1-156/4 | 1-156/4 |
30 JANUARI 1996
De Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden heeft op 28 november, 5 en 13 december 1995 en op 30 januari jongstleden het voorstel van resolutie betreffende de hervatting van de bilaterale betrekkingen tussen België en Zaïre besproken.
De indiener van het voorstel van resolutie haalt enkele historische gegevens aan.
De betrekkingen tussen België en Zaïre zijn verslechterd na het bezoek van Eerste minister Martens aan Zaïre in 1985; het ging toen om een slechte interpretatie van een kwijtschelding van schulden.
Sedertdien verliepen de betrekkingen tussen beide landen minder vlot. Men ging ervan uit dat de aard van de bilaterale betrekkingen diende te worden gewijzigd en opnieuw gedefinieerd te worden. Men was er zich immers van bewust dat men zich aan de evolutie in Zaïre moest aanpassen.
Men heeft getracht tot een nieuw overeenkomst te komen. Dankzij de bemiddeling van de Koning van Marokko is men erin geslaagd een nieuw document op te stellen. In de preambule van dit nieuwe document stond een clausule betreffende de naleving van de rechten van de mens.
Na de gebeurtenissen van Lubumbashi in mei 1990, kondigde President Mobutu de oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie aan.
De toenmalige Belgische minister van Buitenlandse Zaken, de heer Eyskens, drong daarentegen aan op een internationaal onderzoek. De Europese Unie was het hiermee niet helemaal eens. België heeft ten onrechte een internationaal onderzoek geëist.
De verdaging sine die in 1990 van de gemengde commissie die de betrekkingen tussen België en Zaïre regelt, was de tweede oorzaak van het verbreken van de bilaterale betrekkingen tussen landen die sinds vele jaren vriendschapsbanden en bevoorrechte betrekkingen hadden opgebouwd.
De gebeurtenissen in Lubumbashi deden zich voor in de maand mei. De vergadering van de Gemengde Belgisch-Zaïrese commissie was gepland in juni; men had dus in de commissie zelf over de best mogelijke oplossing van gedachten kunnen wisselen. Op de boze reaktie van België, volgde de boze reaktie van President Mobutu : stopzetting van de ontwikkelingssamenwerking met België.
Een buitensporige houding lokt een buitensporig antwoord uit.
Spreekster herinnert aan een antwoord van de gewezen minister van Buitenlandse Zaken, de heer Claes, op één van haar tussenkomsten over de nieuwe Zaïrese regering onder leiding van Kengo wa Dondo. De minister wees erop dat de nieuwe regering internationaal was erkend. Dus ook België heeft de regering Kengo erkend zodat er, aldus de auteur van het voorstel van resolutie, een aanvaardbare gesprekspartner voor België is.
Op haar vraag waarom in de gegeven omstandigheden België niet de bilaterale betrekkingen met Zaïre herneemt, antwoordde de gewezen minister van Buitenlandse zaken dat er door België voorwaarden worden gesteld vooraleer men tot de hervatting van de bilaterale betrekkingen zou overgaan.
Spreekster is van oordeel dat de voorwaarden niet precies genoeg geformuleerd zijn en daarom in het euvel van de subjectiviteit vervallen. Dit is de reden waarom het voorstel van resolutie alle verwezenlijkingen van de regering Kengo van het laatste jaar vermeldt.
Zij verwijst naar haar vraag om uitleg van 9 november 1995.
De auteur van het voorstel herinnert eraan dat in de Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden is gezegd geworden dat er sedert februari 1995 door onze Regering geen evaluatie van de manier waarop de voorwaarden door de Zaïrese regering worden beantwoord, is gebeurd. Het is dus wenselijk de voorwaarden te evalueren en te herzien.
België heeft de nieuwe regering een proeftijd opgelegd om haar te beoordelen op haar daden en niet op haar verklaringen.
Na een jaar van werkzaamheden heeft de regering-Kengo blijk gegeven van haar wil om het herstel te bevorderen, zowel op economisch als op politiek vlak. Zo is de gouverneur van de Banque du Zaïre vervangen, alsook een vice-minister van Buitenlandse Zaken die betrokken was in een smokkel van « echt vals geld ». Tal van vreemdelingen die schuldig waren bevonden van verduisteringen in de diamanthandel, zijn uit het land gezet. Het netwerk voor invoer en verspreiding van vals geld is ontmanteld.
De overheidsuitgaven zijn beperkt tot de gerealiseerde belastinginkomsten. In juli 1995 is een creditsaldo van 400 miljard Zaïre bereikt, wat garant staat voor een gezonder beheer van de staatsfinanciën. De achterstallen op de lonen van het overheidspersoneel zijn betaald. Tijdens de eerste zeven maanden van 1995 is de inflatie teruggebracht tot 99 pct. In 1994 bedroeg dit cijfer 2 195 pct., hetgeen nauwelijks denkbaar is.
Het Europees Ontwikkelingsfonds is bezig met het bestuderen van een internationaal project, dat het ten belope van 90 miljoen Ecu kan bekostigen. In Shaba is in juli jongstleden een grondstation geopend.
De produktie van goud, diamant en kobalt stijgt weliswaar langzaam, maar maand na maand.
In juli 1995 wees de belangrijkste adviseur van het departement Afrika van het I.M.F. op de tastbare resultaten die sinds januari behaald zijn ten gevolge van het door de Zaïrese regering gevoerde beleid.
