SÉNAT DE BELGIQUE BELGISCHE SENAAT
________________
Session 2008-2009 Zitting 2008-2009
________________
13 février 2009 13 februari 2009
________________
Question écrite n° 4-2988 Schriftelijke vraag nr. 4-2988

de Anke Van dermeersch (Vlaams Belang)

van Anke Van dermeersch (Vlaams Belang)

au ministre de la Justice

aan de minister van Justitie
________________
Infractions routières - Perceptions immédiates et transactions - Plaintes en ce qui concerne l'emploi des langues - Suites Verkeersovertredingen - Onmiddellijke inningen en minnelijke schikkingen - Taalklachten - Gevolgen 
________________
infraction au code de la route
amende
emploi des langues
Commission permanente de contrôle linguistique
overtreding van het verkeersreglement
geldboete
taalgebruik
Vaste Commissie voor Taaltoezicht
________ ________
13/2/2009 Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 19/3/2009 )
25/11/2009 Dossier gesloten
13/2/2009 Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 19/3/2009 )
25/11/2009 Dossier gesloten
________ ________
Réintroduite comme : question écrite 4-5623 Réintroduite comme : question écrite 4-5623
________ ________
Question n° 4-2988 du 13 février 2009 : (Question posée en néerlandais) Vraag nr. 4-2988 d.d. 13 februari 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Les lois coordonnées sur l'usage des langues en matière administrative du 18 juillet 1966 stipulent que la Commission permanente de contrôle linguistique (CPCL) est chargée de veiller à l'application des lois coordonnées. Ainsi, la commission traite les plaintes relatives aux infractions à ces lois.

À diverses reprises, des citoyens de ce pays reçoivent des propositions de perception immédiate ou de transaction (également dénommée extinction de l’action publique par paiement d’une somme d’argent) à la suite d'une infraction routière dans une autre langue que la langue de la région dans laquelle ils résident. Ils doivent dans ce cas déposer plainte auprès de la Commission permanente de contrôle linguistique qui, invariablement, conclut à son incompétence.

La CPCL estime qu'une perception immédiate (au niveau de la police) ou une transaction (au niveau du ministère public) est un acte judiciaire qui vise à résoudre un différend. Par conséquent, les plaintes relatives à l'usage des langues relèvent de la loi du 15 juin1935 sur l'emploi des langues en matière administrative.

Dès lors, pour ce type de plaintes, la Commission renvoie invariablement le plaignant au ministre de la Justice voire au Conseil supérieur de la Justice.

Je souhaiterais par conséquent obtenir une réponse aux questions suivantes :

1. Combien de plaintes relatives à l'emploi des langues concernant respectivement des perceptions immédiates et des transactions les services compétents du Service public fédéral (SPF) Justice ont-ils reçues ces trois dernières années?

2. Quelles suites y a-t-on données? Quelle influence cela a-t-il eu sur la procédure de perception des amendes?

3. Sur quelle base peut-on estimer précisément qu'une perception immédiate/transaction ne peut être soumise aux lois sur l'emploi des langues en matière administrative, alors qu'il existe une méthode facultative de règlement des différends de nature administrative?

C'est ce que laisse également supposer une doctrine déterminée (Verstraeten, R., Handboek strafvordering, Maklu, 2007, p. 110-111) qui stipule, en ce qui concerne la transaction, que celle-ci peut être considérée comme un « mécanisme de règlement administratif de la procédure pénale ». Cela pourrait impliquer qu'il existerait effectivement des arguments favorables à l'application des lois sur l'usage des langues en matière administrative.

 

De gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken van 18 juli 1966 stellen dat de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (VCT) de taak heeft om te waken over de toepassing van de gecoördineerde wetten. Zo behandelt de Commissie klachten omtrent overtredingen van die wetten.

Menigmaal ontvangen burgers van dit land voorstellen tot onmiddellijke inningen of voorstellen voor een minnelijke schikking (ook wel verval van strafvordering door betaling van een geldsom genoemd) naar aanleiding van een verkeersovertreding, in een andere taal dan de taal van het gebied waarin zij woonachtig zijn. Zij dienen daarop klacht in bij de Vaste Commissie voor Taaltoezicht die steevast besluit tot onbevoegdheid.

De VCT oordeelt dat een onmiddellijke inning (politioneel niveau) / minnelijke schikking (niveau openbaar ministerie) een gerechtelijke handeling is die als doel heeft een geschil op te lossen. Bijgevolg zouden taalklachten daaromtrent ressorteren onder de wet op het gebruik van talen in gerechtszaken van 15 juni 1935.

De Commissie verwijst voor dit soort klachten de klager dan ook steevast door naar de minister van Justitie of zelfs naar de Hoge Raad voor de Justitie.

Graag had ik dan ook graag een antwoord op de volgende vragen gekregen :

1. Hoeveel taalklachten omtrent onmiddellijke inningen, respectievelijk minnelijke schikkingen mochten de bevoegde diensten van de Federale Overheidsdienst (FOD) Justitie de afgelopen drie jaar bereiken ?

2. Welke gevolgen werden daaraan gegeven ? Welke invloed had dat op de procedure van inning van de boetes ?

3. Op basis waarvan kan precies worden geoordeeld dat een onmiddellijke inning / minnelijke schikking niet onderworpen kan zijn aan de bestuurstaalwetten, nu een dergelijke facultatieve wijze van geschillenbeslechting in wezen van administratieve aard is ?

Zulks laat ook bepaalde rechtsleer (Verstraeten, R., Handboek Strafvordering, Maklu, 2007, p. 110-111) vermoeden waar wordt gesteld dat wat de minnelijke schikking betreft, zij naar haar uiterlijke kenmerken kan worden beschouwd als een " administratief afhandelingsmechanisme van de strafvordering ". Zulks zou kunnen impliceren dat er toch argumenten zouden kunnen zijn voor de toepassing van de taalwetten in bestuurszaken.