SÉNAT DE BELGIQUE BELGISCHE SENAAT
________________
Session 2014-2015 Zitting 2014-2015
________________
26 juin 2015 26 juni 2015
________________
Question écrite n° 6-684 Schriftelijke vraag nr. 6-684

de Lode Vereeck (Open Vld)

van Lode Vereeck (Open Vld)

au vice-premier ministre et ministre de la Coopération au développement, de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste

aan de vice-eersteminister en minister van Ontwikkelingssamenwerking, Digitale Agenda, Telecommunicatie en Post
________________
Politique de développement belge - Réforme - Coopération entre les différents acteurs Belgisch ontwikkelingsbeleid - Hervorming - Samenwerking tussen de verschillende actoren 
________________
aide au développement
Société belge d'investissement pour les pays en développement
réforme politique
ontwikkelingshulp
Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden
politieke hervorming
________ ________
26/6/2015Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 30/7/2015)
10/8/2015Antwoord
26/6/2015Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 30/7/2015)
10/8/2015Antwoord
________ ________
Question n° 6-684 du 26 juin 2015 : (Question posée en néerlandais) Vraag nr. 6-684 d.d. 26 juni 2015 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Dans sa déclaration de politique du 14 novembre 2014, relative à la Coopération au développement, le ministre annonce vouloir réaliser une réforme en profondeur, en « concertation avec tous les acteurs de la coopération belge au développement ». La nouvelle politique belge en matière de coopération au développement devra s'articuler autour de deux grands axes: une approche fondée sur les droits et une croissance économique durable. La politique au développement concentrera en outre son attention sur quatre thèmes: (1) le développement humain et social, (2) l'environnement, le climat et les richesses naturelles, (3) la consolidation de la société et (4) l'aide humanitaire et la résilience.

Le ministre indique encore dans sa déclaration de politique que « le gouvernement entend résolument miser sur l'appui au secteur privé local dans les pays partenaires, surtout en faveur des micro, petites et moyennes entreprises ». La Société belge d'investissement pour les pays en développement (Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden - BIO) axera donc ses investissements sur un rendement accru en termes de développement, conforme à nos thèmes prioritaires. Selon le ministre, « Le gouvernement encouragera BIO à attirer davantage de capitaux privés ».

Dans sa déclaration de politique, le ministre exprime l'ambition de pouvoir peser suffisamment dans la balance en tant qu'acteur de la coopération au développement dans les pays où la Belgique est présente, « ce qui », selon le ministre, « n'est possible que si l'on réunit l'ensemble des instruments au service d'une approche intégrée où tous les acteurs de la coopération belge au développement se renforcent mutuellement ».

C'est de cette ambition d'implication et de coopération de tous les acteurs au sein de la coopération au développement belge que ressort le caractère transversal de ma question. Ce caractère transversal est de plus renforcé par le fait que l'aide au développement ne forme qu'un élément du développement économique et social. Plusieurs facteurs interviennent en la matière. Ils relèvent d'autres domaines politiques aux niveaux supranational, fédéral et régional. Il convient d'être attentif à la cohérence politique entre les différents niveaux de pouvoir.

1. Dans sa déclaration de politique, le ministre s'est engagé à procéder à une réforme en profondeur de la politique belge en matière d'aide au développement.

a. Quels acteurs sont-ils/ont-ils été associés à la réforme de l'approche stratégique de la coopération belge au développement? Des acteurs des différentes entités fédérées y ont-ils également été associés? Dans l'affirmative, lesquels?

b. Quand une concertation a-t-elle été menée en la matière et avec qui?

c. Quelle méthode de travail a-t-elle été utilisée et quel est le calendrier prévu?

2. De quelle manière le gouvernement encouragera-t-il la Société belge d'investissement pour les pays en développement (BIO) à attirer davantage de capitaux privés? Un objectif quantitatif a-t-il été prévu? Selon le ministre, de quelles possibilités la BIO dispose-t-elle pour réaliser ce défi? Comment la BIO peut-elle travailler au mieux en la matière?

3. D'après la déclaration de politique, la BIO se retirera des fonds et entreprises qui se cachent dans des paradis fiscaux.

De quels fonds et entreprises la BIO s'est-elle retirée l'année dernière? Quels fonds et entreprises « soupçonne-t-on » et sont-ils actuellement réévalués?

