzekerde zijn verplichtingen niet nakomt.

In geval van een inbreuk op de verplichting tot verzekering kan Delcredere regularisatie eisen en daaraan een verhoging van het ontdoken premiebedrag verbinden die het dubbele van dat bedrag kan belopen.

Artikel 21

Achterstalligheidsrente

21.1. Over alle door de verzkerde aan Delcredere verschuldigde bedragen zal van rechtswege en zonder ingebrekestelling achterstalligheidsrente verschuldigd zijn, waarvan het percentage als volgt wordt vastgesteld :

­ voor de Belgische frank, de binnenlandse interbancaire rentevoet op 3 maanden, vastgesteld door vier Belgische grote banken, vermeerderd met 1 procentpunt;

­ voor de overige valuta's, de interbancaire rentevoet op 3 maanden voor de betreffende valuta, vastgesteld op de beurs van Londen, vermeerderd met 1 procentpunt.

21.2. De bovengenoemde rentevoeten worden vastgesteld op de dag waarop de achterstalligheidsrente verschuldigd is. Zij worden om de 3 maanden herzien.

Deze achterstalligheidsrente is verschuldigd :

­ in geval van een niet-verschuldigde schadevergoeding, vanaf de datum van de schade-uitkering;

­ in geval van provenu's, vanaf de 16e dag na het incasso ervan;

­ in de overige gevallen, vanaf de 31e dag na de datum van de debetnota of, bij gebreke daarvan, na de in het verzekeringsdocument vermelde datum.

21.3. De achterstalligheidsrente wordt vermeerderd met een forfaitair bedrag van 1 000 frank als vergoeding voor de administratieve kosten van Delcredere.

Artikel 22

Controles en expertises

Alle verklaringen van de verzekerde, aanvragen tot schadevergoeding, alsook de naleving van zijn verplichtingen kunnen op elk ogenblik aanleiding geven tot controle of expertise door een functionaris van Delcredere of door een door Delcredere aangewezen deskundige.

Artikel 23

Overdracht van de rechten op schadevergoeding

Met toestemming van Delcredere kunnen de rechten uit de verzekering worden overgedragen aan een derde.

Deze toestemming moet blijken uit een aanhangsel bij de polis, dat moet worden ondertekend door Delcredere, de verzekerde en de cessionaris.

Zonder de verzekerde van enige verplichting te ontslaan, maakt de overdracht van de rechten de cessionaris, naar de mate van zijn controle- en actiemogelijkheden, solidair met de verzekerde voor de nakoming van de verplichtingen inzake het beheer van het risico.

Alle excepties waarop Delcredere zich kan beroepen tegen de verzekerde, kunnen ook aan de cessionaris worden tegengeworpen.

Artikel 24

Subrogatie

Overeenkomstig artikel 11 van de wet van 31 augustus 1939 is Delcredere van rechtswege gesubrogeerd in alle rechten en vorderingen van de begunstigde van de garantie uit hoofde van de transactie die er het voorwerp van is, en wel naar de mate van zijn daadwerkelijke tussenkomst.

Artikel 25

Verjaring

Elke rechtsvordering tot uitkering van schadevergoeding die uit deze polis voortvloeit, verjaart 180 dagen na de datum waarop Delcredere zijn weigering tot betalen heeft medegedeeld en uiterlijk 3 jaar na de vervaldag van de verzekerde vordering.


(1) Inleidende uiteenzetting over de werkzaamheden van de consulaire conferentie en commentaar op de tenuitvoerlegging en de implicaties van de associatieakkoorden L.M.O.E./E.U. : zie bijlage 1.