Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 4-4150

van Paul Wille (Open Vld) d.d. 18 augustus 2009

aan de minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid

Land- en tuinbouw - Monopolie octrooien - Voedselvoorziening

landbouwsector
tuinbouw
biotechnologie
zaad
octrooi
monopolie
onafhankelijkheid van voedselhulp
kwekersrecht
plantaardige reproductie

Chronologie

18/8/2009Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 17/9/2009)
16/9/2009Antwoord

Vraag nr. 4-4150 d.d. 18 augustus 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Zaadbedrijven vrezen gebrek aan voedsel als biotechmultinationals via octrooien hun greep op de land- en tuinbouw versterken. Zulke monopolies zouden de noodzakelijke vernieuwing van gewassen belemmeren.

Zaadbedrijven mochten vroeger vrij experimenteren met de gewassen van concurrenten, maar biotechbedrijven verhinderen dat nu met een beroep op hun octrooien. Het octrooirecht geldt sinds kort in de land- en tuinbouw. Vroeger werd intellectueel eigendom geregeld via het ruimere 'kwekersrecht'.

In Nederland hebben biotechspelers als Monsanto (VS) en Syngenta (Zwitserland) de Nederlandse regering schriftelijk gevraagd niet in te gaan op de vraag van de kwekers om zoals vanouds de vrijheid te behouden die concurrerende kwekers het recht gaf om met elkaars gewassen nieuwe rassen te ontwikkelen.

Luidens het Nederlandse Centrum Genetische Bronnen van de Wageningse universiteit is het essentieel dat zaadbedrijven nieuwe variŽteiten blijven ontwikkelen. Schimmels, ziekten en insecten passen zich aan nieuwe gewassen aan, die daardoor een beperkte levensduur hebben. Het ontwikkelen van nieuwe variŽteiten is dus een permanente race tegen de klok.

Biotechbedrijven gebruiken sinds de jaren tachtig octrooien om hun veredelingstechniek af te schermen. Door de grote consolidatieslag in de wereld van het zaad sinds de opkomst van biotechnologie beheersen slechts tien bedrijven tweederde van de markt voor 'merkzaden'.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1) Bent u op de hoogte van mogelijke problemen inzake de mogelijkheid om nieuwe zaden en gewassen te ontwikkelen tengevolge monopolievorming bij de octrooihouders van zaden en gewassen? Zo neen, gaat u zich informeren en kan u dit toelichten? Zo ja, hoe reageert u op deze problemen?

2) Is er ook in ons land een probleem tengevolge te rigide interpretatie en/of te rigide regelgeving wat betreft de octrooien op zaden en gewassen en mogelijkheden voor zaaibedrijven om nieuwe variŽteiten te ontwikkelen?

3) Werd u reeds aangeschreven of gecontacteerd oor biotechspelers om de te voorkomen dat zaadbedrijven nieuwe variŽteiten uit bestaande zaden zouden ontwikkelen zonder de toestemming van de octrooihouders? Zo ja, welke bedrijven contacteerden u en wat werd er gevraagd en hoe reageerde u op hun aanvragen?

4) Bent u voorstander van de vrijheid voor concurrerende kwekers om met elkaars gewassen nieuwe rassen te ontwikkelen? Zo neen, waarom niet en kan u dit toelichten? Zo ja, hoe gaat u dit afdwingbaar maken?

5) Vreest u niet dat de houding van bepaalde biotechbedrijven de voedselvoorziening in gevaar brengen doordat schimmels, ziekten en insecten zich aanpassen aan nieuwe gewassen die daardoor een beperkte levensduur en kwekers onvoldoende nieuwe variŽteiten kunnen ontwikkelen door de rigide houding van bepaalde biotechbedrijven?

Antwoord ontvangen op 16 september 2009 :

In antwoord op zijn vraag, heb ik de eer het geachte lid het volgende mee te delen :

1. Ook al is de in de vraag beschreven problematiek vaak in de actualiteit aangevoerd, werd ik er nog niet rechtstreeks op de hoogte van gesteld door de betrokken beroepsverenigingen.

Als minister bevoegd voor landbouw, meen ik dat de in de vraag beschreven problematiek gevoelig is en dat het inderdaad belangrijk is om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van nieuwe zaden en planten niet afgeremd wordt door een onrechtmatige uitoefening van de intellectuele eigendomsrechten.

2. Zoals hierboven aangeduid, hebben de beroepsverenigingen mij niet rechtstreeks op de hoogte gebracht van moeilijkheden als gevolg van een te strenge interpretatie van het bestaande wettelijk kader.

Ter herinnering wordt erop gewezen dat de Belgische Octrooiwet in 2005 geamendeerd is om de richtlijn 98/44/EG van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen in Belgisch recht om te zetten. Deze richtlijn verduidelijkt in de eerste plaats het verschil tussen uitvindingen en ontdekkingen in de biologische en biotechnologische sector. Deze richtlijn wijzigt de fundamentele voorwaarden voor octrooieerbaarheid (nieuwheid, uitvinderswerkzaamheid en toepasbaarheid op het gebied van de technologie) niet.

