SÉNAT DE BELGIQUE BELGISCHE SENAAT
________________
Session 2014-2015 Zitting 2014-2015
________________
15 janvier 2015 15 januari 2015
________________
Question écrite n° 6-392 Schriftelijke vraag nr. 6-392

de Bert Anciaux (sp.a)

van Bert Anciaux (sp.a)

au vice-premier ministre et ministre de l'Emploi, de l'Economie et des Consommateurs, chargé du Commerce extérieur

aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel
________________
Allocation d'insertion - Mesure d'exclusion - Centres publics d'aide sociale (CPAS) - Incidence - Demandes de revenu d'intégration sociale - Charge de travail accrue - Octroi de moyens supplémentaires Inschakelingsuitkering - Uitsluitingsbeslissing - Openbare Centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW) - Impact - Vragen op leeflonen - Bijkomende werklast - Ter beschikking stelling van aanvullende middelen 
________________
assurance chômage
sanction administrative
chômeur
CPAS
revenu minimal d'existence
werkloosheidsverzekering
administratieve sanctie
werkloze
OCMW
minimumbestaansinkomen
________ ________
15/1/2015 Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 19/2/2015 )
13/3/2015 Antwoord
15/1/2015 Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 19/2/2015 )
13/3/2015 Antwoord
________ ________
Question n° 6-392 du 15 janvier 2015 : (Question posée en néerlandais) Vraag nr. 6-392 d.d. 15 januari 2015 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

La limitation du droit à une allocation d'insertion exclura de nombreuses personnes et fera perdre à des milliers leur allocation.

En 2015, dans la seule Région de Bruxelles-Capitale, plus de huit mille individus seront privés d'allocation de chômage. Ils se verront contraints de s'adresser aux CPAS pour obtenir le minimum vital.

Par cette mesure d'exclusion, les autorités fédérales poussent donc plusieurs milliers de gens vers les CPAS, ce qui coûtera fort cher à ces derniers. Ce ne sont pas seulement les moyens destinés au revenu d'intégration, mais aussi les budgets de fonctionnement des CPAS eux-mêmes qui exploseront.

1) Le ministre, en tant que responsable de la mesure d'exclusion prise par les autorités fédérales, a-t-il une quelconque idée de l'incidence sur les CPAS?

2) Les autorités fédérales mettront-elles des moyens à la disposition des CPAS pour pouvoir répondre aux demandes des exclus?

3) Les autorités fédérales, par l'intermédiaire des Régions, mettront-elles des moyens à la disposition des CPAS pour pouvoir supporter la charge de travail supplémentaire?

4) Quelle somme le gouvernement fédéral dégagera-t-il pour les Régions, afin qu'elles puissent supporter le coût de la mesure fédérale?

5) S'est-on déjà concerté avec les Régions, politiquement responsables des CPAS, quant à cette charge de travail additionnelle pour ceux-ci? Si oui, quand et avec qui? Si non, quand cette concertation aura-t-elle lieu?

6) Le ministre se concertera-t-il avec la ministre et avec la secrétaire d'État chargées, au sein du gouvernement fédéral, de la politique sociale?

 

Door de beperking van het recht op een inschakelingsuitkering worden heel wat mensen uitgesloten en verliezen duizenden mensen hun uitkering.

Alleen al binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gaan in 2015 meer dan achtduizend mensen uitgesloten worden uit de werkloosheidsuitkering. Ze zullen zich noodgedwongen tot de OCMW's moeten richten om een bestaansminimum te kunnen krijgen.

De federale overheid stuurt dus door haar uitsluitingsmaatregel vele duizenden mensen naar het OCMW. Het zal de OCMW's een pak geld kosten. Niet alleen de middelen voor het betalen van het leefloon, maar ook de werkingsmiddelen zelf van de OCMW's zullen fors de hoogte ingaan.

1) Heeft de minister, als verantwoordelijke voor de uitsluitingsbeslissing van de federale overheid, enig idee wat de impact zal zijn op de OCMW's ?

2) Zal de federale overheid middelen ter beschikking stellen van de OCMW's om te kunnen voldoen aan de vragen van de uitgeslotenen ?

3) Zal de federale overheid, via de Gewesten, middelen ter beschikking stellen van de OCMW's om deze forse bijkomende werklast te kunnen dragen?

4) Hoeveel geld zal de federale regering vrijmaken voor de Gewesten, zodat ze de kosten van de federale beslissing kunnen dragen ?

5) Is er over deze bijkomende opdracht voor de OCMW's al overleg geweest met de Gewesten, die politiek verantwoordelijk zijn voor de werking van de OCMW's? Zo ja, wanneer vond het overleg plaats en met wie? Zo neen, wanneer zal dat overleg plaatsvinden ?