4. D'après le ministre, la coopération universitaire est une réussite. Selon la déclaration de politique, les centres universitaires et établissements scientifiques sont renforcés et les étudiants boursiers obtiennent de nouvelles perspectives.

Dans le cadre de cet objectif, une concertation est-elle menée avec les ministres des gouvernements des entités fédérées compétents pour l'enseignement et la politique scientifique?

Dans l'affirmative, de quelle manière travaille-t-on en la matière?

Dans la négative, pourquoi?

 

De minister kondigt in zijn beleidsverklaring Ontwikkelingssamenwerking van 14 november 2014 aan een grondige hervorming te zullen doorvoeren "in overleg met alle actoren van de Belgische ontwikkelingssamenwerking". In het hervormde Belgische beleid inzake ontwikkelingssamenwerking dienen twee assen centraal te staan: een rechtenbenadering en duurzame economische groei. De aandacht van het ontwikkelingsbeleid wordt bovendien geclusterd rond vier thema's: (1) menselijke en sociale ontwikkeling, (2) milieu, klimaat en natuurlijke rijkdommen, (3) maatschappijopbouw en (4) humanitaire hulp en veerkracht (resilience).

De minister stelt verder in zijn beleidsverklaring dat de regering uitdrukkelijk wil inzetten "op de ondersteuning van de lokale privésector in de partnerlanden, vooral van de micro-, kleine en middelgrote ondernemingen". Bij investeringen van de Belgische Investeringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (BIO) moet de focus voortaan liggen op meer ontwikkelingsrendement in lijn met de prioritaire thema's. "De regering zal de BIO aanmoedigen om meer private middelen aan te trekken", aldus de minister.

De minister uit in zijn beleidsverklaring de ambitie om in die landen waar België als actor op het vlak van ontwikkelingssamenwerking aanwezig is, voldoende gewicht in de schaal te leggen en het verschil te maken. "Dit is slechts mogelijk indien alle instrumenten gebundeld worden in een geïntegreerde aanpak", aldus de minister, "waarbij alle actoren van de Belgische ontwikkelingssamenwerking elkaar versterken."

Uit deze ambitie van betrokkenheid en samenwerking van alle actoren binnen de ontwikkelingssamenwerking in België blijkt het transversale karakter van mijn vraagstelling. Dit transversale karakter wordt bovendien versterkt door het feit dat ontwikkelingshulp maar één element vormt van economische en sociale ontwikkeling. Meerdere factoren spelen hierin een rol. Deze factoren vallen onder andere beleidsdomeinen op supranationaal, federaal en regionaal vlak. Aandacht voor beleidscoherentie over de verschillende overheidsniveaus heen is aan de orde.

1. De minister engageert zich in zijn beleidsverklaring tot een grondige hervorming van het Belgische beleid inzake ontwikkelingshulp.

a. Welke actoren worden/zijn betrokken bij de hervorming van de strategische aanpak van de Belgische ontwikkelingssamenwerking? Worden hierbij ook actoren uit de verschillende deelstaten betrokken? Zo ja, wie?

b. Wanneer heeft er hieromtrent al overleg plaatsgevonden en met wie?

c. Volgens welke werkwijze wordt er te werk gegaan en wat is het vooropgestelde tijdspad?

2. Op welke manier zal de regering de Belgische Investeringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden aanzetten tot het aantrekken van meer private middelen? Werd er een kwantitatieve doelstelling vooropgesteld? Welke mogelijkheden ziet de minister voor de BIO om deze uitdaging te realiseren? Hoe kan de BIO hierin best te werk gaan?

3. Volgens de beleidsverklaring zal de BIO zich terugtrekken uit fondsen en ondernemingen die zich in belastingparadijzen verschuilen.

Uit welke van dergelijke fondsen en ondernemingen heeft de BIO zich het afgelopen jaar reeds teruggetrokken? Welke fondsen en ondernemingen zijn 'verdacht' en worden thans herbekeken?

4. Universitaire samenwerking is volgens de minister een succesverhaal. Volgens de beleidsverklaring worden universitaire centra en wetenschappelijke instellingen versterkt en krijgen beursstudenten nieuwe perspectieven.

Wordt in het kader van deze doelstelling overleg gepleegd met de ministers van de deelstaatregeringen die bevoegd zijn voor het onderwijs- en/of wetenschapsbeleid?

Zo ja, hoe wordt er ter zake te werk gegaan?