Ook op het politieke vlak is er meer stabiliteit en alleen de contestatie gaat nog voort.
De vrijheid van meningsuiting blijkt uit als het aantal en de teneur van de kranten die thans in Zaïre verschijnen.
Ook op het vlak van de rechten van de mens is vooruitgang geboekt. Het beleid ten aanzien van Zaïre mag niet verschillend zijn van het beleid dat wij voeren in andere ontwikkelingslanden waarmee wij de beste betrekkingen onderhouden.
De indiener van het voorstel stelt vast dat enkele leden van de meerderheid tijdens hun jongste bezoek waarschijnlijk hun ogen hebben opengetrokken voor de harde werkelijkheid in Zaïre.
De indiener van het voorstel besluit dat het opgeven van de samenwerking voornamelijk de Zaïrese bevolking treft, die een zware tol heeft betaald in het beroepsleven en in het gewone leven en in het bijzonder op het vlak van de gezondheid.
Een lid is van oordeel dat de hervatting van de contacten tussen België en Zaïre niet onvoorwaardelijk mag gebeuren, rekening gehouden met het verleden.
Dit is de reden waarom hij amendementen (Gedr. St. nr. 156/2) indient.
Een ander lid is van mening dat het gevaarlijk, nutteloos en niet opportuun is om een resolutie aan te nemen betreffende de betrekkingen tussen België en Zaïre, nu de Regering onderhandelingen voorbereidt met Zaïre, dus in een overgangsperiode.
Zelf is hij trouwens voorstander van een hervatting van de samenwerking met Zaïre. Maar, gelet op de overgangsfase waarin de voorbereiding van de onderhandelingen tussen België en Zaïre zich bevindt, en gelet op de complexiteit van de toestand in Zaïre zelf, is het niet opportuun dat de Senaat een standpunt inneemt.
Hoewel het idee van een resolutie op zich loofwaardig is om het debat op gang te brengen of te stimuleren, is hij gekant tegen de inhoud van het voorstel van resolutie.
De resolutie zou een boodschap kunnen bevatten aan de Regering door te vragen om de betrekkingen met Zaïre te hervatten maar er de nodige voorwaarden aan te verbinden.
Het lid verklaart dat een dergelijke boodschap alleen kan met instemming van de Regering en de minister van Buitenlandse Zaken.
Bij het bekijken van het amendement stelt het lid vast dat de opgelegde voorwaarden niet te verwezenlijken zijn en dus te ver gaan.
Zo is de herstructurering van het leger één van de knelpunten en is op korte en middellange termijn totaal onrealistisch.
Ook de voorwaarde m.b.t. de vrije verkiezingen is veel te scherp. Te harde voorwaarden opleggen vermindert de manoeuvreringsmogelijkheden van de Federale Regering.
De voorwaarden voor een geleidelijke hervatting van de betrekkingen tussen de twee Staten dienen te worden onderzocht. Als tussenoplossing stelt hij voor een delegatie van de Senaat naar Zaïre te sturen.
De indiener van het voorstel van resolutie stelt voor de afvaardiging ook te sturen naar andere landen van Centraal-Afrika. Na deze zending zou de Commissie klaar zijn om een debat aan te gaan met de Regering. Op die manier kan vooruitgang worden geboekt met het dossier.
Een lid is van mening dat de voorwaarden niet zijn vervuld voor een hervatting van de bilaterale betrekkingen tussen België en Zaïre, zowel in heet veld (in Zaïre) als wat betreft de opportuniteit met betrekking tot hetgeen gebeurt op het niveau van de Belgische regering.
Het lid protesteert tegen de inhoud van de tweede considerans van het voorstel van resolutie, waarin staat dat de opschorting van de betrekkingen tussen de twee landen aan de basis ligt van de toestand in Zaïre.
Hij memoreert dat hij steeds heeft gepleit voor een voortzetting van de hulp aan de bevolking van Zaïre.
Spreker zegt dat hij het niet eens is met het voorstel van resolutie.
Een lid stelt vast dat bepaalde consideransen niet voor iedereen aanvaardbaar zijn.
Het lid sluit zich aan bij de analyse van de vorige spreker.
De betrekkingen tussen België en Zaïre werden door Zaïre doorbroken. België werd hierbij voor een voldongen feit geplaatst. De houding van Zaïre was te betreuren omdat het voor de Zaïrese bevolking nadelig uitviel.
Ook Mobutu erkent nu fouten in zijn beleid.
Ook de derde considerans doet vragen rijzen. Onze minister van Buitenlandse Zaken werd m.b.t. de regering Kengo wa Dondo door het I.M.F., Frankrijk en de Verenigde Staten als eerder naïef beschouwd.
Eén van de grootste vieringen (naar aanleiding van het dertigjarig bewind van Mobutu) die Zaïre sedert de onafhankelijkheid kende, kon niet eens in de hoofdstad Kinshasa doorgaan. Dit wijst in de praktijk uit hoe slecht de toestand in Zaïre is.
De Federale Regering is van oordeel dat de Zaïrese bevolking niet het slachtoffer mag zijn van de verhoudingen van Staat tot Staat.
Er is dus verregaande humanitaire hulp nodig. De interveniënt verwijst terzake naar het plan van de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, die pleit voor een zo direkt mogelijke hulp aan de bevolking, die verder gaat dan het nu het geval is. Dit moet gebeuren via een groter aantal niet-gouvernementele organisaties, met enkele regionale prioriteiten en volgens meer gedifferentieerde vormen van hulpverlening. Zelfs kleine infrastructuurwerken kunnen in aanmerking komen om het land meer leefbaar te maken.
