Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-5530

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 7 februari 2012

aan de vice-eersteminister en minister van Economie, Consumenten en Noordzee

Scheepswrakken - Belgische claims - Berging

internationale wateren
zeeruim
territoriale wateren
boot
metaalafval
cultureel erfgoed
bescherming van het erfgoed

Chronologie

7/2/2012 Verzending vraag
8/3/2012 Antwoord

Vraag nr. 5-5530 d.d. 7 februari 2012 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Regelmatig duiken er in de pers berichten op van een spectaculaire vondst en berging van een scheepswrak door het Amerikaans bedrijf Odyssey Marine Exploration. Meestal probeert het bedrijf een overeenkomst te sluiten met de eigenaar van het wrak. Maar soms komt het ook tot een rechtszaak. Zo heeft Spanje onlangs 594 000 zilveren en gouden munten kunnen terugvorderen dat door het bedrijf uit een Spaans oorlogschip werd gehaald.

Het eigenaarschap van het wrak en de cargo is niet altijd even duidelijk en hangt af van verschillende factoren zoals onder andere de locatie (territoriale of internationale wateren).

De minister van Buitenlandse Zaken verwees deze vraag door naar de staatssecretaris van Mobiliteit die op zijn beurt naar de geachte minister verwees.

Hierover de volgende vragen:

1) Bevinden er zich in internationale wateren scheepswrakken die toebehoren aan de Belgische staat? Over welke schepen gaat het hier en hebben deze wrakken een potentiŽle waardevolle lading? Volgt de Belgische staat de situatie van deze wrakken nauwlettend op?

2) Is BelgiŽ al benaderd door een bergingsbedrijf met het voorstel om een Belgisch schip te bergen? Zo ja, met welke resultaten?

Antwoord ontvangen op 8 maart 2012 :

1) Om de antwoorden op de verschillende vragen te kaderen is het nuttig eerst een overzicht te geven van wat er op het gebied van het beschermen van scheepswrakken en ander cultureel erfgoed dat zich in zee in internationale wateren bevindt geregeld is, en hoe in België ter zake de bevoegdheden zijn toebedeeld.

Op 2 november 2001 werd te Parijs tijdens de 31ste zitting van de Algemene Vergadering van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur (UNESCO) het Verdrag ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water aangenomen

Voordien werd het cultureel erfgoed onder water onvoldoende beschermd door het internationale recht of door de meeste nationale wetgevingen. Wel was er het Verenigde-Naties-verdrag betreffende het recht van de zee dat in 1982 aangenomen werd en dat de verdragsluitende staten de verplichting oplegt om archeologische en historische voorwerpen te beschermen maar de behoefte aan een specifiek verdrag voor de bescherming van het cultureel erfgoed werd steeds groter.

Het verdrag verstrengt de internationale bescherming die opgelegd werd in het voormelde Verenigde-Naties-verdrag van 1982. Het doel van het verdrag is een einde te maken aan de handel in cultureel erfgoed onder water en prioriteit te geven aan het beheer en het behoud van dat erfgoed in situ. Als elementen van dat erfgoed toch boven water gehaald of gehouden worden, moeten zij opgeslagen, bewaakt en beheerd worden met het oog op het behoud op lange termijn. Verder legt het verdrag ook regels op voor de manier waarop onderzoeksprojecten moeten worden gevoerd.

De verdragsluitende partijen gaan de verbintenis aan om het cultureel erfgoed onder water te bewaren voor de mensheid waarbij alle mogelijke middelen worden aangewend. Het verdrag bepaalt dat de verdragsluitende partijen:

Bepalingen van intern recht ter bescherming van wrakken in de territoriale zee vallen onder de residuaire bevoegdheid van de federale overheid. De gewesten zijn echter wel (samen met de federale staat) bevoegd voor verdragen (dus op het internationaal vlak) over de bescherming van in zee gevonden archeologische en historische voorwerpen, dat is namelijk een bevoegdheid van de gewesten in verband met monumenten. De internationale bevoegdheid van de gewesten is in dit opzicht ruimer dan hun bevoegdheid om internationaalrechtelijke handelingen in het interne recht om te zetten. Voormelde zienswijze kan worden afgeleid uit het advies 41.029/2/V dat de Raad van State op 11 september 2006 gegeven heeft over het voorontwerp dat aanleiding gegeven heeft tot de wet van 9 april 2007 betreffende de vondst en de bescherming van wrakken.

De werkgroep gemengde verdragen, een adviesorgaan van de Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid (hierna “de ICBB”), heeft in haar vergadering van 13 januari 2003 de gemengde aard van dit verdrag vastgesteld. Zowel de federale staat als de gemeenschappen en gewesten worden bevoegd geacht met betrekking tot bepaalde aangelegenheden van het verdrag. Op 13 maart 2003 heeft de ICBB de beslissing van de werkgroep gemengde verdragen goedgekeurd.

Het Vlaamse Parlement heeft al zijn instemming betuigd met het verdrag (decreet van 16 juli 2010 houdende instemming met het verdrag ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water, aangenomen in Parijs op 2 november 2001).

Met de ordonnantie van 4 september 2008 houdende instemming met het Verdrag ter bescherming van het cultureel erfgoed onder water, goedgekeurd op 2 november 2001 en gedaan te Parijs op 6 november 2001, heeft Brussel zijn instemming al enkele jaren eerder gegeven.

Het verdrag is internationaal in werking getreden op 2 januari 2009.

1) Er bestaan geen dossiers inzake Belgische Wrakken in internationale wateren.

2) België werd nog nooit door een bergingsbedrijf benaderd met een voorstel voor het bergen van een Belgisch schip .