Zo neen, waarom niet?

 
Réponse reçue le 10 aôut 2015 : Antwoord ontvangen op 10 augustus 2015 :

1) En ce qui concerne la réforme de la Coopération belge au développement, je tiens à rappeler l'honorable membre que le Conseil des ministres fédéral a déjà donné son accord le 21 mai 2015 pour une nouvelle liste de quatorze pays partenaires qui comprend deux nouveaux pays, en particulier la Guinée et le Burkina Faso.

Le même jour, le Conseil des ministres a décidé de réviser la liste des organisations internationales partenaires de la coopération multilatérale et de la réduire à quinze organisations, en vue d'un meilleur alignement avec la coopération gouvernementale.

Enfin, la liste des organisations non gouvernementales (ONG) partenaires de la Coopération belge au développement, est en cours de réforme.

Ainsi, la Coopération belge au développement entend se focaliser, dans les années qui viennent, sur les pays fragiles et les zones post-conflits. Elle opérera dans des régions géographiquement homogènes : l'Afrique du Nord et de l'Ouest et la région des Grands Lacs. Cet accent thématique et géographique permet d'éviter le saupoudrage et d'avoir une approche cohérente des problèmes transfrontaliers, tels que la paix, la sécurité, la stabilité régionale, le climat et la migration.

J’ai également indiqué que la Belgique a l'ambition d'augmenter la proportion de son aide publique au développement (ODA) aux Pays les moins avancés à 50 % minimum, par rapport à 30 % aujourd'hui.

Les entités fédérées ne sont pas impliquées dans cette revue stratégique.

2) La Société belge d’investissement pour les pays en développement–BIO est elle-même demandeuse d’attirer davantage de moyens privés, et ce pour plusieurs raisons :

– parvenir à canaliser des financements privés vers les pays en développement (et ainsi augmenter l’effet de levier de BIO sans endettement supplémentaire) ;

– générer des économies d’échelle entre BIO et un nouveau Fonds, qui serait créé avec des capitaux privés, de manière à « faire plus » tout en restant dans la limite, fixée par le Contrat de gestion, de 1,1 % des moyens apportés aux fonds propres en ce qui concerne les coûts opérationnels ;

– reconnecter davantage BIO avec le secteur privé dans lequel elle opère ;

– permettre une nouvelle source de financement pour des opérations de BIO à long terme.

Le scénario dont l’analyse est actuellement privilégiée consiste en la création d’un Fonds d’investissement qui serait financé à 95 % par des investisseurs privés et géré par BIO.

3) Pour répondre à cette question, je me réfère principalement au contrat de gestion entre BIO et l'État belge.

Fin de l'année 2014, une nouvelle stratégie d'investissement de BIO a été approuvée par son conseil d'administration. La sortie des Offshore Financial Centers (OFC) sera menée selon le plan suivant.

En ce qui concerne le portefeuille actuel dans des territoires étrangers exclues par la loi, les centres financiers suivants par lesquels BIO avait investi dans le passé ne sont plus permis : les Bahamas, les îles Caïmans, Chypre, Guernesey, le Luxembourg et le Panama. Au 31 décembre 2014, BIO avait alloué, par ces juridictions, 69 millions d'euros pour quatorze investissements.

BIO utilisera l'approche suivante dans le but de quitter les structures dans les juridictions qui sont exclus par la loi d'ici la fin de 2017 :

– pour six institutions basées au Luxembourg, BIO réexaminera la situation en 2015, étant donné qu’en 2015 il est prévu que le pays se conforme avec le Forum mondial sur la transparence et l'échange de renseignements à des fins fiscales de l'Organisation pour la coopération et le développement économiques (OCDE), afin que cette juridiction soit de nouveau éligible, et décidera ensuite si une sortie proactive doit être envisagée ;

– pour les cinq investissements en dehors du Luxembourg avec une échéance jusqu'en 2017, BIO est en train de diminuer ces positions progressivement par le remboursement du prêt à terme ou en retirant des investissement des fonds ;

– pour les trois intérêts de portefeuille avec une date d'échéance après 2017, BIO fera tous les efforts pour présenter des plans de sortie à l'approbation du conseil d'administration, qui devront être achevés avant la fin de 2017, ainsi que les implications financières. Il appartient au conseil d'administration de se prononcer sur ce trajet et ainsi d’équilibrer l'objectif de quitter ces intérêts par la fin de 2017 contre les rendements inférieurs attendus ou bien les pertes sur ces investissements.

