Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-8019

van CÚcile Thibaut (Ecolo) d.d. 5 februari 2013

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen

Zeer vroeg geboren kinderen - Ondergrens van levensvatbaarheid - Reanimatie - Praktijken in de ziekenhuizen - Eventuele gedragslijn

moederschap
ziekenhuis
bio-ethiek
recht op gezondheid
gezondheidsverzorging

Chronologie

5/2/2013 Verzending vraag
27/6/2013 Antwoord

Vraag nr. 5-8019 d.d. 5 februari 2013 : (Vraag gesteld in het Frans)

Dankzij de evolutie van de medische technieken kan de levensvatbaarheidsgrens van premature kinderen worden verlegd. Volgens neonatologen kunnen dankzij de ontwikkelde technieken bij een gemiddelde vroeggeboorte (meer dan 32 weken zwangerschap) 95% van de kinderen in normale omstandigheden overleven.

Tussen 28 (of 27 volgens de mensen uit de praktijk) en 31 weken zwangerschap spreken de neonatologen over 'zeer vroeggeborenen'. Daaronder hebben ze het over 'extreem vroeggeborenen' en komt jammer genoeg de levensvatbaarheidsgrens ter sprake. Een belangrijk aspect is hier het probleem van het aantal weken zwangerschap vanaf wanneer een reanimatie van een zeer vroeg geboren kind moet worden overwogen.

Ik heb vastgesteld dat er uiteenlopende praktijken zijn, afhankelijk van het ziekenhuis. Bepaalde instellingen gebruiken heel invasieve behandelingen en reanimeren in geval van een hartstilstand vanaf vijfentwintig weken zwangerschap en dit zonder rekening te houden met de mogelijke gevolgen, soms gewoon in het belang van de wetenschap.

Andere diensten vermijden elke vorm van therapeutische hardnekkigheid bij zeer vroeg geboren kinderen na een zwangerschapsduur van minder dan zevenentwintig weken. De afwezigheid aan eenduidige informatie over de ontwikkeling van zeer vroeggeborenen maakt het niet eenvoudig om de grens vast te leggen, daarom lijkt me een gedragslijn voor artsen noodzakelijk.

1) Kunt u een actuele stand van zaken geven over de praktijken in onze ziekenhuizen?

2) Zult u de artsen een gedragslijn voorstellen omtrent de grenzen waarbinnen zeer vroeggeborenen als levensvatbaar worden beschouwd, rekening houdend met de toekomstige ontwikkeling van het kind?

3) Zo ja, welke maatregelen zult u nemen?

Antwoord ontvangen op 27 juni 2013 :

Extreme vroeggeboorte (van 22 tot 25 weken) is een complexe en zeer specifieke medische situatie wat de medische, psychologische, maatschappelijke of ethische perspectieven betreft. Op medisch vlak zijn de grenzen van de therapeutische behandeling in geval van extreme vroeggeboorte controversieel, en het debat blijft open. Hoewel de WHO de ‘grens van de levensvatbaarheid’ vastlegt op 22 weken of 500 gram, gaat het voortbestaan van deze extreem vroeggeboren baby’s gepaard met vaak significante gevolgen en rijst de vraag of die pasgeborenen intensieve zorg moeten krijgen. In de literatuur ligt de periode tijdens dewelke reanimatie optioneel is (« grey zone ») momenteel tussen 22 en 25 weken. Die grenzen kunnen evolueren. Bovendien zorgt de statistische aanpak, gebaseerd op epidemiologische onderzoeken, voor een simplistische visie op het probleem door het te beperken tot grenzen inzake zwangerschapsduur (aantal weken zwangerschap) of gewicht. Uit recente onderzoeken is immers gebleken dat de zwangerschapsduur slechts een van de prognostische factoren is voor sterfte en ziekte. Andere risicofactoren zoals infectie (chorioamnionitis), de prenatale toediening van corticoïden aan de moeder, het geslacht van de pasgeborene, de groeiachterstand in de baarmoeder en heel wat andere elementen komen in aanmerking, net zoals de zwangerschapsduur. Het is dus een complexe medische problematiek die geval per geval moet worden bekeken, zo mogelijk door een competent multidisciplinair perinataal team. Vanuit dat standpunt is het College van artsen voor de moeder en de pasgeborene voorstander van een overbrenging naar een gespecialiseerde dienst (regionaal perinataal centrum P*, dat beschikt over een intensieve materniteit of ‘MIC-afdeling’ en over een dienst voor intensieve neonatologie of ‘NIC’) vanaf 25 weken zwangerschap. De te nemen beslissingen zijn complex en zwaar wat de gevolgen op lange termijn betreft. Ze moeten tot stand komen tijdens een voortdurende dialoog tussen artsen, zorgverleners en ouders teneinde de meest geschikte maatregelen te treffen in het beste belang van het kind. Ethisch overleg over de beslissing om zorg op te starten of stop te zetten, zou gebaseerd moeten zijn op dezelfde principes als die die later in het leven gelden : autonomie, onschadelijkheid, voordeligheid en rechtvaardigheid moeten ook voor vroeggeborenen als leidraad dienen. 

1-2-3) In de hierboven uiteengezette context ben ik er niet van overtuigd dat het opstellen van een overzicht van de praktijken de juiste maatregel is die moet worden genomen: op dit zeer controversiële medische gebied dat voortdurend evolueert en waarbij beslissingen geval per geval in overleg met de familie genomen worden, lijkt het mij normaal om een variatie aan praktijken te onderzoeken. Om de nodige beslissingen weldoordacht te nemen, hebben artsen en ouders nood aan betrouwbare epidemiologische gegevens over de toekomst van die kinderen. Het College van artsen voor de moeder en de pasgeborene, afdeling neonatologie, registreert reeds de evolutie van pasgeborenen van minder dan 1 500 gram en/of minder dan 32 weken die in de NIC-dienst van het ziekenhuis opgenomen zijn. Er werd een budget van twee miljoen euro vrijgemaakt bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV) om een gestandaardiseerde opvolging voor die pasgeborenen te organiseren. Tot slot heb ik via de ziekenhuisfinanciering middelen vrijgemaakt waardoor de experts van het College en van de Belgische vereniging van neonatologen een gestandaardiseerd instrument zullen kunnen creëren voor de screening, de registratie en de opvolging van vroeggeborenen in België. Het komt erop aan om op basis van een risicoanalyse specifieke trajecten voor zorg en opvolging uit te werken. In die richting wil ik werken.