Ook op institutioneel vlak dient er iets te gebeuren.
De Verenigde Staten en Frankrijk zijn van oordeel dat alles stagneert.
Het lid is van oordeel dat de Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden over voldoende expertise moet beschikken om tot een nuttige en aanvaardbare resolutie te komen.
Ofwel formuleert de Senaat haar eigen standpunt, ofwel vraagt de Commissie de Regering om advies, dat al dan niet wordt gevolgd.
Het lid wijst op de voorafgaandelijke noodzaak het standpunt te kennen van de Verenigde Staten, Frankrijk, de Europese Unie, het I.M.F. en de Wereldbank.
Het lid is tevens van oordeel dat een zending van een eventuele Senaatsdelegatie naar Zaïre zeer goed moet worden voorbereid. Hij verwijst in dat verband naar de recente reis van de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking naar Ruanda. Hij heeft vastgesteld dat hij die reis niet voldoende had voorbereid. Dit werd hem achteraf zelfs verweten.
De voorbereiding van zo'n missie ligt zeer moeilijk, met name in verband met de keuze van de partners in Zaïre, de beslissing de virtuele of de huidige hoofdstad aan te doen, de huidige of de virtuele voorzitter te bezoeken, enz.
Het lid suggereert de minister van Buitenlandse Zaken te horen over de recente toestand in Zaïre. Tot besluit dringt het lid erop aan dat er geen standpunt als Senaat zou worden geformuleerd, vermits het dossier tot de beslissingsbevoegdheid van de uitvoerende macht behoort.
De indiener zegt zich erover te verheugen dat dit onderwerp in het Parlement bespreekbaar is.
Zij stelt vast dat de minister van Buitenlandse Zaken haar voorstel om de bilaterale samenwerking spoedig te hervatten vijandig gezind is.
Het lid spreekt de hoop uit dat de Commissie aanwijzingen kan geven over de te volgen weg.
Wanneer men beslist een bilateraal ontwikkelingssamenwerkingsverband met een land te starten, wordt er tussen beide landen overleg gepleegd over welk bedrag hiervoor wordt uitgetrokken en welke projecten worden gefinancierd. Het is zeer belangrijk op voorhand duidelijke afspraken te maken over de soort hulp, de financiële engagementen en de te sturen experten en ontwikkelingshelpers. Dezelfde precieze werkmethode moet aangewend worden bij het oefenen van de controle over de uitvoering van de projecten.
De indiener stelt dus voor een verantwoorde samenwerking met Zaïre te hervatten. Het ligt niet in de bedoeling dat land betuttelend te behandelen. België en Zaïre zouden veeleer partners zijn die hun eigen verantwoordelijkheid opnemen.
De vraag wat nu de rol en de taak van de Zaïrese president is, moet in Zaïre besproken worden.
De indiener wil dat een stop vooruit wordt gedaan, om te voorkomen dat Zaïre anders wordt behandeld dan de andere ontwikkelingslanden waarmee België samenwerkt en waar ons land ruimdenken er blijkt te zijn over de problemen van de schending van de mensenrechten en de democratische vrijheden.
Het lid herinnert eraan dat de Zaïrese bevolking thans dramatische ogenblikken doormaakt en nog altijd grote verwachtingen heeft van ons land.
Ze verklaart zich bereid op het voorstel om een parlementaire delegatie naar Zaïre te sturen, in te gaan.
Om te vermijden dat de delegatie zou worden beschuldigd van inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Zaïre, is het wellicht ook aangewezen andere Centraalafrikaanse staten aan te doen.
Spreekster is zich ook bewust van het probleem van de gesprekspartners. Zij wenst naar een oplossing te zoeken waarbij geen enkele Centraalafrikaanse Staat de indruk krijgt een gedifferentieerde behandeling vanwege België te ondergaan.
Zij wijst er bovendien op dat België meer voordeel heeft gehaald uit Zaïre, dan Zaïre uit België.
Zij ergert zich trouwens aan de hypokriete houding ten aanzien van het verleden en vestigt de aandacht op de positieve resultaten die België destijds in Zaïre heeft gekend.
Spreker verklaart te hopen dat de Regering haar zienswijze verandert. Het zou zijn nut kunnen hebben dat de Senaat een signaal geeft aan de Regering.
Het lid verzet zich, met het oog op de nodige efficiëntie en de nood aan controle op de uitwerking van onze eigen doelstellingen, tegen een Belgische ontwikkelingshulp in Zaïre die uitsluitend via niet-gouvernementele organisaties zou verlopen.
In de loop van de bespreking van het voorliggend voorstel van resolutie werd door meerdere commissieleden voorgesteld om de minister van Buitenlandse Zaken in de commissie uit te nodigen voor het houden van een uiteenzetting over de huidige toestand in Zaïre.
Die uiteenzetting ging door op 13 december 1995.
De minister van Buitenlandse Zaken deelt informatie mee opdat de leden zich kunnen uitspreken over de wenselijkheid van de ingediende voorstellen.
Uit de verslagen van de Belgische ambassadeur in Kinshasa en uit kontakten met andere landen die nog belangstelling voor Zaïre vertonen, blijkt dat de situatie er nog steeds verre van rooskleurig is. De laatste maanden stelt men een negatief evoluerende ontwikkeling vast. Het gunstig resultaat vooruitvloeiende uit de financiële en economische maatregelen leidden tot 6 maanden geleden nog tot gunstige resultaten, die nu totaal teniet zijn gedaan. De monetaire massa scheert opnieuw hoge toppen en Zaïre dreigt opnieuw de wel bekende weg op te gaan van inflatie en demonetarisatie die zeer onrustwekkend is.