Quant aux précautions concernant les investissements futurs par BIO dans des juridictions offshore qui ne sont pas exclus par la loi, BIO explicitera à l'avenir les raisons pour lesquelles un projet – fonds, société d'investissement ou holding – est situé dans un pays autre que le pays du destinataire final : par exemple, la valeur ajoutée d'une facilité offshore au lieu d'un investissement direct dans les société cibles, l'existence ou l'absence d'une alternative onshore appropriée, la confirmation que les sociétés cibles seront imposés dans leur pays d'immatriculation, conformément aux lois et règlements applicables en matière de fiscalité, et le statut du pays dans l'examen par les pairs du Forum mondial sur la transparence et l'échange de renseignements à des fins fiscales.

Lors de l'analyse des projets potentiels, tous les flux entre société mère et filiale seront aussi évalués à leur juste valeur et vérifiés s’ils ne sont pas utilisés pour masquer un transfert de bénéfices aux juridictions ayant un taux d’impôts moins élevé afin d'échapper à l'impôt. Ce genre de dispositions seront incluses dans les accords conclus par BIO avec ses clients.

4) La coopération entre universités du Nord et du Sud et entre institutions scientifiques du Nord et du Sud est fondamentale en termes de renforcement des capacités des pays partenaires de la Coopération belge. L’octroi de bourses à des ressortissants de ces pays s’inscrit également dans cette perspective de renforcement de capacités des institutions du Sud, notamment en assurant la relève académique et la formation des chercheurs du Sud.

Il n’est prévu aucune rencontre avec les ministres des entités fédérées. En effet, dans le cadre de ces programmes, les universités, hautes écoles et institutions scientifiques agissent en tant qu’acteur de développement plutôt que dans le cadre de leurs objectifs académiques. La Coopération belge leur reconnaît un droit d’initiative. Les programmes qu’ils proposent au financement doivent néanmoins cadrer dans les politiques des pays du Sud.

1) Wat betreft de hervorming van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking wens ik het geachte lid in herinnering te brengen dat de federale Ministerraad reeds op 21 mei 2015 haar akkoord heeft gegeven voor een nieuwe lijst van veertien partnerlanden die twee nieuwe partnerlanden omvat, met name Guinee en Burkina Faso.

Eveneens op 21 mei 2015 besliste de Ministerraad om de lijst van de internationale partnerorganisaties van de multilaterale samenwerking te herzien en terug te brengen tot vijftien organisaties, met oog op een betere afstemming op de gouvernementele samenwerking.

De lijst van niet-gouvernementele partnerorganisaties van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, ten slotte, wordt momenteel hervormd.

De Belgische Ontwikkelingssamenwerking zal zich daarmee in de komende jaren focussen op fragiele landen en post-conflictzones. Ze zal dat doen in geografisch homogene regio's : Noord- en West-Afrika en de regio van de Grote Meren. De inhoudelijke en geografische focus gaat versnippering tegen en laat een coherente aanpak toe van grensoverschrijdende problemen, zoals vrede, veiligheid, regionale stabiliteit, klimaat en migratie.

Verder heb ik ook reeds aangegeven dat België de ambitie heeft om het aandeel van haar Officiële Ontwikkelingshulp (ODA) voor de Minst Ontwikkelde Landen op te trekken naar 50 %, tegenover zo’n 30 % vandaag de dag.

De deelstaten zijn niet betrokken in deze strategische herziening.

2)à De Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (BIO) is zelf vragende partij om meer private middelen aan te trekken en dit voor verschillende redenen :

– erin slagen om private financiering naar de ontwikkelingslanden te kanaliseren (en op die manier het hefboomeffect van BIO verhogen, zonder bijkomende schuldenlast) ;

– het realiseren van schaalvoordelen tussen BIO en een nieuw fonds, dat gestoeld zou zijn op privaat kapitaal, om « meer » te kunnen doen binnen de limieten, vastgelegd door het beheerscontract, van 1,1 % aangebrachte middelen op eigen fondsen wat betreft de operationele kosten ;

– het beter laten aansluiten van BIO met de private sector waarin zij opereert ;

– een nieuwe bron van financiering toelaten voor BIO-operaties op lange termijn.

