Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-9183

van Zakia Khattabi (Ecolo) d.d. 5 juni 2013

aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen

De politionele samenwerking tussen BelgiŽ en Turkije

Turkije
politiŽle samenwerking
terrorisme
Koerdische kwestie
rechten van de mens
bilaterale overeenkomst

Chronologie

5/6/2013Verzending vraag
31/10/2013Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-3460

Vraag nr. 5-9183 d.d. 5 juni 2013 : (Vraag gesteld in het Frans)

Op 22 januari jongstleden heeft de minister een akkoord gesloten met zijn Turkse ambtsgenoot. Dat akkoord strekt ertoe de politionele samenwerking tussen BelgiŽ en Turkije inzake de strijd tegen terrorisme te verbeteren.

Dat akkoord is verontrustend en roept meerdere vragen op.

1) Akkoorden sluiten inzake politiezaken met een staat veronderstelt dat men vertrouwen heeft in het politionele en gerechtelijke systeem van die staat. Nochtans klagen meerdere internationale en Europese rapporten de schendingen van de mensenrechten aan die Turkije onder meer in het kader van de strijd tegen het terrorisme heeft begaan tegen Koerdische oppositieleden.

Hoe kan de minister een akkoord inzake politionele samenwerking sluiten met een land dat de mensenrechten op een flagrante manier schendt?

Beseft de minister dat door met Turkije samen te werken in de repressie van de Koerdische oppositie, BelgiŽ medeplichtig is aan die schending van de mensenrechten?

Hoe kan BelgiŽ samenwerken met Turkije en instemmen met een verzoek tot uitlevering van een politieke opposant (die door de Turkse staat uiteraard als terrorist zal worden gekwalificeerd)?

Hoe kan de minister een gerechtelijke samenwerking met de Turkse staat politiek rechtvaardigen?

2) Uit de bepalingen van het akkoord zelf blijkt dat het niet aan het internationale recht is onderworpen.

Het statuut van het verdrag lijkt eigenaardig want blijkbaar gaat het niet om een beslissing van de wetgever of van het bestuur die aan de Raad van State moet worden voorgelegd.

Ik heb het bestaan van het akkoord via de pers vernomen. De regering achtte het niet nodig het parlement te raadplegen alvorens het akkoord te sluiten. Dat is verontrustend in een democratie.

Kan de minister meedelen wat het statuut van dit akkoord is en waarom de regering het niet raadzaam vond om het aan het parlement voor te leggen?

3) Het akkoord heeft het over een Ďverbeteringí van de bestaande samenwerking tussen de twee landen. Dat veronderstelt dat er al een samenwerking bestaat. Welke akkoorden bestaan momenteel?

4) Hoe zal het akkoord concreet ten uitvoer worden gelegd?

5) Hoe zal het geheim van het onderzoek van de Belgische politiediensten worden verzoend met de Turkse politiediensten?

6) Bestaan er momenteel rondzendbrieven of andere richtlijnen voor de politie inzake de strijd tegen het terrorisme met betrekking tot personen die door de Turkse overheid voor terrorisme vervolgd?

7) Controleert BelgiŽ wat de Turken doen met de informatie die de Belgische staat levert?

8) Beschikt het parlement of een andere instelling over een middel om controle uit te oefenen op de informatie-uitwisseling?

Antwoord ontvangen op 31 oktober 2013 :

1. Criminaliteit is supranationaal en men kan deze criminaliteit niet bestrijden zonder in zekere mate samen te werken met belangrijke landen als Turkije. De samenwerking met dit land is overigens cruciaal aangaande de strijd tegen het fenomeen van de Belgen die naar Syrië trekken om er te gaan strijden.

De kwestie van de persvrijheid kwam uitdrukkelijk aan bod tijdens de ontmoeting in januari van de Belgische regering met de Turkse regering, die aanleiding heeft gegeven tot de ondertekening van het akkoord.

De gerechtelijke samenwerking valt onder de bevoegdheid van de minister van Justitie.

2. “ Uit de bepalingen van het akkoord zelf blijkt dat het niet aan het internationale recht is onderworpen. Het statuut van het verdrag lijkt eigenaardig want blijkbaar gaat het niet om een beslissing van de wetgever of van het bestuur die aan de Raad van State moet worden voorgelegd.”

De ondertekende tekst betreft een “protocolakkoord”: dit houdt geen juridisch bindende verplichting in voor de ondertekenaars. Dit soort van akkoord komt zeer frequent voor in de bilaterale samenwerking, alle sectoren dooreen genomen. Dit protocolakkoord heeft evenmin betrekking op de operationele samenwerking, in concrete zaken of met een overdracht van persoonlijke gegevens. Het roept dus geen vragen op in termen van gegevensbescherming of onderzoeksgeheim. Het beoogt vooral de samenwerking inzake opleiding bijvoorbeeld: dit soort van samenwerking geeft tevens aanleiding tot een politiedienst die de vrijheden eerbiedigt en verdedigt, bijvoorbeeld in ordehandhavingsoperaties.

3. Turkije is lid van de Raad van Europa en België is in dat opzicht verbonden met Turkije via bepaalde verdragen, bijvoorbeeld inzake gerechtelijke samenwerking. Dat valt vooral onder de bevoegdheid van de minister van Justitie, alsook de kwesties aangaande uitleveringen.

4. Het kan met name resulteren in het sturen van opleidersteams of het organiseren van oefeningen.

5. Deze kwestie valt onder de bevoegdheid van de minister van Justitie.

6. Er bestaat geen specifieke rondzendbrief over de samenwerking met de Turkse autoriteiten, maar deze samenwerking bestaat wel in individuele gevallen en met name in de strijd tegen het terrorisme, met inbegrip tegen de PKK die als terroristische organisatie wordt erkend. Die samenwerking gebeurt met inachtneming van het Belgische recht alsook op het vlak van beschuldigingen. Dat valt onder gerechtelijke samenwerking en dus onder de bevoegdheid van de minister van Justitie.

7. Zoals hierboven aangegeven voorziet het akkoord niet in de communicatie van operationele informatie.

8. De controle op de informatie-uitwisseling bestaat op verschillende niveaus en wordt in eerste instantie intern bij de politie georganiseerd, met inbegrip door het controleorgaan van het informatiebeheer door de politiediensten. De controle wordt tevens uitgeoefend door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en valt ten slotte onder het Comité P.