Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-5549

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 8 februari 2012

aan de minister van Middenstand, KMO's, Zelfstandigen en Landbouw

Buurtwinkels - Grootwarenhuizen - Verhouding - Effecten - Beleid

kleinbedrijf
detailhandel
zelfbediening
verkooppunt
grootwarenhuis
officiŽle statistiek

Chronologie

8/2/2012Verzending vraag
29/3/2012Antwoord

Vraag nr. 5-5549 d.d. 8 februari 2012 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Een koudegolf veroorzaakt allerlei veranderingen in het dagelijkse leven van zowat iedereen. Daarbij hoort blijkbaar ook een wijziging van het winkelgedrag. Een onderzoek van het Neutraal Syndicaat voor zelfstandigen (NSZ) bij 377 buurtwinkels geeft aan dat de barre koude mensen ertoe aanzet om meer in de directe nabijheid te winkelen. De buurtwinkels noteerden een gemiddelde stijging van de aankopen met 12 %. Die hield rechtstreeks verband met de weersomstandigheden en wellicht ook met een grote terughoudendheid om de wagen te gebruiken.

Hierbij de volgende vragen.

1) In welke mate veranderde de verhouding tussen het aantal buurtwinkels en het aantal grootwarenhuizen de voorbije jaren? Wat zijn de oorzaken voor die veranderingen?

2) In welke mate speelden ook grootwarenhuizen in op een tendens naar meer lokaal winkelen, door de creatie van een specifiek aanbod van buurtsupermarkten, als afgeleide van de grootwarenhuizen? Kan de minister cijfers en andere gegevens verstrekken?

3) In welke mate heeft het fenomeen van meer lokale winkels een effect op de tewerkstelling?

In welke mate heeft het fenomeen van buurtwinkels met een duidelijke etnisch-cultureel identiteit invloed op die ontwikkelingen?

4) Met welke scenario's, hypotheses en verwachtingen met betrekking tot de evolutie en de verspreiding van winkels houdt de minister bij haar beleid ter zake rekening? Op welke gegevens zijn die scenario's gebaseerd?

Antwoord ontvangen op 29 maart 2012 :

1.      Het aantal zogenaamde buurtwinkels kent reeds vele jaren een dalende tendens, terwijl het aantal grote en middelgrote winkels nog steeds in aantal stijgt. Wat betreft de buurtwinkels dient evenwel, volgens de Federale Overheidsdienst (FOD) Economie, een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de superettes in zelfbediening, waar zoals bij de grote en middelgrote winkels, waarvan deze vaak afhangen, een lichte groei is waar te nemen en anderzijds de kleinere winkels die geen deel uitmaken van een geïntegreerde distributiegroep, waar zich een sterke daling voordoet.

De oorzaken voor deze daling zijn, volgens de FOD Economie veelvuldig. De voornaamste oorzaken zijn zeker de faillissementen en de afwezigheid van een opvolger. Beide oorzaken vinden hun oorsprong in een te lage omzet en dus ook onvoldoende winstvooruitzichten. Een andere oorzaak is de toegenomen mobiliteit van de consument, die ervoor zorgt dat deze zijn winkelhorizon heeft verruimd en verlegd, waardoor een groter deel van de gezinsbestedingen buiten de eigen woonplaats gebeurd. Wanneer deze mobiliteit door extreme klimatologische omstandigheden wordt aangetast of beperkt, zullen ook meer lokale aankopen gebeuren. Dit biedt dan een tijdelijke opportuniteit aan de uitbaters.

Ik vestig immers de aandacht erop dat de structurele voorwaarden van de consumptie van huishoudens, die onder meer voortvloeien uit de veroudering van de verbruikers, de sanering van het stedelijk woonmilieu en de stijgende energiekosten een duurzame impact ten gunste van moderne buurtwinkels kunnen opleveren. Dit blijkt uit de actuele groei van superettes in stedelijke gebieden en uit de renovatie-inspanningen in sommige stedelijke winkelkernen.

2.      Het is niet zo dat de buurtsupermarkten een verkleinde copy zijn van de klassieke supermarkten of hypermarkten. Het assortiment van superettes beperkt zich tot een basisaanbod van snel bederfbare producten. Dit is ook vanuit fysische standpunt onmogelijk. Ter illustratie bedraagt de gemiddelde netto-oppervlakte van een supermarkt 7 000 m², van een buurtsupermarkt 950 m², een superette 195 m² en een buurtwinkel slechts 75 m².

Vandaag, volgens de FOD Economie, diversifiëren de verbruikers hun inkopen tussen verschillende soorten bestaande winkels: onvoorziene voedingsinkopen in een buurt-superette die vaak hogere prijzen hanteert, de grote wekelijkse inkopen in de lokale of in de periferie gelegen supermarkten en gecombineerde inkopen in de hypermarkt. Ten slotte gebeuren inkopen van meer typische voedings- en niet-voedingswaren in gespecialiseerde winkels.

3.      Natuurlijk bieden de buurtwinkels een hogere tewerkstellingsintensiteit dan de grootwarenhuizen (verhouding werkgelegenheid/ontwikkelde oppervlakte). Dit verklaart dan ook het prijsverschil. Bovendien biedt de sector van de zelfstandige buurtkleinhandel, hoofdzakelijk in stedelijke gebieden van een bepaalde omvang, ongetwijfeld interessante ondernemingskansen aan iedereen. Ik ben niet van plan om een onderscheid te maken op het vlak van ethniciteit of cultuur.

4.      Zover ik weet wordt er geen strategische planning van de behoeften uitgedrukt in oppervlakte en geografische vestiging in België opgesteld. Ik herinner er bovendien aan dat richtlijn 2006/123/EG van het Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt geen mogelijkheid biedt aan de overheid om tussen te komen in de beoordeling van de opportuniteit van dergelijke handel of dergelijke type van handel. Mijn departement houdt een jaarlijks overzicht van de grootwarenhuizen van de voedings- en niet-voedingssector bij (http://economie.fgov.be/nl/statistieken/cijfers/economie/kleinhandel/). Er is echter geen register van kleine winkelbedrijven, waarvoor geen planologische vergunning vereist is, beschikbaar. Ten slotte zijn de jaarlijkse activiteitenverslagen van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie ook een nuttige informatiebron (http://economie.fgov.be/nl/ondernemingen/leven_onderneming/oprichting/toegang_beroep/Licences_autorisations_specifiques/Prealables_exercise_activite/handelsvestigingen/)