Binnen de Zaïrese politieke families is de cohesie zoek.
De minister stelt eens te meer vast dat het fout was Monseigneur Monsengwo van het voorzitterschap van de H.C.R.-P.T. (1) te verwijderen. Dit heeft de manoeuvreerruimte van de oppositie nog verminderd, het heeft de macht van President Mobutu vergroot en de positie van Eerste minister Kengo moeilijker gemaakt.
Blijkbaar slaagt Kengo er niet in zijn belofte hard te maken om Monseigneur Monsengwo terug in de zetel van het voorzitterschap H.C.R.-P.T. te tillen (2).
Nogal wat beloften vanwege de Zaïrese regering zijn niet gerealiseerd.
Het is nodig aan te dringen op het democratiseringsproces en op het houden van verkiezingen in Zaïre. De drie landen die nog in Zaïre belangstelling vertonen (België, Frankrijk en de Verenigde Staten) zitten op dezelfde golflengte. Men zal op het vlak van de Europese Unie voorstellen bij de Zaïrese overheid aan te dringen op het houden van verkiezingen. Voor de organisatie hiervan zal er immers beroep moeten worden gedaan op de Verenigde Naties en de Europese Unie.
De minister zelf pleit ten zeerste voor een Afrikaans initiatief ten aanzien van Centraal-Afrika, maar stelt vast dat de Conferentie van Caïro niet veel heeft opgeleverd. In november jongstleden werd op initiatief van de vroegere president Jimmy Carter en zijn Carter Center in de Egyptische hoofdstad Caïro een bijeenkomst belegd. Op hoog niveau werd er gezocht naar een oplossing voor de crisis en het vluchtelingenprobleem in het gebied rond de Grote Meren.
Het had nuttiger geweest te onderhandelen over de uitvoering van de besluiten die naar aanleiding van de Conferentie van Bujumbura en die van Nairobi werden genomen.
De minister van Buitenlandse Zaken verwijst naar het onderhoud dat hij op 28 oktober jongstleden heeft gehad met de secretaris-generaal van de Organisatie voor Afrikaanse eenheid (O.A.E.), de heer Salim Ahmed Salim.
Het gesprek ging voornamelijk over het in 1993 door het O.A.E. ingestelde mechanisme voor het verhinderen en het oplossen van geschillen en over de situatie in de regio van de Grote Meren.
België speelt een actieve rol, ook binnen de Europese Unie, ter ondersteuning van de O.A.E.-initiatieven inzake preventieve diplomatie.
De Ministerraad heeft beslist een bedrag uit te trekken ter ondersteuning van politieke initiatieven inzake de bestrijding van de crisis in Centraal-Afrika en vooral in Burundi.
Ten slotte meldt de minister dat de Regering nieuwe maatregelen ten aanzien van Zaïre zal nemen.
Een nieuwe programmatie op het vlak van humanitaire projecten wordt op punt gesteld. De staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking zal binnenkort aan de Ministerraad (3) een reeks maatregelen voorstellen in de sector van de indirecte bilaterale hulp aan Zaïre : gezondheidszorg, onderwijs, mensenrechten en democratisering.
Op dit ogenblik is het de beste oplossing die men kan voorstellen. Ook de sectie ontwikkelingssamenwerking in Kinshasa zal wellicht versterkt worden. Vermits België nog het enig land is dat zich op het terrein bevindt, wordt het vaak gevraagd als coördinator op te treden op het vlak van humanitaire acties.
De Verenigde Staten hebben zich volledig uit Zaïre teruggetrokken. Duitsland heeft een belofte tot het verstrekken van humanitaire hulp gedaan. Zaïre ontvangt van geen enkel land nog enige vorm van officiële, bilaterale hulp.
Bij middel van onrechtstreekse bilaterale hulp kan wellicht nog enig contact met de Zaïrese bevolking in stand worden gehouden.
De minister betreurt de geringe solidariteit vanwege andere Staten ten opzichte van de zeer ernstige en dramatische crisis in Centraal-Afrika.
Door zolang mogelijk aanwezig te blijven in Centraal-Afrika, vervult België een humanitaire en ethische rol, aldus de minister.
Een lid stelt vast dat sedert de laatste gedachtenwisseling met de minister in de commissie de standpunten dezelfde zijn gebleven.
Zijn fractie kan het niet eens zijn met de consequenties van het soort hulp dat aan de regering Kengo wordt verleend.
Zijn fractie is van oordeel dat hulp aan de regering Kengo noodzakelijkerwijze moet gebeuren via de hervatting van de rechtstreekse bilaterale hulp.
De minister is van oordeel dat het niet uitgesloten is dat het regime de niet-gouvernementele organisaties verbiedt, zoals het recent in Ruanda is gebeurd. Dit zou katastrofaal zijn, want de weinige belangstelling en bereidheid die bij een deel van de Belgische bevolking nog leeft t.o.v. Zaïre, zou dan eensklaps worden vernietigd. Ook de kennis van België op het Zaïrese terrein dreigt op die manier verloren te gaan.
De regering Kengo zal wellicht trachten samen te werken met de Belgische N.G.O.'s met de bedoeling ze te recupereren.
