SÉNAT DE BELGIQUE BELGISCHE SENAAT
________________
Session 2008-2009 Zitting 2008-2009
________________
8 janvier 2009 8 januari 2009
________________
Question écrite n° 4-2228 Schriftelijke vraag nr. 4-2228

de Yves Buysse (Vlaams Belang)

van Yves Buysse (Vlaams Belang)

au ministre de la Justice

aan de minister van Justitie
________________
Police - Recours à des informateurs mineurs Politie - Inschakeling van minderjarige informanten 
________________
police
minorité civile
jeune
délinquance juvénile
lutte contre le crime
enquête judiciaire
politie
minderjarigheid
jongere
jeugdcriminaliteit
misdaadbestrijding
gerechtelijk onderzoek
________ ________
8/1/2009 Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 12/2/2009 )
23/9/2009 Antwoord
8/1/2009 Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 12/2/2009 )
23/9/2009 Antwoord
________ ________
Question n° 4-2228 du 8 janvier 2009 : (Question posée en néerlandais) Vraag nr. 4-2228 d.d. 8 januari 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

On a appris fin 2007 que la police fédérale avait demandé une étude sur la possibilité de faire appel à des mineurs comme informateurs. L'objectif était de recueillir, par le biais d'informateurs mineurs, des informations utiles à la lutte contre les bandes de jeunes violentes qui sévissent dans certaines de nos grandes villes.

Le ministre peut-il nous dire quel a été le résultat de cette étude ? Autrement dit, une décision a-t-elle déjà été prise pour permettre sur le plan légal le recours à des informateurs mineurs ?

J’ai déjà posé cette question auparavant au ministre de l’Intérieur (question écrite n° 4-1618), mais il m’a répondu que je devais m’adresser au ministre de la Justice.

 

Eind 2007 raakte bekend dat de federale politie liet onderzoeken of minderjarigen als informant zouden kunnen worden ingeschakeld. De bedoeling was onder andere om via minderjarige informanten informatie te kunnen inwinnen die nuttig zou zijn in de strijd tegen de gewelddadige jeugdbendes die een aantal van onze grote steden teisteren.

Kan de geachte minister inmiddels melden wat het resultaat van dit onderzoek was ? Met andere woorden, is er reeds een beslissing genomen om het inschakelen van minderjarigen als informant wettelijk mogelijk te maken ?

Ik stelde deze vraag eerder aan de minister van Binnenlandse Zaken (schriftelijke vraag nr. 4-1618), maar die stelde in zijn antwoord dat ik me tot de minister van Justitie moest wenden.

 
Réponse reçue le 23 septembre 2009 : Antwoord ontvangen op 23 september 2009 :

Tout d’abord, je souhaiterais vous renvoyer à la réponse donnée aux questions orales conjointes de monsieur Xavier Baeselen et madame Valérie Déom à ce sujet (Annales, Chambre 2008-09, 18 février 2009, 10-12).

Concernant votre question, je peux vous donner la réponse suivante.

Le Procureur général de Gand a été informé que, dans la pratique, il existe une nécessité d’avoir la possibilité de faire appel à des informateurs mineurs. Il est cependant important que cela soit strictement encadré afin de pouvoir prévoir des garanties de protection du mineur concerné.

La loi relative aux méthodes particulières de recherche n'exclut pas que la police ait recours à des informateurs mineurs. L’article 3.1 de la CIDE stipule cependant que dans toutes les décisions qui concernent les enfants, l'intérêt supérieur de l'enfant doit être une considération primordiale. Il ressort également de la philosophie de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, les mineurs doivent être protégés de l’influence négative des milieux criminels. Les différentes réglementations sont donc difficilement conciliables.

Au sein du groupe de travail dirigé par le parquet général de Gand, une « proposition de conditions particulières pour le travail d'informateurs mineurs » a été rédigée. Cette proposition n’est qu’un cadre brut de garanties et de limites pour le recours aux informateurs mineurs. Avant de développer ce cadre plus en détail, des avis ont été récoltés auprès des acteurs-clé comme le réseau d'expertise protection de la jeunesse.

Le principe est que le travail d'informateurs mineurs est impossible, sauf dans certains cas exceptionnels. Dans ces cas, la proposition prévoit un certain nombre de garanties et de limites. Contrairement au recours classique aux informateurs, le principe de subsidiarité doit être pris en considération. La proportionnalité doit également être examinée. La proposition parle donc de délits graves, organisés ou répétitifs. La fixation d’un âge limite est également souhaitable. En principe, les parents doivent être informés et il faut obtenir leur approbation. La proposition stipule également qu’il faut tenter de détacher l’enfant du milieu criminel.