Op dit ogenblik bestaat het voorkeurscenario in het oprichten van een Investeringsfonds dat voor 95 % zou worden gefinancierd door private investeerders en beheerd door BIO.

3) Ter antwoord op deze vraag verwijs ik in eerste instantie naar het beheerscontract tussen BIO en de Belgische Staat.

Eind 2014 werd de nieuwe investeringsstrategie van BIO door haar raad van bestuur goedgekeurd. De exit van Offshore Financial Centers (OFC) zal volgens het volgende plan uitgevoerd worden.

Wat betreft de huidige portfolio in offshore rechtsgebieden die door de wet zijn uitgesloten, zijn de volgende financiële centra via welke BIO in het verleden heeft geïnvesteerd niet langer toegestaan : Bahama’s, Kaaimaneilanden, Cyprus, Guernsey, Luxemburg en Panama. Per 31 december 2014 had BIO via deze rechtsgebieden 69 miljoen euro toegezegd voor veertien investeringen.

BIO zal de volgende aanpak hanteren met de bedoeling tegen einde 2017 uit structuren te stappen in de rechtsgebieden die door de wet zijn uitgesloten :

– voor zes in Luxemburg gevestigde instellingen zal BIO, gezien het feit dat het land naar verwachting tegen 2015 in orde zal zijn met het Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) zodat dit rechtsgebied opnieuw in aanmerking zou komen, de situatie in 2015 herbekijken en dan beslissen of een proactieve uitstap overwogen dient te worden ;

– voor de vijf investeringen buiten Luxemburg met een vervaldag tot 2017 is BIO deze posities momenteel gaandeweg aan het afwikkelen via terugbetaling van de lening op termijn of door investeringen aan de fondsen te onttrekken ;

– voor de drie portfoliobelangen met een vervaldag na 2017 zal BIO alles in het werk stellen om uitstapplannen ter goedkeuring voor te leggen aan de raad van bestuur, die vóór einde 2017 gerealiseerd moeten zijn, samen met de financiële gevolgen daarvan. Het is aan de raad van bestuur om over deze uitstapplannen te beslissen en zo de doelstelling om tegen einde 2017 uit die belangen te stappen in evenwicht te brengen met de verwachte lagere rendementen of verliezen op deze investeringen.

Wat betreft de voorzorgsmaatregelen betreffende toekomstige investeringen van BIO in offshore rechtsgebieden die niet zijn uitgesloten door de wet, zal BIO in de toekomst de redenen vermelden waarom een project – fonds, investeringsmaatschappij of holding – is gevestigd in een land dat niet het land van de eindbegunstigde is : bijvoorbeeld de toegevoegde waarde van het gebruik van een offshore-faciliteit in plaats van een rechtstreekse investering in de beoogde vennootschappen, het al dan niet aanwezig zijn van een passend onshore-alternatief, bevestiging dat de beoogde vennootschappen volgens de geldende wet- en regelgeving aan belastingheffing zullen worden onderworpen in hun land van registratie, en de status van het land in de collegiale toetsing van het Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes. Tijdens de analyse van potentiële projecten zal ook worden nagegaan of alle stromen tussen moeder- en dochtermaatschappijen plaatsvinden tegen marktwaarde en of ze niet worden gebruikt om een overdracht van winsten naar rechtsgebieden met lagere belastingen te maskeren om op die manier de belastingen te ontduiken. Bepalingen in die zin zullen worden opgenomen in de overeenkomsten die BIO met haar klanten sluit.

4) De samenwerking tussen universiteiten in Noord en Zuid en tussen wetenschappelijke instellingen in Noord en Zuid is fundamenteel wat betreft de capaciteitsversterking in de partnerlanden van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking. Ook de toekenning van beurzen aan burgers van deze landen schrijft zich in dit perspectief van capaciteitsversterking inzake de instellingen in het Zuiden, met name de academische aflossing en de vorming van onderzoekers in het Zuiden.

Er is geen ontmoeting voorzien met de ministers van de gefedereerde entiteiten. In het kader van deze programma’s ageren de universiteiten, hogescholen en wetenschappelijke instellingen inderdaad eerder als ontwikkelingsactoren, dan in het kader van hun academische doelstellingen. De Belgische Ontwikkelingssamenwerking erkent hen daarin een initiatiefrecht. De programma’s die zij voor financiering voorleggen dienen desalniettemin te kaderen in het beleid van de landen in het Zuiden.