Rechtstreekse bilaterale hulp aan Zaïre is onmogelijk omdat dit door de publieke opinie geassocieerd wordt met verrijking door privé-personen. Ook de Europese Unie is niet bereid de directe bilaterale hulp te hervatten. Dit zal beperkt worden tot hulp aan de burgerlijke bevolking.
Hetzelfde lid is van mening dat de minister twee zaken verwart : de noodzaak van goed beheer van de ontwikkelingssamenwerking en het politieke gebaar van de hervatting van de bilaterale samenwerking waarvoor geschikte financieringskanalen moeten worden gezocht.
Een ander lid verduidelijkt dat, wat het A.B.O.S. betreft, duidelijkheid vereist is inzonderheid over de manier waarop het onderzoek nu wordt gevoerd.
Een parlementaire onderzoekscommissie is verantwoord indien er ontevredenheid bestaat over de manier waarop het onderzoek buiten het Parlement wordt gevoerd.
Het lid wenst meer uitleg over wat er op dit ogenblik gebeurt.
Wat Zaïre betreft, vraagt het lid of de argumentatie van de indiener van het voorstel van resolutie niet haaks staat op de feiten. De doelgroep moet toch de Zaïrese bevolking zijn.
Nu reeds blijkt het zeer moeilijk te zijn de partners binnen de Europese Unie en zelfs de Verenigde Staten te overtuigen van de voortzetting van een actie in Centraal-Afrika. België moet haar actie in Centraal-Afrika en in Zaïre verderzetten, en dit volgens de voorgestelde voorwaarden. Een actie via indirecte bilaterale hulp is de beste methode om controle uit te oefenen op de door ons aangeboden hulp en op de concrete voordelen ervan voor de bevolking zelf.
Het lid is, net als de minister, zeer verontrust over de toestand in Burundi waar het risico voor een explosie van dag tot dag vergroot. Het gevaar is niet denkbeeldig dat het in Burundi tot een gelijkaardige massale genocide komt, als in Ruanda in 1994 is gebeurd.
Het lid is ervan overtuigd dat wij ons moeten voorbereiden op alle niveaus : op het Belgische niveau en op het internationale niveau, d.w.z. zowel op het niveau van de Europese Unie als op dat van de Verenigde Naties. Er moet een eventuele interventie worden voorbereid en wij moeten duidelijk maken dat genocide tegen elke prijs voorkomen moet worden. De N.G.O.'s die zich ter plaatse bevinden, maken gewag van een groot aantal doden.
De Belgen in Burundi kunnen op elk ogenblik het slachtoffer worden van de houding van de Burundezen, ongeacht wie ze zijn.
Het lid is van mening dat er geen onderscheid gemaakt mag worden tussen de slachtoffers, ook al is onze verantwoordelijkheid voor de Belgische ontwikkelingswerkers directer.
Een ander lid verwijst naar de door de minister aangekondigde humanitaire maatregelen die de staatssecretaris ter plaatse wil nemen. Men probeert eveneens het democratiseringsproces opnieuw op gang te brengen en dus ook de vrije verkiezingen. Vreest de minister niet dat men na verkiezingen, of die nu geldig of vervalst zijn, politiek niet veel verder zal staan ?
Wil België niet terugkeren naar de huidige toestand nadat min of meer democratische verkiezingen zijn gehouden, die dan toch veel geld hebben gekost ?
De minister stelt vast dat de Zaïrezen zelf klaarblijkelijk verkiezingen willen. Zij hebben de H.C.R.-P.T. geïnstalleerd.
Blijkbaar wenst de Zaïrese bevolking de overstap te doen van de tweede naar de derde Republiek.
De minister stelt eveneens vast dat de H.C.R.-P.T. wegzinkt in immobilisme nu de president van de Republiek op heel wat eisen van de H.C.R.-P.T. is ingegaan. De vertegenwoordigers die niet verkozen zijn, ontvangen 1 000 dollar per maand, wat in Zaïre zeer veel is (honderd keer meer dan bijvoorbeeld een leraar krijgt).
Om een nieuwe politieke klasse in het leven te roepen is het houden van verkiezingen onontbeerlijk.
Het is zeer belangrijk dat de internationale gemeenschap aanwezig is van bij het begin van het democratiseringsproces om de burgerbevolking aan te moedigen deel te nemen aan de verkiezingen.
De overgang naar een derde Republiek is van belang, want de regeringsleiders die onder de tweede Republiek aan het bewind waren, zullen worden onderworpen aan een nieuwe grondwet.
De minister herinnert eraan dat President Mobutu de vierde pijler is van het politieke hervormingsproces in Zaïre. Besluiten de Zaïrezen massaal voor hem te stemmen in een systeem van « free and fair elections », dan wordt men geconfronteerd met een politiek feit. In dat geval zullen de Belgische Regering en het Belgisch Parlement een beslissing moeten nemen.
De minister is ervan overtuigd dat de verkiezingen de toestand in Zaïre niet fundamenteel zullen wijzigen.
De Zaïrese bevolking heeft zich trouwens georganiseerd in een soort van tweede circuit en verwacht dus niets van de politiek. Die situatie houdt op termijn gevaren in; men zou hieruit zelfs kunnen afleiden dat geen verkiezingen meer nodig zijn. In Kivu heerst reeds zo'n toestand : industriëlen en zelfstandigen regelen alles samen met de inwoners en financieren de politie, de administratie, het leger, enz.