6) Zal de minister overleg plegen met de minister en staatssecretaris die in de federale regering bevoegd zijn voor het sociaal beleid?

 
Réponse reçue le 13 mars 2015 : Antwoord ontvangen op 13 maart 2015 :

En complément de mes réponses à vos questions écrites nos 6-390 et 6-391, je puis vous communiquer ce qui suit.

Les personnes qui ont épuisé leur crédit d’allocations d’insertion peuvent en effet s’adresser au centre public d’action sociale (CPAS) pour obtenir éventuellement un revenu d’intégration. Je souhaite toutefois souligner que la perte des allocations d’insertion n’ouvre pas automatiquement le droit au revenu d’intégration : en effet, les allocations d’aide sociale, contrairement aux allocations de sécurité sociale, dépendent du résultat sur l’enquête sur les moyens d’existence dont la personne dispose.

Parmi le nombre maximum de personnes susceptibles de perdre leurs allocations d’insertion en janvier 2015, plus de la moitié sont des « cohabitants », selon la terminologie de l’Office national de l’emploi (ONEm) : cela signifie qu’ils vivent avec une ou plusieurs personnes, dont au moins une dispose d’un revenu professionnel ou d’un revenu de remplacement propre. Une grande partie d’entre eux n’entreront sans doute pas en ligne de compte pour un revenu d’intégration. Mais certains isolés (environ 15 % du groupe susceptible de perdre ses allocations en janvier 2015) et chômeurs avec charge de famille (environ 31 %) n’entreront pas non plus en ligne de compte pour un revenu d’intégration : s’ils ne disposent pas d’un revenu professionnel ou d’un revenu de remplacement, ils peuvent néanmoins disposer d’autres moyens de subsistance. Il est donc impossible de dire dès à présent combien d’entre eux obtiendront finalement un revenu d’intégration.

Cette problématique a récemment fait l’objet d’une concertation entre l'État fédéral, les Régions et les Communautés. Lors du Comité de concertation du 28 janvier 2015, l'État fédéral s’est engagé à « évaluer l’impact d’un transfert éventuel des charges vers les CPAS et appliquer, si nécessaire, la compensation prévue dans le budget ».

La charge supplémentaire effective pour les CPAS sera donc cartographiée et évaluée, après quoi, les décision appropriées pourront être prises en concertation.

Aanvullend bij mijn antwoorden op uw schriftelijke vragen nrs. 6-390 en 6-391, het volgende.

De personen die hun krediet aan inschakelingsuitkeringen hebben uitgeput, kunnen inderdaad gaan aankloppen bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) om eventueel een bestaansminimum te bekomen. Ik wil er wel op wijzen dat dit verlies aan inschakelingsuitkeringen niet automatisch het recht opent op een bestaansminimum : sociale bijstandsuitkeringen zijn immers, in tegenstelling tot sociale zekerheidsuitkeringen, afhankelijk van het resultaat van het onderzoek naar de bestaansmiddelen waarover de persoon beschikt.

Van het maximaal aantal personen die in januari 2015 eventueel hun inschakelingsuitkeringen verliezen, is meer dan de helft « samenwonende » in de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening (RVA)-terminologie : dit betekent dat ze samenwonen met één of meerdere personen waarvan minstens één een eigen beroeps- of vervangingsinkomen heeft. Een groot deel van hen zal dus wellicht niet in aanmerking komen voor een leefloon. Maar ook onder de alleenwonenden (ongeveer 15 % van de groep die mogelijks in januari 2015 zijn uitkeringen verliest) en onder de werklozen met gezinslast (ongeveer 31 %) zullen er zijn die niet in aanmerking komen voor een leefloon : ze beschikken wel niet over een beroeps- of vervangingsinkomen, maar kunnen andere bestaansmiddelen hebben. Het is dus onmogelijk om nu reeds te zeggen hoeveel van hen uiteindelijk een leefloon zullen bekomen.

Rond deze problematiek was er recent overleg tussen de federale overheid, de Gewesten en Gemeenschappen. Op het Overlegcomité van 28 januari 2015 engageerde de federale overheid zich ertoe « om de impact van een eventuele overdracht van de lasten naar de OCMW’s te beoordelen om, zo nodig, de in de begroting voorziene compensatie toe te passen ».

De werkelijke bijkomende last voor de OCMW’s zal dus inderdaad in kaart gebracht en geëvalueerd worden, waarna in overleg de gepaste beslissingen kunnen genomen worden.