La même question sera également soumise au Collège des procureurs généraux. Les principes de la loi sur la protection de la jeunesse et les besoins dans la pratique y seront examinés. Une proposition détaillée reprenant le conditions du travail avec des informateurs mineurs n'est donc pas encore disponible et ne pourra être développée qu’après qu'une décision de principe ait été prise au sein du Collège des procureurs généraux.

En outre, je tiens à attirer l’attention sur le fait qu’une recherche est menée dans trois prisons des États-Unis. Les chercheurs sont arrivés à la conclusion que les jeunes ont bien souvent moins d'informations sur la structure de la bande criminelle ou sont moins impliqués dans les aspects organisationnels des activités de la bande. En outre, il ressort des nombreuses recherches concernant les bandes de rue que ces dernières ont une organisation bien moins complexe. La question est donc de savoir s’il est nécessaire d’avoir recours à un informateur mineur.

Vooreerst wens ik te verwijzen naar het antwoord dat werd gegeven op de samengevoegde mondelinge vragen van de heer Xavier Baeselen en mevrouw Valérie Déom over dit onderwerp (Handelingen Kamer 2008-09, 18 februari 2009, 10-12).

Op uw vraag kan ik het volgende antwoorden.

De procureur generaal van Gent werd geïnformeerd dat er in de praktijk een nood bestaat aan de mogelijkheid tot het inschakelen van minderjarige informanten. Het is evenwel belangrijk dat hiervoor een strikte omkadering wordt uitgebouwd, om waarborgen te kunnen voorzien met het oog op de bescherming van de betrokken minderjarige.

De Wet op de Bijzondere Opsporingsmethoden sluit niet uit dat minderjarigen door de politie worden ingeschakeld als informant. Artikel 3.1 van het IVRK schrijft echter voor dat voor alle beslissingen die genomen worden met betrekking tot minderjarigen, het belang van het kind de primaire zorg moet zijn. Ook vanuit de filosofie van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade dienen minderjarigen te worden beschermd tegen de negatieve invloed van criminele milieus. De verschillende regelingen zijn dan ook moeilijk met elkaar te verzoenen.

Binnen een werkgroep onder leiding van het parket-generaal van Gent werd een “voorstel van bijzondere voorwaarden voor het werken met minderjarige informanten” uitgewerkt. Dit voorstel houdt enkel een ruw kader in van waarborgen en limieten voor het inzetten van minderjarige informanten. Alvorens dit kader in detail verder uit te werken, werd advies ingewonnen van verschillende sleutelactoren, zoals het expertisenetwerk jeugdbescherming.

Het principe wordt vooropgesteld dat werken met minderjarige informanten niet mogelijk is, tenzij in uitzonderlijke gevallen. Voor dergelijke gevallen voorziet het voorstel in een aantal waarborgen en grenzen. In tegenstelling tot de klassieke informantenwerking, dient het subsidiariteitsbeginsel in acht genomen te worden. Daarenboven moet ook de proportionaliteit worden bekeken. Zo wordt in het voorstel gesproken over zware misdrijven of misdrijven met een georganiseerd karakter of misdrijven die een repetitief karakter hebben. Ook het vastleggen van een leeftijdsgrens is wenselijk. In principe dienen ook de ouders te worden geïnformeerd en dient hun goedkeuring te worden bekomen. Het voorstel stelt tevens voorop dat er naar moet worden gestreefd de minderjarige los te weken uit het criminele milieu.

Dit voorstel zal ook voorgelegd worden aan het College van procureurs-generaal. Daar zullen de principes van de jeugdbeschermingswet en de noden uit de praktijk moeten worden afgewogen. Een uitgewerkt voorstel met voorwaarden voor het werken met minderjarige informanten is vandaag dan ook niet voorhanden en zal pas kunnen worden uitgewerkt nadat een principiële beslissing is gevallen in het college van procureurs-generaal.

Daarenboven wens ik de aandacht te vestigen op een onderzoek in drie jeugdgevangenissen van de Verenigde Staten. Daar kwamen de onderzoekers tot de vaststelling dat jongeren wellicht minder informatie hebben over de organisatiestructuur van de bende of minder betrokken zijn bij de organisatorische aspecten van de activiteiten van de bende. Bijkomend blijkt dat uit de vele onderzoeken die bestaan betreffende straatbendes blijkt dat deze een veel mindere complexe organisatie kennen. De vraag is dan ook of het nuttig is om jongeren als informant in te schakelen.