Een dergelijke gedecentraliseerde aanpak van de macht dreigt uiteindelijk tot de ontbinding van de Staat Zaïre te leiden. Daarom zijn de maatregelen die de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking vooropstelt de best te volgen weg : onderwijs, humanitaire hulp, gezondheidszorg en kleine infrastructuurwerken, bijvoorbeeld om de kiezers toe te laten zich naar het kiesbureau te begeven. Hierbij zal men werken via de kanalen van de N.G.O.'s en de Kerk die dicht bij de bevolking staat.
De minister wijst er nogmaals op dat België het enig land is dat in Zaïre en Burundi aanwezig is. De Belgische Regering doet permanente en ernstige pogingen om de internationale politieke gemeenschap aan te sporen.
De Verenigde Naties slagen er niet meer in een nieuwe gezant van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties aan te duiden. De ambassadeurs die tot nu toe hiervoor werden aangezocht weigerden het voorstel aan te nemen.
Na de minister te hebben gehoord, verklaart een lid voor zijn standpunt meer begrip op te brengen.
Ook hij is van oordeel dat er nieuwigheden moeten worden gevonden.
We moeten Zaïre helpen er weer bovenop te komen en dat impliceert ook het aanknopen van betrekkingen met een regering. Er moet zo opgetreden worden dat een verandering duidelijk merkbaar wordt.
Hij analyseert de toestand als volgt. In 1990 zijn de bilaterale betrekkingen door President Mobutu verbroken nadat België had aangedrongen op het oprichten van een internationale commissie om de gebeurtenissen in Lumumbashi te onderzoeken. België was daarbij uitgegaan van de veronderstelling dat het Zaïrese regime in elkaar zou storten. Dat is evenwel niet gebeurd en het regime heeft de gebeurtenissen min of meer overleefd. De Staat en de bevolking zijn er daarentegen slecht aan toe.
Het lid is de verkiezingen gunstig gezind.
Het lid wijst tussendoor op de afwijzende houding van Tshisekedi tegenover het snel houden van verkiezingen en tegen het voorstel dat België via niet-gouvernementele organisaties hulp aan de Zaïrese bevolking zou verstrekken, wat als een vorm van kolonialisme dient bestempeld.
De oppositie wekt de indruk dat zij het systeem accepteert. De organisatie van verkiezingen zou immers leiden tot de verdwijning van drie vierde van de oppositie.
De organisatie van verkiezingen zou België een nieuwe legitimatie kunnen geven om aanwezig te zijn in Zaïre.
Het zou verkeerd zijn, naar aanleiding van de organisatie van verkiezingen, al te veeleisend te zijn. Sommige Zaïrese politici die de verkiezingen ongunstig zijn gezind, stellen strenge eisen zoals de organisatie van een voorafgaande volkstelling omwille van de aanwezigheid van een groot aantal vreemdelingen (hoofdzakelijk vluchtelingen uit de omringende Centraalafrikaanse nabuurlanden).
Of de Zaïrezen al dan niet hun stem uitbrengen, is minder belangrijk. Het komt erop aan dat er uit de verkiezingen een legitieme Zaïrese overheid te voorschijn komt, welke die ook weze.
Er moeten niet te veel voorwaarden gesteld worden. Dat is nutteloos. Een volledige herstructurering van de overheidsdiensten en van het leger, alsook de organisatie van een volkstelling zijn voor een zo arm en beklagenswaardig land als Zaïre absurd.
Het lid pleit voor een pragmatische aanpak, voor een legitiem gezag dat een politieke koersverandering van België kan wettigen.
Het lid herhaalt zijn voorstel om een senaatsafvaardiging naar Zaïre te sturen die ter plaatse contact kan nemen met de verschillende partijen en daarover een genuanceerd verslag kan uitbrengen. Daarna kan de Regering haar beleid afstemmen op de resultaten van dat onderzoek.
Een ander lid merkt op dat er een verzoek is van de Zaïrese veiligheidsdiensten om opnieuw officiële betrekkingen aan te knopen met de Belgische Staatsveiligheid. Hoe reageert België hierop ?
De U.D.P.S. heeft in een officieel document een standpunt ingenomen dat verkiezingen niet langer uitsluit. Vorige week heeft Omer Kamba in dit verband een vrij belangrijke stap gezet. Moet dit proces niet worden aangemoedigd ?
Het lid herinnert aan het standpunt van de commissie over het voorstel om een senaatsafvaardiging naar Zaïre te sturen. Zulks mag niet worden uitgesloten op voorwaarde dat de afvaardiging de doelstellingen van de regering niet uit het oog verliest en dat de reis plaatsheeft op een tijdstip dat die doelstellingen dient. Indien een dergelijke stap nuttig wordt geacht, is het duidelijk dat op parlementair niveau doeltreffend werk kan worden verricht. Dat was ook de overtuiging van de meerderheid, die echter ook van mening was dat de reis niet ondernomen dient te worden indien de regering dat onnodig achtte.
Bij de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking moet er worden op aangedrongen dat bij de hervatting van de ontwikkelingssamenwerking in bijvoorbeeld Ruanda en Zaïre een evenwicht tussen de filosofische strekkingen in acht moet worden genomen.