Krachtens de Europese richtlijn, voorziet ze met name in haar artikel 4 dat:

§1. Niet octrooieerbaar zijn :

  1. planten - en dierenrassen ;
    2) werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren.

§1bis . Een uitvinding die betrekking heeft op planten en dieren, is octrooieerbaar als de uitvoerbaarheid van die uitvinding zich technisch gezien niet beperkt tot een bepaald planten- of dierenras.

§1ter. Lid 1 laat de octrooieerbaarheid van de uitvindingen onverlet die betrekking hebben op een microbiologische of andere technische werkwijze of op een met behulp van deze werkwijze verkregen voortbrengsel”.

De wetgeving voorziet bovendien in bepaalde omstandigheden aanpassingen aan de bescherming van de biotechnologische uitvindingen door het octrooirecht.

Krachtens de richtlijn 98/44/EG voorziet de wet in haar artikel 31 §1, 3° et 4°, in de mogelijkheid wegens afhankelijkheid tussen plantenrassen en uitvindingen en omgekeerd, niet exclusieve dwanglicenties te verkrijgen.

Een andere soepelheid wordt voorzien in artikel 28, §1, b) van de Belgische octrooiwet, die de uitzonderingen definieert op het exclusieve exploitatierecht dat wordt verleend door het octrooi. Artikel 28, §1, b), luidt: “De uit een octrooi voortvloeiende rechten strekken zich niet uit tot handelingen die op en/of met het voorwerp van de geoctrooieerde uitvinding worden verricht, voor wetenschappelijke doeleinden”.

Uit de rechtspraak en rechtsleer blijkt dat de term “op” slaat op proefnemingen waarbij wordt nagegaan of de geoctrooieerde uitvinding werkt en kan worden toegepast m.a.w. onderzoek van de activiteit, functie, bruikbaarheid of werkbaarheid van het geoctrooieerde zelf, of proefnemingen met het oog op het verzamelen van bewijsmateriaal voor het aantonen van gebrek aan uitvinderswerkzaamheid of gebrek aan nieuwheid van de geoctrooieerde uitvindingen. Evenzo blijkt uit de rechtsleer en de rechtspraak dat de term “met” slaat op proefnemingen waarbij het geoctrooieerde wordt ingezet bij onderzoek naar iets anders, met andere woorden waarbij het geoctrooieerde wordt gebruikt als middel, als instrument. De onderzoeksexceptie slaat zowel op handelingen met zuiver wetenschappelijke doeleinden, als handelingen met gemengd wetenschappelijk-commerciële doeleinden (cfr. het verslag namens de Commissie voor het bedrijfsleven, het wetenschapsbeleid, het onderwijs, de nationale wetenschappelijke en culturele instellingen, de middenstand en de landbouw van de Kamer van volksvertegenwoordigers bij de bespreking van het wetsvoorstel op 7 maart 2005 in DOC 51- 1348/006, pagina 58).

Tenslotte moet ik eveneens te verwijzen naar de evoluties in het kwekersrecht. In 1961 werd het Internationale Verdrag tot bescherming van kweekproducten te Parijs ondertekend. Het UPOV-Verdrag werd in 1968 van kracht en werd in 1972, 1978 en 1991 herzien.

De versie van 1991 van het UPOV verdrag verduidelijkt onder meer dat er bij het « farmer’s privilege » (wat voor de landbouwer inhoudt dat hij een deel van zijn oogst bewaart – de hoevezaden – om het volgende seizoen zijn velden te bewerken) een redelijke vergoeding dient betaald te worden, en houdt een uitbreiding in van het kwekersrecht naar rassen die in wezen afgeleid zijn van het beschermde ras.

België trad toe tot het Verdrag van 1961, dat werd gewijzigd door de bijkomende Akte van 1972 (wet van 20 mei 1975 tot bescherming van de kweekproducten). België is echter nog niet toegetreden tot het UPOV-Verdrag van 1991.

Het communautaire beschermingssysteem van de kweekproducten (cfr. Verordening van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht) is wel gebaseerd op de Akte van 1991 van het UPOV-Verdrag.

Er dient op te worden gewezen dat België gebonden is door deze communautaire verordening en dus niet mag afwijken van de door deze verordening voorziene bescherming.

3. Ik heb geen aanvraag gekregen van biotechnologische ondernemingen om te vermijden dat nieuwe variëteiten ontwikkeld worden vanuit de bestaande variëteiten zonder de toestemming van houders van intellectuele eigendomsrechten.

4. et 5. Zoals hierboven aangeduid meen ik als bevoegde minister dat de in de vraag beschreven problematiek gevoelig is en dat het inderdaad belangrijk is om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van nieuwe zaden en planten niet afgeremd wordt door een onrechtmatige uitoefening van de intellectuele eigensdomsrechten.

Als een dergelijke uitoefening bewezen is, zou dit door de hoven en rechtbanken kunnen bestraft worden op basis van de theorie van rechtsmisbruik of van de wetgeving ter bescherming van de economische mededinging. Bovendien dienen, gezien de Europese verplichtingen van België, dergelijke onrechtmatige praktijken op het niveau van de Europese Unie te worden meegedeeld in het kader van de evaluatiemechanismen van de betrokken communautaire instrumenten.