Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-4945

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 23 december 2011

aan de vice-eersteminister en minister van Economie, Consumenten en Noordzee

Palestijnse gebieden - Illegale nederzettingen - Landbouwproducten - Illegale producten - Verkoop in BelgiŽ - Verbod - Identificatie

Palestina
Palestijnse kwestie
IsraŽl
verkoopvergunning
invoerbeperking

Chronologie

23/12/2011 Verzending vraag
26/1/2012 Antwoord

Herindiening van : schriftelijke vraag 5-3877

Vraag nr. 5-4945 d.d. 23 december 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De aanwezigheid van illegale IsraŽlische nederzettingen verlamt al jaren elk vredesproces en veroorzaakt daardoor de onderdrukking en uitbuiting van tienduizenden Palestijnen. Het gevolg is onmiskenbaar, namelijk de grote en groeiende armoede en discriminatie van de 2,4 miljoen Palestijnen die leven op de Westelijke Jordaanoever. De Palestijnen worden immers verplicht om de schaarse natuurlijke bronnen, zoals land en water, gradueel en gedwongen af te staan aan de ingeweken, kolonisten. De illegale nederzettingen en hun infrastructuur maken het dagelijkse leven van de Palestijnen onmogelijk en fnuiken elk optimistisch perspectief.

Op 9 juli 2004 bevestigde het Internationaal Gerechtshof dat de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem de wettelijke status van "bezet gebied" hebben. Overeenkomstig het internationaal recht betekenen de IsraŽlische nederzettingen die op dit grondgebied gebouwd zijn, een flagrante schending van artikel 49 van het vierde Verdrag van GenŤve. Ze zijn dus helemaal en onbetwistbaar onwettig. In de resoluties 446, 452, 465 en 471 beschreef de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de vestiging en uitbreiding van IsraŽlische nederzettingen in het gebied van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook als "niet legaal". Ook de Belgische officiŽle houding ten opzichte van de kolonisatie in bezet gebied stelt een illegaliteit naar internationaal recht en een cruciaal obstakel voor de vrede.

Het lijkt daarom een logische gevolgtrekking dat indien de nederzettingen illegaal zijn, de producten (vooral landbouwproducten) uit deze nederzettingen dat ook zijn. Nochtans worden vele van deze producten vrij verkocht in BelgiŽ.

Hierover de volgende vragen:

1) Is de geachte minister akkoord met de redenering dat producten geproduceerd in deze illegale nederzettingen eveneens illegaal zijn en dus eigenlijk niet mogen verkocht worden in BelgiŽ? Is de Belgische regering bij machte om de verkoop van deze producten te verbieden? Zo ja, zal de geachte minister hieromtrent stappen ondernemen? Zo neen, waarom niet? Is hij bereid om een aanpak hieromtrent aan te kaarten bij zijn collegae van de Europese Unie?

2) Volgens de Europese Commissie zijn de nationale autoriteiten bevoegd voor het voorkomen van misleiding van de consument. Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat producten uit illegale IsraŽlische nederzettingen duidelijk geÔdentificeerd en onderscheiden worden van producten uit het internationaal erkende IsraŽlische grondgebied en van Palestijnse producten? Kan de geachte minister mij verzekeren dat dit systeem sluitend is?

3) Heeft hij een accuraat zicht op de aard, soort en omvang van producten uit illegale nederzettingen die momenteel worden verkocht in BelgiŽ? Kan hij mij hiervan een lijst bezorgen?

Antwoord ontvangen op 26 januari 2012 :

Als antwoord op zijn vragen kan ik het geachte lid het hierna volgende meedelen.

1. De vorige regering heeft al duidelijk laten weten bij monde van haar minister van Buitenlandse Zaken dat België volmondig het standpunt van de Europese Unie steunt om de Palestijnse bezette gebieden niet te erkennen als een deel van de Israëlische staat . Dit houdt ook in dat de producten die geproduceerd zijn in die gebieden niet de Israëlische oorsprongaanduiding kunnen hebben en dus ook niet van de tariefpreferenties, waarvan Israëlische producten bij invoer in de Europese Unie, krachtens het Associatieakkoord tussen de Europese Unie en Israël, kunnen genieten. Producten die de oorsprong “Israël” niet mogen dragen moeten dus bij invoer in de Europese Unie de normale invoerrechten voor derde landen (MFN) betalen, tenzij ze kunnen genieten van een andere preferentiële voorkeursbehandeling.

België is zeker bij machte om de invoer van producten met illegale oorsprongaanduiding tegen te gaan en dus de verkoop ervan te beletten. Het is de bevoegdheid van de Algemene Directie Douane en Accijnzen van de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën om de oorsprong van die producten te controleren bij invoer en indien nodig de correcte, toepasselijke maatregelen te nemen.

2. Zoals ik al aangaf hebben we in België de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming. Indien een inbreuk op de bepalingen van deze wet wordt vastgesteld ten gevolge van een klacht of een andere feedback, dan kan de Algemene Directie Controle en Bemiddeling hiertegen optreden. Deze hypothese heeft zich tot op heden echter nog niet voorgedaan.

De distributeurs hebben het recht om de oorsprong van het product niet te vermelden. Wanneer ze de oorsprong vermelden, moeten zij dit doen op een juiste wijze om de consumenten niet op een dwaalspoor te brengen.

3. Een lijst met goederencodes van uit Israël en/of uit Palestina ingevoerde producten kan verkregen worden bij de Algemene Directie Douane en Accijnzen. Ik merk hierbij op dat als er producten bij zijn uit de bezette gebieden, deze de oorsprong “Israël” niet mogen dragen. Ik heb geen statistieken over de omvang van producten die illegaal deze oorsprong dragen.