Het lid pleit voor de actieve rol van de voormalige president van Tanzania, de heer Nyerere in de onderhandelingen in de Burundeze crisis. Hij is uiteraard een sleutelfiguur, die internationaal gerespecteerd wordt. Hij was trouwens één van de initiatiefnemers voor de samenkomst te Cairo, alhoewel hij er niet aanwezig was (4). Terloops dient erop gewezen dat Nyerere een belangrijke rol heeft gespeeld ter bevordering van het intern pacificatieproces van Mozambique die een langdurige en zeer zware burgeroorlog heeft gekend en die zeer dynamische reconciliatietechnieken heeft aangewend.
Een lid herinnert eraan dat het standpunt van zijn fractie aansluit bij dat van de minister van Buitenlandse Zaken. Dit herneemt het Regeringsstandpunt, dat reeds in 1994 werd genomen.
Voor het heraanknopen van de officiële betrekkingen tussen België en Zaïre werden een aantal voorwaarden geformuleerd. Ze hebben betrekking op de eerbied van de mensenrechten en het democratiseringsproces dat in Zaïre dient te worden ingezet.
Bij de evaluatie van de evolutie in Zaïre in 1995 heeft de Regering vastgesteld dat de voorwaarden, noch op het vlak van de mensenrechten, noch op het vlak van de democratisering, worden vermeld om de betrekkingen van staat tot staat tussen België en Zaïre te herstellen.
Tussen de aanvang van de bespreking in Commissie van het voorliggend voorstel van resolutie in november van vorig jaar en nu, is er toch een evolutie waar te nemen m.b.t. de betrekkingen tussen België en Zaïre : er is de beslissing van 22 december j.l. om de niet-officiële ontwikkelingssamenwerking via niet-gouvernementele organisaties te hernemen.
Het lid acht dit een belangrijke stap voorwaarts in vergelijking met de zuiver humanitaire hulp die gedurende de periode tussen 1990 en 1996 aan Zaïre werd verstrekt.
Het lid is daarom van oordeel dat de Regering met de hulp van de niet-gouvernementele organisaties reeds een inspanning heeft geleverd. Men mag bovendien niet uit het oog verliezen dat tussen 1990 en 1995, België aan humanitaire en noodhulp aan Zaïre 800 miljoen heeft uitgegeven. In vergelijking tot Frankrijk en de Verenigde Staten, de belangrijkste hulpverstrekkers samen met België, is de inspanning van België in Centraal-Afrika zeer aanzienlijk.
Zolang geen verdere vooruitgang is gemaakt inzake mensenrechten en democratisering, kunnen de betrekkingen van staat van staat met Zaïre in geen geval worden hernomen.
Een ander lid verwijst eveneens naar de beslissing van de Regering van 22 december j.l. om een versterking door te voeren van de niet-officiële betrekkingen. Dit houdt dus een versterking in op het vlak van de N.G.O.'s. Deze hebben in Zaïre een aantal programma's lopen.
Ook de samenwerking tussen de universiteiten is van groot belang.
Daarenboven zal de uitvoering van de door de Ministerraad goedgekeurde projecten uitzonderlijk aan de N.G.O.'s worden toevertrouwd. Er zullen dus extra-middelen worden toegekend aan de samenwerking tussen België en Zaïre.
Het lid juicht die evolutie ten gunste van de Zaïrese bevolking toe.
Men zal hoe dan ook met een aantal aspecten rekening moeten houden.
Een lid is zich bewust van de banden tussen Zaïre en België en van het feit dat de Zaïrese Regering inspanningen heeft gedaan, maar zij stelt terzelfdertijd vast dat de Belgische Regering eveneens een grote stap gezet heeft door opnieuw enige samenwerking met Zaïre mogelijk te maken.
Alvorens de betrekkingen met Zaïre te hervatten moet een hele reeks nog te bepalen voorwaarden duidelijk omschreven worden.
Een ander lid onderstreept dat de Belgische Regering zich al vele jaren inzet om de Zaïrese bevolking te helpen. Dat gebeurt met inachtneming van twee principes : enerzijds rechtstreekse hulpverlening aan de bevolking en anderzijds de eerbiediging van de mensenrechten als principiële voorwaarde voor die hulpverlening.
Dat is tot op heden de enige manier om het tweevoudig doel te bereiken.
Tot besluit verklaart het lid dat het in de huidige toestand voorbarig lijkt, zoals de resolutie voorstelt, de bilaterale betrekkingen met Zaïre opnieuw aan te knopen.
De auteur van het voorstel van resolutie wenst haar tekst niet te wijzigen. Zij stelt wel een lichte verbetering en een zekere soepelheid vast in de relaties tussen België en Zaïre, maar blijft pleiten voor de hervatting van de rechtstreekse ontwikkelingssamenwerking met Zaïre, en niet alleen via de niet-gouvernementele organisaties en de universiteiten.
De Regering die dit soort ontwikkelingshulp verstrekt, moet zelf de gesprekpartners ter plaatse kennen. Men moet de plaatselijke verantwoordelijken kunnen horen. Dit laat toe controle uit te oefenen over de manier waarop onze gelden worden besteed en inzicht te hebben in de resultaten van de gefinancieerde projecten.
Grote principes zijn vaak zeer moeilijk te evalueren. Dit is ook de moeilijkheid met de voorwaarden die door de Belgische Regering ten aanzien van Zaïre worden geformuleerd.
Een lid twijfelt niet aan de goede bedoelingen van het voorstel van resolutie.
Het is niet aan Staten om kommentaar te leveren op de binnenlandse aangelegenheden en instanties van een andere Staat.
In de huidige discussie moet men van het volgende gegeven vertrekken : de samenwerking tussen Zaïre en België werd in 1990 door Zaïre opgezegd. Niet alleen België, maar andere Staten en zelfs internationale organisaties hebben uit die beslissing besloten dat voortaan uiterste voorzichtbaarheid was geboden.
De interveniënt vraagt aandacht voor de eis naar geloofwaardigheid van de actie in Zaïre bij de publieke opinie in België, die niet bereid is om zo maar om 't even welk project te financieren. Het verleden heeft maar al te vaak aangetoond dat er nogal wat financiële restjes aan de vingeren blijven plakken. Vandaar de houding van de Regering die er een van voorzichtigheid is. Die houding is tweeledig : de maximale inzet voor de Zaïrese bevolking buiten een struktuur van staat tot staat, en het opvolgen van de evolutie van de toestand in Zaïre, samen met andere landen en internationale organisaties, in functie van de geloofwaardigheid daarvan.
Vandaar het plan van de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking dat uit drie schuiven bestaat : een eerste fase die weldra operationeel zal zijn, bestaat in het verstrekken van ontwikkelingshulp.
De tweede fase bestaat uit een samenwerking op het vlak van het onderwijs met de instellingen zelf. In een derde fase zal het democratiseringsproces worden ondersteund.
Volgens het lid is de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking bereid struktureel samen te werken met gedecentraliseerde overheden, indien dit op het terrein zou blijken mogelijk te zijn.
Dit plan dat tot het jaar 2000 loopt moet een kans krijgen. Het bedrag dat België hierin zal investeren zal van 800 miljoen tot 1 miljard franken oplopen. Dit zal toelaten konsekwent en stevig werk op het terrein te verrichten ten bate van de bevolking.
De resolutie zoals die ter bespreking ligt zou het plan kunnen schaden.
Het lid is van oordeel dat het tot de rol van de Senaat behoort de konkrete uitvoering van dit plan op kontinue wijze op de voet te volgen.
Dit zou trouwens perfekt kaderen in het voornemen van de Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden om de problematiek van de ontwikkelingssamenwerking grondig te evalueren. Het is tenslotte niet alleen de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking die bevoegd is voor de Belgische ontwikkelingshulp, maar er is ook de minister van Financiën, de minister die bevoegd is voor Buitenlandse Handel, de minister van Buitenlandse Zaken, enzovoort. In het kader van dit ruim en grondig onderzoek zouden er ook testcaseonderzoeken kunnen doorgaan, bijvoorbeeld over Zaïre.
Ten gepaste tijde kan de Commissie, op basis van krachtige gegevens, voorstellen doen met het oog op een mogelijke wijziging van het standpunt van de Regering.
Terloops dient er op gewezen dat, in tegenstelling tot wat sommige leden beweren, de Regering een driemaandelijkse evaluatie houdt van de economische, sociale en politieke toestand in Zaïre. Hierover zou de Regering voor de Commissie verslag kunnen uitbrengen.
Een lid herinnert eraan dat de wet ter bescherming van de mensenrechten aan de bevoegde minister oplegt bij het Parlement jaarlijks een verslag uit te brengen over de stand van zaken ter zake.
De heer Hostekint dient een amendement in dat ertoe strekt zowel de consideransen als mede het beschikkend gedeelte te vervangen.
Enkele leden vragen de stemming over het voorstel van resolutie te verdagen om de tijd te krijgen van dit fundamenteel amendement kennis te nemen.
Een lid stelt voor een werkgroep op te richten die het Zaïre-dossier zou opvolgen.
A. Consideransen
De consideransen 1 en 2 worden verworpen met 8 tegen 2 stemmen.
Considerans 3
Het amendement nr. 3 van mevrouw Bribosia-Picard en mevrouw Willame-Boonen, alsmede considerans 3 worden met dezelfde stemverhouding verworpen.
Considerans 4 wordt eveneens met dezelfde stemverhouding verworpen.
B. Beschikkend gedeelte
Het amendement nr. 1 van de heren Devolder en Vautmans wordt met 9 stemmen tegen 1 stem verworpen.
Het amendement nr. 2 van de heer Nothomb wordt teruggetrokken.
Het amendement nr. 4 van de heer Hostekint wordt teruggetrokken vermits de Commissie het voorstel van de heer Bourgeois om de relaties met Zaïre meer ten gronde in Commissie te onderzoeken, gunstig gezind blijkt te zijn. Na die nieuwe bespreking zal hij overwegen zijn tekst opnieuw in te dienen.
Het beschikkend gedeelte wordt met 8 tegen 3 stemmen bij 1 onthouding verworpen.
Het voorstel van resolutie in zijn geheel wordt met dezelfde stemverhouding verworpen.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De Rapporteur, | De Voorzitter, |
| Jacques DEVOLDER. | Valère VAUTMANS. |
(1) De Hoge Raad van de Republiek Overgangsparlement.
(2) Inmiddels heeft Monseigneur Monsengwo eind januari beslist af te treden als voorzitter van het overgangsparlement in Zaïre.
(3) Gebeurde op 22 december 1995.
(4) Inmiddels heeft de Europese Unie beslist een speciale gezant naar Centraal-Afrika, meer bepaald naar Ruanda, Burundi en de buurlanden te sturen. De Europese gezant zal er onder Afrikaans onderhandelaar Julius Nyerere werken aan de voorbereiding van een regionale vredesconferentie en aan de stabiliteit en veiligheid in het gebied van de Grote Meren.